PODCAST · religion
Geruis Uit De Kluis
by Pater Hugo
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
-
41
Ben jij God zelf?
Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou.Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen.Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren.De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft.Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is.Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept.Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten.Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag.(intro)Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat.Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn.In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast.Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put.Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat.Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft.Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk.Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix.Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis.Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind.Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen.Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís.In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden.Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin.Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus.En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan?Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn.Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes.Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is.Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling.Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman.Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat.Als je niet beter zou weten zou je zeggen dat dat precies is wat Eckhart ook al probeerde te zeggen, toch?Ook de manier waarop Eckhart weigert de diepste kracht van de ziel te benoemen doet aan deze Indiase denktrant denken. Eerst noemt hij het topje van de ziel kasteeltje, en dan ook nog vonkje, hoede en licht, maar dan ontkent hij al die termen ook weer en zegt: ‘ez enist weder diz noch daz,’ het is noch dit, noch dat.Vergelijk dat met wat de Brihadáranyaka-Upanishad daarover zegt: ‘Dit zelf: niet zo, niet zo. Neti neti. Het is niet te grijpen want het laat zich niet grijpen. Het is niet te breken, want het laat zich niet breken. Het is niet te binden, want het laat zich niet binden.’Net zoiets doet zich voor in de meest verbreide tak van de joodse mystiek - de kabbala.Volgens de kabbalisten heeft de ziel vijf niveau’s of lagen, van primitief en grofstoffelijk naar hoog en verfijnd. Dus van het bewegen en verwarmen en instandhouden van de lichamelijke materie over het denken en bezielen en inspireren naar het meest wezenlijke en essentiële.Het hoogste niveau heet ‘Yechidah,’ wat vertaald betekent: de Ene of Unieke. Dat is het puntje waar de ziel direct en onbemiddeld verbonden is met God. Het woord ‘Yechidah’ komt van de stam voor uniek, eenmalig. Leggen we dat naast de opmerking van Eckhart dat ‘dit vonkje zo verwant is aan God dat het een enig Een is, dan is het helder dat hier dezelfde manier van denken aan het werk is. Dezelfde etymologie, zelfs, uiteindelijk.Dus én de christelijke én de joodse én de vedische traditie komen allemaal met een woord dat te maken heeft met enig en uniek en ondeelbaar als het gaat om het hart van de menselijke ziel. Dat is nog niet persé één pot nat. Maar het wijst wel op dat al die mensen op hun eigen manier naar dezelfde werkelijkheid hebben zitten staren. Dit soort speurtochten leiden schijnbaar vrijwel altijd naar dezelfde moeilijk te verwoorden glasheldere mistbank. Die dan door iedereen weer anders wordt geïnterpreteerd, natuurlijk. Dat maakt mystiek in het algemeen een onverdraaglijk fenomeen voor de droogstoppels onder ons. Niks aan te doen. Om de Dao de Djing van de Chinezen er ook nog maar even bij te slepen: “Een weg die je kan wijzen is niet de eeuwige weg. En een naam die je kunt noemen is niet de eeuwige naam.”Goed, alle gekheid op een stokje: laten we even kort een tussenstand opmaken. Ik begon deze video met de volgende observatie: Er is, als je in jezelf keert, een jij die getuige is van jouzelf. Die bewustzijn verleent aan alles wat je denkt en beleeft. Die getuige is waarschijnlijk de kern van je ziel, of misschien nog weer een getuige van die getuige, maar daar willen we hier even af zijn. In ieder geval is daar ergens een hete vonk, een toevlucht, een wezen waar we niet meer verder achter terug kunnen.De vraag is nu: is die vonk God zelf en betekent dat dat wij God zelf zijn? Eckhart lijkt dat te suggereren en in India is er een stroming die het onverbloemd verkondigt. De kabbalisten lijken toch ook wel die kant op te denken. Maar wij christenen vinden dat lastig. Niet omdat we bang zijn Gods oneindige Majesteit te bezeren, want die is niet zo kleinzerig.Maar wel omdat we het idee van één bewustzijn alléén een akelig idee vinden. Heel ons idee van wat het bestaan de moeite waard maakt is relationeel. Wij vinden dus harmonie en vereniging wel gezellig, maar de totale vereenzelviging niet. Wij zijn nou eenmaal erg van het ontmoeten, en dat gaat lastig in je eentje. Zelfs ons beeld van God is Relatie. De Personen van de Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is Vader omdat Hij een Zoon heeft. De Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft. De Geest is in feite niks anders dan de relatie tussen de Vader en de Zoon.Wij weten zelf ook wel dat wij daar een logisch probleem hebben, dus zijn we ondertussen sterren geworden in het klooien et paradoxen. God is wel één, maar allesbehalve alleen, zeggen wij.Niet logischer, wel aangenamer. Evengoed voor de piekeraars onder ons uiteindelijk onbevredigend. Kunnen we hieraan ontsnappen?We zullen onze toevlucht maar weer nemen tot de grootste theoloog aller tijden: Jan van Ruusbroec.Om maar met de deur in huis te vallen: ook bij hem zien we die vonk van de ziel.‘Ende oec hevet de mensche een natuerlijc gront neyghen te gode overmids de vonke der zielen ende die overste redene, die altoes begheert dat goede ende haet dat quade,’ zegt hij in zijn boek de geestelijke Bruiloft. Ruusbroec koppelt de vonk aan het hogere verstand, en ook dat lijkt op het denken van Eckhart. De vonk neigt of verlangt naar God, dat is ook wel duidelijk. Maar valt hij ook met Hem samen?Weten we het nog? Het hoogste van de menselijke ziel is bij Ruusbroec de zogenoemde geest, die bestaat uit de drie hogere vermogens: geheugen, verstand en wil. Omdat de ziel beeld van God is zijn die drie hogere vermogens ook weer beelden van de drie goddelijke Personen. Geheugen van de Vader, verstand van de Zoon en wil van de Heilige Geest.De zielevonk hoort bij de Zoon, de Logos, het Woord, het hier en nu, het verstand, het bewustzijn. Met andere woorden: de waarnemer, de hoeder, Jij die getuige bent van jou is ook bij Ruusbroec minstens beeld van de Logos, God de Zoon. Maar is de getuige ook God zelf? Ben jij ook God zelf?Je zag het al aankomen: Ruusbroec kiest hier een andere weg. Hij verenigt ons wel zeker innig met God. Maar hij kiest daarvoor het werkwoord inhangen. Ten eerste merkt hij al droogjes op dat alles en iedereen in God hangt omdat er zonder Hem geen bestaan, behoud of leven mogelijk is. Hij voegt daaraan toe dat dat nog geen reden is om naast je schoenen te gaan lopen: God houdt niet alleen heiligen in stand, maar ook mispunten en middelmatigen. En verder ook nog rotsen en colablikjes, koala’s en scheetkussens, pioenrozen en autowrakken en verder nog een paar dingen meer. Teken, bijvoorbeeld, die ook.Maar dan wordt het interessant voor ons: Eene andere eninghe ofte eenicheit es oec in ons van natueren, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronc nemen werkelijcker wijs: in eenicheit dies gheests ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke.Bij Ruusbroec hangt dus niet alleen het verstand, maar heel de geest in God. Dat ontsnapt aan de zintuigen, voegt hij er ook nog aan toe, en daaruit komen geheugen, verstand en wil tevoorschijn.Tot zover is het beeld dat Ruusbroec heeft van hoe de ziel ten diepste in elkaar zit strikt logisch nog wel met dat van Eckhart te verenigen, en misschien zelfs nog wel met Advaita Vedanta en de kabbala, maar het begint wel te wringen. Gewoon omdat er een andere mentaliteit uit spreekt, die veel nadrukkelijker dan de anderen die we tot nu toe hebben gezien bescheidenheid en overgave benadrukt.Dat wordt overduidelijk wanneer we zijn boecsken der Verclaringhe erbij pakken. Dat schreef hij uitdrukkelijk om te onderstrepen dat hij geen pantheïst was. Daarin zegt hij dan ook klip en klaar wat advaita adepten en hasidische rebbe’s niet zo snel zouden schrijven, en wat je ook vergeefs bij Eckhart zoekt.Eerst lijkt ook hij nog helemaal de taal van de absolute eenheid te spreken als hij zegt:Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in gods wesen, dat alre wesen overwesen is. Daer ontfallen si hen selvenin ene verlorenheit ende in onwetene sonder gront. Daer es alle claerheit wederboecht in deemsterheit, daer die .iii. persone wiken der weseleker enecheit ende sonder onderscheet ghebruken weseleker salecheit.Net als bij Eckhart is er in de menselijke ziel een zo groot mysterie dat God zijn Drievuldigheid achterlaat als Hij er naar binnen gaat. Hij gaat er binnen in zijn zalige Eénvoud en geniet daarvan, samen met de ziel. Maar toch staat hij het die ziel niet toe zich in Hem op te lossen.Dese salecheit es gode allene weseleec ende allen gheesten overweseleec. Want gheen ghescapen wesen en mach met gods wesene een sijn ende tegaen in hem selven. Want soe worde de creatuere god, dat onmoghelijc es.Waarom is dat eigenlijk onmogelijk? Nou:Want Gods wesen en mach menderen noch meerren. God is onveranderlijk. Als Hij toeneemt of afneemt is Hij God niet meer.Om dan de hele zaak weer lekker in de war te schoppen door eraan toe te voegen:Nochtan sijn alle minnende gheeste een ghebruken ende ene salecheit met gode sonder differentie.De liefhebbende geesten zijn één genieten en één zaligheid met God, en wel zonder onderscheid.Daar ziet Ruusbroec geen enkel probleem in,Want dat saleghe wesen dat gods ghebruken es ende alle siere gheminder, dat es alsoe sempel eenvoldech, dat daer en es noch vader, noch sone, noch heileghe geest na persoenleken onderscede, noch ghene creature.Wat God eigen is krijg jij als vrije gave. Wat Hij van nature heeft krijg jij in de vorm van zijn liefde geschonken. Zijn wezen is niet jouw wezen, maar wel jouw overwezen, zoals Ruusbroec het noemt. Het is niet vanzelfsprekend van jou, het is van jou omdat God het van harte aan je wil schenken. Hij wil zich met jou delen omdat Hij je bemint.God mag weten of dit alles uiteindelijk in technische zin veel verschil maakt. In India zal men zeggen van niet, omdat het hele probleem al vanaf het begin een illusie was. Ook kabbalisten zullen zich waarschijnlijk verbaasd afvragen waar die arme christenen zich zo druk over maken.Maar wij zijn christenen. Wij verstaan God als de Liefde zelf. En onze eigen diepste zelf liever niet als een vanzelfsprekendheid. Iets waar we recht op zouden hebben. Nee. Wij worden elk moment van ons bestaan uit liefde door de liefde aan onszelf geschonken. Dat is onze zaligheid en anders niet. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
40
Je handen druipen van het bloed!
“Je handen druipen van het bloed.” In april 2026 had de paus niet duidelijker kunnen zijn in de richting van het Amerikaanse regime. “God wijst oorlog af. Niemand kan God gebruiken om de oorlog te rechtvaardigen,” zei hij. “Hij luistert niet naar het gebed van wie oorlog sticht. Hij verwerpt het en zegt: ‘Je kunt bidden wat je wilt, ik luister niet. Je handen druipen van het bloed.’”Vrijwel onmiddellijk verscheen er een van Donald Trumps beruchte tweets, doorspekt met woorden in schreeuwende hoofdletters. ‘ Paus Leo is ZWAK tegen de misdaad, en verschrikkelijk in zijn buitenlandpolitiek.’ Daarop volgde een onsamenhangende alinea in wappie-spraak over de Kerk en de coronamaatregelen en de opmerking dat de paus alleen zou zijn gekozen omdat hij Amerikaan was. Om Trump te paaien, nog wel.Dat was een wat hersenloze reactie van het niveau dat we van Trump zo langzamerhand wel kennen. ‘Ik hoef niet te klinken alsof ik erover heb nagedacht, want ik heb toch de macht.’ En dat terwijl er best inhoudelijke kritiek op de paus mogelijk zou zijn geweest. Ook veel christenen waren best geschokt door zijn woorden. De katholieke traditie denkt immers van oudsher helemaal niet zo zwart-wit pacifistisch als veel mensen denken.Het duurde dan ook niet lang voor een hele tros van Trumps conservatief-christelijke handlangers over elkaar heen buitelden om de paus daaraan te herinneren.Bijvoorbeeld Mike Johnson, de voorzitter van het huis van afgevaardigden. ‘Er is toch een complete katholieke theologie van de ‘rechtvaardige oorlog?’ riep Hij. Daar had hij gelijk in, maar daarmee vertelde hij de paus niks nieuws. Die heeft geen baptisten uit Louisiana nodig om hem dat uit te leggen. Hij is zelf nota bene een augustijn, dus een lid van de kloosterorde die vernoemd is naar de heilige Augustinus. En laat dat nou net de grondlegger zijn van die doctrine van de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog.’Dus waarom was de paus zo fel? De Amerikanen hadden de Iraanse machthebbers toch aangevallen om te voorkomen dat die kernwapens zouden krijgen. En toch ook om de bevolking de gelegenheid te geven om hun moorddadige regime omver te werpen. Dat was toch wel rechtvaardig genoeg, allemaal, of niet dan?Maar klinkt ‘rechtvaardige oorlog’ niet sowieso een beetje raar? Kan het ooit oké zijn in de ogen van God om massa’s mensen te vermoorden en de beschaving te vernielen? Aan de andere kant, wat dan weer als je je moet verdedigen? Dat moet toch mogen? En heeft Trump niet een beetje gelijk als hij zegt dat het niet zo’n goed idee is als een bloeddorstig stelletje islamitische fundamentalisten een atoombom krijgt? Maar hoever mag je dan gaan om dat te voorkomen?Hoe heeft de Kerk daar eigenlijk in de loop van de eeuwen over gedacht?Over Jezus zelf kunnen we kort zijn. Sommige geleerden beweerden vroeger wel dat Hij zelf een soort strijder was die met geweld het einde der tijden en Gods koninkrijk af meende te kunnen dwingen. Dat vergt alleen wel echt een vorm van hogere uitlegkunde - of inlegkunde, beter gezegd. Want de vier Evangelies schetsen echt een ander beeld. ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld,’ zegt Hij, en ‘zalig zij die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.’ Als Petrus probeert te voorkomen dat Jezus gearresteerd wordt en met een zwaard om zich heen begint te slaan zegt hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’En ook de vroege christenen lijken nog eeuwenlang echt radicale pacifisten te zijn geweest. En dat terwijl ze verder absoluut niet persé van die extreem vriendelijke types waren. Dat konden ze zich ook helemaal niet permitteren, want christen zijn was gevaarlijk en illegaal. Als je werd aangegeven kon je ervoor gemarteld en ter dood gebracht worden. Dat merk je dan ook gelijk aan de harde toon van veel van de geschriften die we uit die tijd nog hebben.Zo was bijvoorbeeld Tertullianus, uit de tweede eeuw, een meedogenloze fanaat, bij wie er voor afvalligen geen vergeving mogelijk was. Niet voor niks staat hij nergens op de heiligenkalender. Een Kerk die vergeeft is een Kerk die capituleert, vond hij. Vrouwen noemde hij de poort van de duivel en hij was tegen geleerdheid. ‘Wat heeft Athene te maken met Jeruzalem?’ zei hij. In die zin zou hij tegenwoordig zo in het Trump-kamp hebben gepast.Toch is hij glashelder als het op geweld aankomt. Voor hem kan een christen geen soldaat zijn.“Hoe moet een christen als soldaat oorlog voeren,” zegt hij. “Sterker nog, hoe zal hij zelfs in vredestijd dienen, zonder het zwaard? Maar dat heeft de Heer weggenomen!”Iets later leefde Origenes. Die had alle reden om wrok en agressie te koesteren, want toen hij zeventien was werd zijn vader door de Romeinen ter dood gebracht omdat hij christen was. Toch was hij niet uit op wraak, maar juist radicale pacifist. Het Koninkrijk van God was aanstaande, en zou zonder geweld van christenen door God zelf tot stand worden gebracht.“Wij nemen niet meer het zwaard op tegen enig volk en wij leren niet meer de oorlog, want wij zijn vredestichters geworden door Jezus Christus, onze aanvoerder.”Hij hield die houding zijn hele leven consequent vol, terwijl hij voortdurend werd geconfronteerd met vijandigheid en agressie. Uiteindelijk stierf hij, gebroken door afschuwelijke martelingen, onder keizer Decius.Maar dan, in de vierde eeuw, verandert er iets. Constantijn de Grote, de Romeinse keizer, maakt het christendom tot een legale religie. In de praktijk zelfs een religie waar je bij wil horen als je in zijn maatschappij iets wilt bereiken. Geen wonder dat massa’s mensen zich laten dopen, en dat de ongenaakbare martelaarscultuur van types als Tertullianus en Origenes al snel verdampt in de Kerk. Maar dat levert een levensgroot probleem op. Want het maakt de Kerk, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor de politieke cultuur van het Romeinse Rijk. Als keizers ten strijde trekken met het kruisteken op hun banieren moet de Kerk daar wat van vinden, linksom of rechtsom.Dat de Kerk door haar nieuwe, bevoorrechte status meer pragmatisch werd, werd al snel duidelijk. De synode van Arles, een grote kerkvergadering helemaal aan het begin van deze periode, besliste al gelijk dat christenen in het vervolg het leger in mochten. Ze moesten alleen wel boete doen als ze ook daadwerkelijk bloed vergoten. Een ongemakkelijk compromis, zo te horen. Om niet te zeggen hypocriet.Het was de heilige Augustinus van Hippo die aan het begin van de vijfde eeuw de theologie op het gebied van oorlog en geweld meer vlees op de botten gaf. De vragen die hij moest beantwoorden waren hele andere dan die van Tertullianus. Het ging niet meer over christenen die vervolgd werden, maar over christenen die de macht hadden. Die de heersende beschaving droegen en in stand hielden onder druk van vijanden van buiten en verrotting van binnen.In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten, en zelf was hij bisschop in Noord-Afrika. Daar werden de Romeinse steden dan weer voortdurend bedreigd door de legers van de Vandalen.Dat leverde allemaal hele concrete, praktische vragen op. In hoeverre mogen christenen zich in zo’n situatie met geweld verdedigen? Augustinus’ ideeën waren dus geen vluchtige theorietjes die op een lome zomernamiddag vrijblijvend aan elkaar gefantaseerd waren. Het waren acute dilemma’s. Augustinus zou uiteindelijk zelf sterven in een belegerde stad. Niet alleen hij lag in doodsstrijd, zijn bisschopsstad Hippo ook. Een paar maanden na zijn dood zou het worden ingenomen en van de kaart geveegd.In zo’n wereld was het voor Augustinus niet houdbaar elke vorm van oorlog rücksichtslos te veroordelen. Dat deed hij dan ook niet. Voor hem was de vraag niet meer: ‘Mag ik als christen vechten?’ maar: ‘wat leeft er in mijn innerlijk terwijl ik vecht?’Hij schrijft: ‘De zucht om kapot te maken, de wreedheid van het wraak nemen, de onverzoenlijke en onverzadigbare geest, de losgeslagen opstand, de lust om te overheersen en al dat soort dingen: dát is wat in oorlogen moet worden veroordeeld.’Vooral die ‘lust om te overheersen,’ de Libido Dominandi, wordt daarbij een sleutelbegrip. Als die in het spel is, wordt het moeilijk een oorlog als terecht te betitelen. Dat maakt het voor oorlogszuchtige naties al gelijk weer lastig om zich met dit soort theologie in de hand te rechtvaardigen.Die zucht naar overheersing speelt - naast de honger naar gebiedsuitbreiding en rijkdom - immers bijna altijd wel een rol bij het uitbreken van oorlog. Vrome praatjes over het beschermen van de wereld tegen chemische of nucleaire wapenarsenalen of het redden van een onderdrukte bevolking van een wreed regime bedekken meestal een hele andere agenda. Een agenda die is opgesteld in de onderbuik van de machthebbers.Verder vond Augustinus het ook belangrijk dat niet zomaar iedereen het recht had oorlog te voeren. Dat kon alleen op basis van een wettig gezag. Dat gezag is door God gegeven om de vrede in de schepping te bewaren. “De natuurlijke orde, die op vrede is gericht, vereist dat het gezag en de beslissing om oorlog te voeren bij de vorst berusten,” schrijft hij daarom.De losse ideeën over de rechtvaardiging van oorlog uit Augustinus’ werk kregen op den duur een enorme invloed in het christelijke Westen. Uiteindelijk belandden ze ook in de officiële wetgeving, maar dat gebeurde pas in de twaalfde eeuw. Toen werden ze in het decretum van Gratianus opgenomen, zeg maar het toonaangevende kerkelijke recht van die tijd. Nog iets later leefde de heilige Thomas van Aquino, die het denken over oorlog en vrede in een verfijnd systeem paste. Dat deed hij trouwens met heel de waarneembare werkelijkheid. Hij had, met andere woorden, ook last van een Libido Dominandi, een lust om te beheersen. Of misschien was het in zijn geval eerder een Libido Ordinandi, een zucht om te catalogiseren. In ieder geval ontsnapte ook de oorlog niet aan zijn aandacht. Hij benaderde het probleem met de nuchtere droogte die we van hem kennen:“Om een oorlog rechtvaardig te maken zijn er drie dingen nodig: ten eerste het gezag van een vorst, op wiens bevel de oorlog gevoerd moet worden. Ten tweede een rechtvaardige aanleiding, namelijk dat diegenen die worden aangevallen het daar door hun eigen schuld zelf naar gemaakt hebben. Ten derde dat het doel van de oorlogvoerenden juist is: gericht op het bevorderen van het goede of het bestrijden van het kwade.”Thomas systematiseert wat bij Augustinus nog los op concrete situaties gericht was. Hij poneert drie heldere criteria. Oorlog kan alleen rechtmatig worden gevoerd door de soevereine vorsten van naties, waarvan hij geloofde dat hun gezag door God gegeven was. Verder is oorlog nooit een doel op zichzelf. Het is een middel tot vrede, een geordende rust. Dat is kenmerkend voor Thomas. Bij hem is altijd alles gericht op orde. Ordenen was zijn ding. In feite bestaat heel zijn werk eruit om hemel en aarde - aan de hand van Aristoteles - te ordenen. Hij zou tot patroon van de autisten verklaard moeten worden. Enfin, dat terzijde.Zijn werk zette ondertussen wel de kroon op de traditie van de Bellum Iustum, de “Rechtvaardige Oorlog,” die met het werk van Augustinus was begonnen. Er lag in het vervolg een overzichtelijke, heldere kerkelijke leer over oorlog en vrede. Dat was, achteraf, geen zegen. Zoals het er stond was de regel veel te kwetsbaar voor misbruik. Het was voor christelijke naties wel erg makkelijk geworden geweld te rechtvaardigen. Hun Libido Dominandi was op geen enkele manier overwonnen of zelfs maar milder geworden. Alleen verstopt onder een enorme berg mooie spreuken.Dat begon echt heel storend op te vallen nadat het nieuwe continent Amerika was ontdekt. Dat gebeurde door de Spanjaarden. Die waren weliswaar officieel zo ongeveer de katholiekste natie ter wereld, maar ze maakten er geen christelijk schouwspel van. Onder het mom van het verspreiden van het Evangelie en het bestrijden van het heidendom zaaiden ze dood en verderf onder de inheemse bevolking, de Azteken.Nou was dat heidendom van die Azteken wel - de eerlijkheid gebiedt het te zeggen - een van de meest bloeddorstige religies die de wereld ooit gezien heeft. Mensen offeren was voor hen geen bijkomstigheid, maar het hart van hun hele kosmologische orde. Zonder mensenoffers geen zonsopgang. Maar de manier waarop de Spanjaarden daar een eind aan maakten had niks te maken met geloofwaardig christendom. Moorden in naam van het leven is trouwens altijd een rare manier van doen.Nou is het zo dat juist de zwartste bladzijden uit de menselijke geschiedenis soms enorm vruchtbaar worden gemaakt door diegenen die het niet kunnen aanzien. En zo ging het ook nu weer. Spanje was in die tijd een natie vol kloosters. Daarin lag een enorme kracht ten goede verborgen. Zowel de dominicanen als de jezuïeten zouden in de drie eeuwen daarna hun uiterste best doen om de Spaanse bezetters van Zuid-Amerika tot medemenselijkheid te dwingen. Voor ons onderwerp van vandaag zijn twee dominicanen uit Salamanca het meest relevant. Zij vonden in feite het internationale recht uit.De eerste was Francisco de Vitoria, die zonder omhaal van woorden zei: “Er is maar één en één enkele aanleiding tot een rechtvaardige oorlog: dat er onrecht is aangedaan.” En: “Verschil in godsdienst is géén reden voor een rechtvaardige oorlog.” Daarmee zette hij een streep door een hele reeks reflexen die iedereen tot dan toe doodnormaal had gevonden. Weg met kruistochten, weg met oorlogen over reformatie en tegenreformatie. En ook nieuw: inheemse volkeren zijn mensen met rechten, of ze nou gedoopt zijn of niet. Al die dingen ontmaskerde hij voor wat ze waren: voorwendsels voor het uitleven van hebzucht en de lust om te overwinnen.Maar hij trok ook ten strijde tegen zaken die wij ook nu nog om ons heen zien gebeuren. In zijn boekje was niet alleen geen ruimte meer voor godsdienstoorlogen, maar ook niet meer voor preventieve oorlogen. De tweede Irak-oorlog en de oorlog van Trump tegen de Perzen zou hij zonder meer hebben afgekeurd.Alleen een werkelijk geleden onrecht rechtvaardigt gewapend optreden. Maar ook dan gelden er beperkingen.“Als het,” zo schrijft hij, “nodig zou zijn om grotere rampen te veroorzaken dan het goed dat hersteld moet worden is het niet geoorloofd een oorlog te beginnen.”Daarmee introduceerde de Vitoria het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel, nog steeds een van de pijlers onder het moderne humanitaire oorlogsrecht.Een medebroeder van hem die net een generatie later leefde, Francisco Suárez voegde daar nog het principe van de ultima ratio aan toe. Oorlog is alleen geoorloofd als alle andere middelen zijn uitgeput. Zo legde hij de basis voor wat onze eigen Hugo de Groot later verder zou uitwerken. Die gaf er ook voor het eerst expliciet de naam volkerenrecht aan.Het internationale recht is dus geboren uit de moraaltheologie van twee Spaanse priesters. Dat je het maar even weet. Knoop het in je oren. Lekker puh.Maar toen kregen we dit: [beelden van de loopgraven]en toen dit: [paddestoelwolk].Oorlogsrecht heeft alleen maar zin als een oorlog beheersbaar blijft. Als de middelen in verhouding staan tot het doel. Dat er een onderscheid kan blijven worden gemaakt tussen soldaten en burgers. De twintigste eeuw maakt dat alles definitief onmogelijk.Eerst kregen we de loopgraven, machinegeweren en gifgasaanvallen van de eerste wereldoorlog. Om maar eens iets te noemen: bij de slag om de Somme stierven op één dag zestigduizend Engelse soldaten. Dat maakt het proportionaliteitsbeginsel in één klap tot een absurditeit.En dan krijgen we de tweede wereldoorlog met zijn luchtbombardementen en uiteindelijk zijn atoombommen. Wat er met steden als Rotterdam en Dresden gebeurde was al ruim voldoende om de logica van alles hiervoor uit zijn voegen te drukken, maar Hiroshima en Nagasaki zetten er wel echt een vette punt achter.Atoombommen maken geen onderscheid en hebben ook geen menselijke proporties. Per definitie niet. Alles houdt daar op.En daaruit trok de Kerk haar conclusies. Johannes XXIII hield geen enkele rekening meer met de traditie van de rechtvaardige oorlog toen hij in 1963 zijn encycliek Pacem in Terris over de vrede in de wereld schreef. Hij schreef:“Dit tijdperk beroemt zich op haar atoomkracht. Daarom is het niet te verenigen met het verstand om oorlog nog als een geschikte manier te beschouwen om geschonden rechten te herstellen.”Twee jaar later gooide het Tweede Vaticaanse Concilie daar nog een schepje bovenop.“Elke oorlogshandeling die zonder onderscheid gericht is op de vernietiging van hele steden of uitgestrekte gebieden met hun inwoners is een misdaad tegen God.”En zo zijn we weer bij ons uitgangspunt terug. Want zo denkt de Kerk er nog steeds over. Op dit moment hebben we paus Leo XIV, een augustijn. Hij is dus lid van de kloosterorde die de regel heeft van de heilige augustinus, nota bene de grondlegger van de leer van de rechtvaardige oorlog. Maar ook Leo gelooft daar niet meer in. Op Palmzondag 2026 zei hij letterlijk:“Dit is onze God: Jezus, Koning van de Vrede, die oorlog verwerpt en die door niemand gebruikt kan worden om oorlog te rechtvaardigen. Hij luistert niet naar de gebeden van hen die oorlog voeren, maar wijst ze af en zegt: ‘Zelfs als jullie nog zoveel bidden, ik luister niet: jullie handen zitten onder het bloed.’”Met andere woorden: De rechtvaardige oorlog-traditie was al niet uitgevonden om oorlog te rechtvaardigen, maar juist om oorlog te begrenzen — en de vraag is of die begrenzing in het atoomtijdperk nog mogelijk is.Goed, Jullie weten wel dat ik een hekel heb aan het vermengen van godsdienst en politiek, en dat ik het eigenlijk alleen wil hebben over zaken waar we zelf ook invloed op hebben. Zaken van innerlijke aard, bovendien. Ik heb dan ook wel even geaarzeld of ik deze materie überhaupt bij de horens moest vatten. Maar ook jij en ik hebben in deze wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid.Waar Augustinus tegen tekeer ging was niet het zwaard zelf, maar de geest erachter: de libido dominandi, de lust tot overheersing. En die wordt niet geboren uit abstracte naties en zelfs niet primair uit losgeslagen politici. Zowel onze vlag, onze nationale identiteit als onze heersers worden geboren uit onszelf. Het karakter van de wereldpolitiek wordt uiteindelijk bepaald, niet eens alleen door wie wij kiezen, maar vooral ook door wie wij bewonderen en wat wij dan precies in die mensen bewonderen. De eigenschappen waar wij in onze leiders tegenop kijken zijn een spiegel van wat er leeft in ons eigen hart.De Libido Dominandi, de overheersingslust van figuren als Donald Trump en Vladimir Putin is een gevolg van hoe zij denken de bewondering van anderen op te wekken.Wat zich in het groot manifesteert is vrijwel altijd een projectie van wat zich aan de grond, tussen kleine mensen, beweegt. Daarom moeten we ons afvragen: hoe zit het eigenlijk met mijn eigen Libido Dominandi, mijn overheersingslust? Hoe wil ik eigenlijk dat mensen tegen mij aankijken? En wat bewonder ik eigenlijk in anderen? Is dat eigenlijk wel het juiste? Want wat voor gedrag lok ik daarmee in die anderen uit? Is dat eigenlijk wel altijd dat wat ik zeg dat ik bewonder en wil? Of ben ik eigenlijk veel primitiever dan ik denk?Om daar de vinger achter te krijgen heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, een bedevaart naar je eigen innerlijk. Dat doe ik vanaf nu in een aparte video. Die vind je als het goed is al op een kaart die nu in beeld is, en ik zal hem ook in de beschrijving zetten. Graag zie ik jullie daar, en voor de rest: Ga en leef! En bewonder de vrede, in plaats van de oorlog. ook in je eigen leven. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
39
God Renoveert
Pater Hugo legt de wonderlijke sequentie van Beloken Pasen uit.Vanwege de feestelijkheden biedt pater Hugo deze preek gratis aan aan al zijn volgers. Vind je dit nou mooi, overweeg dan eens (als je dat nog niet gedaan hebt) hem hier te steunen met een bescheiden abonnementje van slechts zeven euro per maand. Met dat luttele bedragje doe je een wereld van goed en je hebt er nog plezier van ook:* Je maakt gehakt van de eenheidsworst in de Kerk door dit soort originele types te steunen. En dat is heel katholiek. Of je het nou altijd met hem eens bent of niet, de wereld heeft nood aan zoiets geks als progressieve tridentijnse priester-kluizenaars. Hem faciliteren betekent ook automatisch het mee overeind houden van een veilige plek in de Kerk. Hij trekt immers drommen jongeren aan aan wie hij een geborgen midden biedt tussen alle extremen die tegenwoordig zo in de mode zijn. * Elke maand de kans om (online) unieke live-sessies met hem mee te maken, waarin hij rare middeleeuwse teksten over de onmiddellijke ervaring van God ineens heel begrijpelijk maakt. Hij kiest daarbij niet alleen de brave, maar ook de ketterse. Zo blijft het altijd spannend. Hij heeft voor dat werk een degelijke opleiding aan de Katholieke Universiteit van Leuven gehad, maar toch wordt het zelden schools.* En je krijgt dit soort preken die je anders mist, met een inslag die nergens anders te krijgen is. Hij vertrekt altijd vanuit de directe innerlijke ervaring en zelfs als hij een zweverige bui heeft is hij vaak nog steeds tegelijk ook onderhoudend. En begrijpelijk, vreemd genoeg. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
38
Wegkruipen in Christus' wonden
Ik wil Jezus’ wonden niet alleen aanraken. Ik wil er doorheen kruipen. Me er instorten, erin rondspartelen, eruit drinken, me erin verstoppen en uiteindelijk erin verdwijnen. Ben ik nog goed bezig, of rijp voor een inrichting?Dat ga ik in deze video samen met jullie uitvogelen met mijn verstand. Aan het einde gaan we ook nog even proberen om met een geestelijke oefening een beetje over dat verstand heen te koekeloeren.(intro)Het is net Pasen geweest, en we worden overspoeld met video’s van jongeren die zich laten dopen. Hun ouders snappen daar meestal niks van. Het waren immers weer hún ouders die het christendom hebben laten vallen. Ze zijn dus opgevoed met het idee dat religie bekrompen en dom is. En vreselijk saai ook vooral. En de katholíeke religie is wel het meest bekrompen en het domste en het saaiste van allemaal. Zij is tegen de wetenschap, tegen vooruitgang, tegen genieten, tegen het avontuur, tegen creativiteit, tegen seks en tegen het lichaam in het algemeen. Toch?Maar als je zo’n doopvideo ziet zit je niet te kijken naar iemand die zich onderwerpt aan een burgerlijke formaliteit die je lid maakt van een conventionele club van simpele zielen. Wat je ziet en wat zich tegelijk aan je oog onttrekt is iemand die zich met Christus laat verzuipen in de oervloed van chaos en dood om daar nieuw en herboren weer uit te kruipen. En zo is het hele katholieke geloof zoals het bedoeld is. Lichamelijk. Plastisch. Blubberend en bloedend, zwetend en zwoegend, bottend en spruitend. Gevaarlijk. Totaal sereen, maar allesbehalve steriel. God wordt mens. In eerste instantie in Jezus Christus, maar in tweede instantie - door Hem - in jou. God maakt zich vies om jou schoon te wassen. En dat gebeurt niet door aan Hem te denken, een liedje over Hem te zingen, een boekje over Hem te lezen en een gebedje te plegen, maar door jouw wonden tegen de zijne aan te leggen, je met Hem te vermengen, zijn Vlees en Bloed te drinken en zijn Geest door je neusgaten je longen in te zuigen.Dat heeft Hij tijdens zijn korte leven hier op aarde ook heel duidelijk gemaakt. Geboren in een ranzige stal was Hij ook verder nooit bang ergens mee besmet of besmeerd te raken. Hij raakte mensen gretig aan, of ze nou frisgewassen waren of onder de zwerende bulten zaten. Hij genas mensen door ze zijn spuug in de oren, in de ogen of in de mond te smeren. Uiteindelijk liet Hij zich slachten en door de mensen opeten, en dat doet Hij tot op de dag van vandaag.Als je dit soort taal en de werkelijkheid die zich daarin verbergt schokkend en onsmakelijk vindt ben je niet de enige. Maar de waarheid is dat ik tot nu toe in dit filmpje nog voorzichtig ben geweest. Het oude, authentieke christendom van voor de reformatie en de jaren zestig is nou eenmaal niet voor iedereen. Enfin, vanaf hier gaat de rem er helemáál af. Dus als je katterig wordt van katholiek kun je beter naar een kattenfilmpje gaan kijken, of zo.We beginnen met Thomas. Niet de dertiende-eeuwse wijsneus, maar de apóstel Thomas. Dus een van de twaalf voornaamste leerlingen van Jezus. Als Jezus na zijn dood en verrijzenis voor het eerst aan die apostelen verschijnt, is Thomas er niet bij. En hij gelooft er geen snars van. Hij vertikt het. Hij is, na alles wat er is gebeurd, wel genoeg kapot. Hij heeft alles wat hij had eraan gegeven en zijn familie en vrienden achtergelaten om Jezus te volgen. Hij was er tot nu toe diep van overtuigd geweest dat die de Romeinen Israël uit zou timmeren en in Jeruzalem een nieuw koninkrijk zou vestigen. Hoe heeft Hij zo achterlijk kunnen zijn? Hij schaamt zich kapot. Hij kan zichzelf niet aankijken in de spiegel. En tegelijk mist hij die man ook nog eens verschrikkelijk, ook al was het duidelijk een bedrieger en een dwaallicht. Zoals iedere idioot had kunnen zien aankomen, trouwens. Maar wel een betoverend dwaallicht. Thomas vervloekt Hem, maar zou er tegelijk alles voor over hebben om Hem terug te krijgen. Om alles weer terug te krijgen zoals hij het drie weken geleden nog had. Zo dichtbij, maar verder weg dan de maan. Een tantaluskwelling. Iets waar je met heel je wezen naar snakt, maar waar je nét niet bij kunt en ook nooit zúlt kunnen.Hij zit er dan ook niet op te wachten om zijn rauwe emoties als toetje nog eens bloot te stellen aan de waanbeelden die nu duidelijk begonnen op te komen bij de andere leerlingen. Zijn hoop was al genoeg teleurgesteld. Of tot pulp vermalen, zou je beter kunnen zeggen. Letterlijk. Op het kruis.Aan de manier waarop hij die gevoelens formuleert zie je precies zijn scherpe mensenkennis. Hij wéét hoe overtuigend fantasiebeelden kunnen zijn, hoe écht ze kunnen overkomen. Hij heeft dat immers net zelf meegemaakt, jaren achter elkaar. En nu worden die illusies bij de andere apostelen ook nog eens gevoed door het hartstochtelijke verlangen dat diepe rouw met zich meebrengt. De rouw die hij zelf ook voelt. Daarom trekt hij de enige grens die geen drogbeeld kan passeren: ‘als ik niet in zijn handen het litteken van de spijkers zie en niet mijn vinger kan leggen op de plek van de spijkers en mijn hand mag leggen op zijn zijde, zal ik echt niet geloven!’En dan is daar inderdaad plotseling weer die Jezus. Hij verschijnt niet alleen, Hij ontplóft als het ware in het gezicht van Thomas. Hij zegt: kom hier met je vingers en raak mijn wonden aan. Kom hier met je hand en leg die in mijn doorstoken zijde. Ongelooflijk en onvoorstelbaar! Niet te bevatten. Maar wél te vátten, letterlijk. Thomas doet wat Jezus hem zegt. Hij raakt Hem aan en dringt dieper in Hem door dan ooit tevoren.Want is het eigenlijk niet gek dat Jezus die wonden überhaupt nog heeft? Zou het niet logischer zijn geweest als die met de dood uit Jezus’ lichaam waren weggetrokken en verdwenen? Als Jezus zelfs de dood kan doden, hadden dan ook niet zijn wonden moeten sterven?Lijden gaat voorbij, maar geleden hebben blijft, lijkt hier gezegd te worden. En in Jezus’ geval is dat lijden duidelijk een bron van genezing en overwinning geworden. Die wonden zijn daar niet alleen de eretekens van geworden, maar ook de bronnen waaruit Thomas zijn geloof en zijn zelfrespect terugkrijgt. ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort,’ heeft diezelfde Jezus gezegd. En Hij heeft de daad bij het woord gevoegd. Hij heeft zichzelf opengebroken en op de aarde laten vallen om zich als voedsel te geven en bloei en leven te brengen.Hem niet aan te raken, Hem niet binnen te dringen en te eten en te drinken en te spreken en te leven zou Hem pas echt tekortdoen. Zijn lijden en sterven verspillen en zijn offer afwijzen.Daar hebben wij postmoderne mensen echt weer iets te leren. Iets wat wij wel ooit geweten hebben, maar waarvan wij vervreemd zijn. Ons vervreemd hébben. Namelijk: lichámelijk te zijn. De middeleeuwers hadden daar geen moeite mee. Die wilden ook wel graag naar de hemel, maar hadden geen moment de illusie daar al te zijn of die hier op aarde met menselijke handigheid te kunnen bouwen. Ze waren wel veel schoner en mooier en ontwikkelder dan ze vaak worden afgeschilderd, maar ze moesten die schoonheid en properheid voortdurend aan de materie ontworstelen.Daarom vertrouwden ze ook alleen heiligen die niet alleen geestelijk waren, maar net als zijzelf hun heiligheid hier op áarde hadden moeten bevechten op bloed en zweet en stront en tranen. Die die lichamelijkheid uiteindelijk wel vol vertrouwen hadden losgelaten in de handen van God, maar pas nadat ze die tot de laatste druppel snot en de laatste rimpel en de laatste reutelende zucht hadden uitgeknepen. Met achterlating van hun beenderen als bewijs daarvan. Die de middeleeuwers dan ook niet voor niks vol respect bewaarden in gouden schrijnen, gezalfd en met de geur van heiligheid omkranst. ‘Zalig zij die niet zien en toch geloven,’ zei Jezus, nadat Thomas Hem had aangeraakt en omhelsd. Dat klinkt als een verwijt en een ontkenning van de hele zin van dit verhaal. Ook klinkt het als onverstandige flauwekul. Flauwekul waar de meeste christenen met open ogen instinken, ook nog. Als een oproep om onkritisch te vertrouwen op mooie praatjes. Want dat is wat de Bijbel is, en zelfs het verhaal van Jezus: een pak mooie praatjes. Als ze niet in de aarde vallen en sterven brengen ze geen vrucht voort.Daarop te vertrouwen als ze verder in je eigen leven, je eigen lichamelijke leven afwezig blijven is niet alleen naïef, maar ook gewoon tragisch. Dan eindig je precies in de situatie van Thomas: als belachelijke leerling van een vermoorde sekteleider. En dan zonder het verlossende einde.In de hemelse zaligheid zullen wij ons koesteren in ons vertrouwen op God zonder dat wij ook maar iets verlangen te zien of te horen. Want die dingen doen er daar niet meer toe. Niet voor niets lees je niks als paradoxen als een van de grote mystici zijn directe ontmoeting met God beschrijft. Die gaat alle zintuigen te boven. Die hoeft je ook niet meer te overtuigen of je vertrouwen te winnen. Daarom smeren verhalen daarover alle zintuigen door elkaar.In de hemelse zaligheid ben jij niet alleen van God, maar is God ook van jou. Daar ben je zalig zonder voorbehoud en vol vertrouwen zonder te zien.Hier op aarde kan God niet anders dan ons tegemoet komen in ons dierlijke verlangen te zien, te horen, aan te raken, in te drinken, op te vreten, te voelen en te ruiken. Dat is waarom de Kerk er is, waarom de sacramenten er zijn, waarin God ons zichzelf te proeven en te voelen en te horen en te ruiken geeft. Dat is waarom Hij mens geworden is, Beeld van God. En af té beelden, uit te hakken, uit te pakken en voor te stellen. Eerst, om te oefenen, in hout en steen. Dan, bezielder al, in brood en zalf en water. Daarna uitgekneed en ingehakt in méns. In jóu.Daarom zegt Hij tegen Thomas: kom hier met die nieuwsgierige vingers van je. Steek ze in mijn handen, leg ze in mijn zij. Doe je ogen open, en je oren. Ik wil er mijn spuug in smeren. Mijn leven en mijn Woord, mijn vorm.Tegelijk is al dat verbeelden, dat smeren en verteren, niet het einddoel. Het is een middel, een tussenin, een etappe. Net zoals de Kerk ook geen einddoel is, maar een middel, een tussenin, een etappe. In de hemel is geen Kerk zoals wij die ons voorstellen. Die is daar nergens voor nodig. Daar ontmoeten wij God zonder onderscheid.Daarom zegt Christus tegen Maria Magdalena: houdt mij niet vast, want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader en jouw Vader. Naar daar waar we zullen geloven zonder te zien. Zonder te voelen, te ruiken, te horen. Hij laat zich krijgen door onze stof en onze zintuigen. Hij duikt daarin. Maar niet om daar in bewaring te worden gehouden. Hij komt ons daar tegemoet om ons van de bodem ervan af te trekken en ons eruit op te tillen. Niet om het af te wijzen en te vervloeken, maar om het open te laten bloeien en te verheerlijken en nieuw te maken. Mee te nemen naar zijn Vader en jouw Vader.Maar nu nog niet.We gaan oefenen.Sluit je ogen. Geen haast. Dit is geen puzzel die je moet oplossen, maar ruimte die je je simpelweg even mag gunnen.Voel je eigen gewicht. De zwaarte van je lichaam op de stoel of op de grond. Dat je ergens op rust - dat er iets onder je is. Dat de bodem je draagt, en dat al deed voor je er wat van wist. Merk op dat je dat vergeet, bijna altijd. Dat je gedragen wordt zonder dat je erom vraagt. Dat het er gewoon is.Nu ga je naar je handen. Je hoeft er niks mee te doen, laat ze maar gewoon liggen. Voel de warmte die ze hebben, of juist niet. Misschien voel je je hartslag in je vingertoppen, als je geduld hebt om het op te merken. Raak met je duim het topje van je wijsvinger aan. Heel licht. Voel de huid op de huid. Dat je materie bent die zichzelf kan aanraken.Dit is waar het begint. Niet daarboven. Niet in een idee. Hier, in het feit dat je een lichaam hebt en dat dat lichaam er is, nu, en warm, en zwaar, en tastbaar.Stilte.Bewustzijn.Blijf waar je bent, in dat voelen van je handen, je gewicht, je warmte. Merk je dat jíj het bent die dit opmerkt? Dat er in jou iemand kijkt? Iemand die de warmte niet alleen voelt, maar weet dat hij voelt? Die het gewicht niet alleen draagt, maar er getuige van is?Alsof er in je lichaam een open ruimte is - een blik, een aandacht - die nergens vandaan komt en die je niet kunt pakken. Die er gewoon is, net zoals de grond onder je er gewoon is.Neem dat gewoon eens een tijdje waar. Niet met veel inspanning. Eerder zoals je kijkt naar iets wat je al een tijdje in het oog had, maar nu pas echt ziet. Dat je niet alleen bestaat, maar dat je ook wéét dat je bestaat. Dat je niet alleen raakt aan dingen, maar dat je ook getúige bent van die aanraking. Dat het zijn waaraan je net voelde een bewustzijn in zich draagt dat er niet door jou is ingelegd. Het was er al.Zoals het licht er al was voordat je je ogen opendeed.Zaligheid. Vrijheid.En nu het lichtste. Houd niets van dit alles vast. Niet het gewicht, niet de warmte, niet de aandacht, niet het weten. Laat het zijn wat het is - maar losjes.Zoals je een pasgeboren kind vasthoudt: stevig genoeg om het niet te laten vallen, maar zonder het te claimen. Het is niet van jou. Het is je toevertrouwd.Merk op — en je hoeft er geen naam aan te geven — dat het loslaten geen verlies is. Dat er onder het vasthouden en het weten nog iets of iemand anders is, iets dat je niet kunt beschrijven, maar dat aanvoelt als ruimte. Ruimte die van harte voor je openstaat.Ruimte die al gelukkig is voor je er zelf aan toekomt. Je hoeft haar niet te verdienen en al helemaal niet te bevechten. Ze hangt niet af van wat je voelt, maar ze draagt je voelen en koestert het en maakt het nieuw.Je hoeft die ruimte niet te bereiken. Je bent daar al.Het enige wat je kunt doen is ophouden haar tegen te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
37
Pasen is het belangrijkste feest van het jaar
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
36
Moet dat nou?
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
35
God wordt Brood
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
34
De Nacht waarin God Zwijgt
Zo kennen wij dat wel. Die God is nogal eens nergens te bekennen, juist als je het benauwd hebt. ‘Waar is die God van jou?’ denk je dan. ‘En wat voor een Vader is dat?’Het is de avond van Witte donderdag. Jezus ligt, in de steek gelaten, in het donker in een verlaten tuin te bidden. Hij is doodsbang. Morgen zal Hij afschuwelijk worden gemarteld en vermoord, en Hij wéét dat. “Laat het aan mij voorbijgaan!” schreeuwt Hij uit, tot God die Hij zijn Vader noemt. Maar die zogenaamde Vader zwijgt, in alle talen.Dat lawaaierige zwijgen is de stem van de wanhoop waartegen Jezus hier aan het vechten is. En Hij dreigt dat gevecht te verliezen. Hij is maar een mens.Maar dan, juist als Hij breekt, welt er een ander gebed uit Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.Ik wil ook een engel om mij te troosten, als ik bang ben, of ziek, of als ik het echt niet meer weet. Hoe heeft Jezus die naar zich toe gelokt? En is dat alleen weggelegd voor mensen die stiekem tegelijk ook God zijn, of ook voor ons?In deze video leg ik je uit wat hier gebeurt, en aan het einde geef ik je weer, net als vorige week, een oefening. Die gaat je niet in een vingerknip in een lichtgevend spook of een vliegende non veranderen, maar je wel helpen ruimte te maken voor wat het Heilige in jou zou kunnen doen. En dat zou je een enorme hoop benauwdheid kunnen schelen, als puntje bij paaltje komt. Enfin, aan het werk.(Intro)Welke vader laat zijn Kind nou zó alleen? Om niet te zeggen: welke vader loopt zijn eigen Kind nou zó te martelen? Want God laat Jezus niet alleen in de steek - en ook nog eens precies dán wanneer het er het meest op aankomt. Hij onttrekt Hem actief zijn troost.Want dat zijn Zoon door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten, wordt bespuugd, wordt vernederd, wordt kapotgeslagen, wordt gekroond met doornen, wordt spiernaakt en krijsend aan een kruis getimmerd is duidelijk de wil van zijn Vader. Zelfs dat zijn moeder daarbij staat te kijken en niks kán - en dat Hij dat dan weer ziet, hoe haar hart met Hem sterft - dat is duidelijk de wil van zijn Vader. Dat zij zijn bloederige vel zonder ziel in haar schoot geworpen krijgt - dat is de wil van de Vader. Over dat alles is de traditie heel duidelijk.Het hele verhaal is niet te snappen. Want was die Jezus Christus niet zélf van goddelijke natuur? Hoe kan God zichzelf smeken om Hem te komen redden en dan ook nog eens niet verhoord worden? Niet mijn wil, maar uw wil geschiede? Wat?En dan uiteindelijk aan dat kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hoe?Laten we, om niet alleen Jezus Christus, maar ook onszelf iets beter te begrijpen, maar even een stapje terugzetten.Wij mensen zijn het meeste mens als wij liefhebben. We hebben het vaak niet eens in de gaten, maar meer nog dan zelf gelukkig zijn maakt het gelukkig maken van anderen ons gelukkig. De mensen van wie wij houden. De wereld waarin wij leven.Maar die wereld werkt daar niet automatisch in mee. Soms lijkt het wel alsof ze er zelfs op uit is om zoveel mogelijk van ons zo snel mogelijk de dood in te jagen, liefst op een gruwelijke manier. Ziekten, aardbevingen, hongersnoden, het houdt nooit op.Wijzelf werken trouwens ook niet zomaar mee. Zelfs als we van goede wil zijn gedragen we ons nogal eens heel egoïstisch, ten koste van iedereen om ons heen. Of het nou om geld, aandacht, eten, macht of seks gaat: het lijkt wel alsof we nooit verzadigd raken en nooit tevreden zijn.Er zijn wetenschappers die zich opwerpen als een soort moderne priesters. Die zeggen dat dat allemaal komt omdat de wereld geschapen is door een nogal koude godin en haar hulpje, die Toeval en Evolutie heten. Die hebben de zaken zo geregeld dat alles wat leeft van nature maar op twee dingen gericht is: zichzelf in stand houden en zichzelf kopiëren. Ten koste, desnoods, van alles wat daarbij in de weg loopt. Zij zeggen dat dat nou eenmaal zo hoort.Wij katholieken zeggen dat het helemaal niet zo hoort. Wij kijken zo graag naar alles wat er wél mooi en teder is aan de natuur en de mensheid. En menen daarin toch eerlijk, door alle ellende heen, iets van een oorspronkelijk idee van de schepping te kunnen zien.Sterker nog: we hebben er heimwee naar. Het is alsof we er al ooit waren, maar op drift zijn geraakt. We hebben trouwens ook heimwee naar onszelf, maar dan onszelf zoals we bedoeld zijn. Want we zijn niet zomaar vanzelf onszelf. Daar is een vorm van groeien voor nodig. Een vorm van groeien die lang niet altijd goed afloopt en die trouwens soms überhaupt meer op een oorlog lijkt.Want als we ons maar een beetje laten gaan beginnen we al snel wezenloos te graaien naar de behoeften die door het meest dierlijke in ons worden aangejaagd. Vreten, zuipen, neuken lijken het meest plat. Maar de voortdurende behoefte aan aandacht, eer, glorie en bevestiging is minstens net zo erg. En er zijn maar weinig van ons die dat zo wel prima vinden.Het lijkt wel alsof we, telkens als we niet willen doen waar we zin in hebben, maar wat we eigenlijk ten diepste willen, we onszelf geweld aan moeten doen. Dat merken we bijvoorbeeld wanneer we écht enthousiast worden over iets dat ons dieper raakt dan onze onderbuik. Wanneer we ons bijvoorbeeld verliezen in gitaar spelen of wielrennen, en ons helemaal te pletter trainen en repeteren.En vooral merken we het als we van iemand houden, en die willen verzorgen of voor ons winnen, redden of gewoon gelukkig zien worden.Dan zijn we ineens in staat om alles wat we lekker of gemakkelijk vinden compleet te vergeten. Dan zijn we ineens wél in staat om, dwars door pijn en ellende, over alle grenzen van ons welbehagen, onze eigenliefde en ons zelfrespect heen te denderen.Dat is precies wat hier gebeurt met die Jezus die in doodsangst in die tuin bloed ligt te zweten. Zijn vrienden, die Hij had meegenomen om Hem te troosten, waren in plaats daarvan keer op keer in slaap gevallen. Dat had zijn eenzaamheid eerder nog pijnlijker gemaakt. Maar Hij verwijt het hun niet. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak,’ zegt Hij, vergoeilijkend. Hij weet het, want Hij vecht in zichzelf tegen precies hetzelfde vlees.In Christus zijn twee willen met elkaar aan het vechten: de goddelijke en de menselijke. De wil tot zelfbehoud en de wil tot zelfgave.Zijn menselijke wil is bang voor het lijden en de dood, want zo is ze gemaakt en hoort ze te reageren. Zelfbehoud is de mens ingeschapen. Zelfs de meest volmaakte en heilige menselijke wil is afkerig van het lijden en de dood. Terecht. Want die horen helemaal niet te bestaan. Ze zijn niet geboren uit de wil van God maar uit de eigenwijsheid en het egoïsme van de mens en de scheefgroei van de schepping. Ze zijn uiteindelijk niet natuurlijk. Ze wortelen niet in Gods aanwezigheid - dus in het echte, het goede en het schone. Ze komen voort uit het ontbreken daarvan.In gewone mensentaal: ‘de mens hangt aan het leven,’ en dat is maar goed ook. Toch zegt Christus ook dat alleen die mens het meest volmaakt bemint die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Er is, met andere woorden, een zelfloze wil die de menselijke wil tot zelfbehoud te boven gaat.Als Christus dus in de Hof van Olijven uiteindelijk breekt en zegt: ‘Niet mijn wil, maar jouw wil,’ is dat stiekem geen falen, maar winnen. Zijn wil wordt Hem niet uit handen geslagen. Hij geeft die, heel bewust en uiteindelijk vrijwillig, aan de Vader. Hij brengt zijn menselijke wil actief in harmonie met zijn goddelijke wil.Dat is de wil om ons uit het diepst van onze ellende te komen wegtrekken, ook als Hij daarvoor alles wat Hij is, van zijn waardigheid tot zijn bloed, tot de laatste druppel moet uitgieten.Hij is geen mens geworden om te oordelen, maar om te redden. En wel door niet alleen vlees te worden, maar helemaal solidair met ons tot in het putje van onze ellende te kruipen. Christus wordt niet zomaar een mens, Hij wordt de Mens.Hij kan dat omdat Hij van ons houdt. En beminnen doe je niet met je gevoelens, maar met je wil.Pilatus toont ons dat kort en goed. Hij laat Jezus door zijn soldaten helemaal aan gort slaan, met doornen kronen en een spotmantel omhangen. In die toestand zet hij Hem op het balkon voor een woedende menigte en zegt, simpelweg: ‘zie de mens.’ Daarmee laat hij ze in de beste spiegel kijken die er maar mogelijk is. In Jezus’ toegetakelde gezicht zien ze het gezicht van hun eigen sadistische wreedheid, maar zonder dat ze het in de gaten hebben staan ze tegelijk te kijken naar het gelaat van zijn door en door liefdevolle wil. Die dit alles wil omdat Hij hen bemint.Heeft Hij zich immers niet juist tot op dat vervloekte balkon gewaagd om hen uit deze hel op te komen halen? ‘Vergeef hen, Vader,’ zegt Hij dan ook, ‘want ze weten niet wat ze doen.Even terug naar de donkere tuin op de Olijfberg. Wat gebeurt daar nou eigenlijk echt? De sleutel tot het hele verhaal is, dat de naam ‘Jezus’ ‘God is Redding’ betekent. In de hof van Olijven biedt Hij, biddend in doodsangst, zichzelf aan als Offer, als Gave. Dat wordt nogal eens verkeerd begrepen. Hij offert zich niet aan een wrokkige semitische onweersgod die toevallig ook nog zijn Vader is, en die Hem sadistisch mishandelt en vermoordt omdat Hij daar een soort satanisch genoegen aan beleeft. Hij offert zichzelf als medicijn voor de wrok zelf. Zijn uitgegoten Wezen geneest de wezenloosheid zelf.Hij geeft zich, letterlijk met vereende krachten. Hij doet zichzelf het uiterste geweld aan. Hij dwingt ten eerste om alle aspecten van zijn ziel, van de laagste tot de hoogste, één te worden.De laagste, de emoties, verlangens en driften, ballen zich samen tot wat wij het ‘hart’ noemen. Dat is het dierlijke deel, het deel dat de natuur heeft gemaakt om zichzelf ten koste van alles in stand te houden. Het hangt aan het leven. Het verzet zich uit alle macht. Jezus smeekt het, dwingt het, temt het uiteindelijk.Zodra Hij het overmeesterd heeft, verenigt Hij het met de drie machten die zijn werkelijke zelf zijn. Als mens bestaat je eigenlijke wezen uit je grond, je bewustzijn en uiteindelijk je wil. Je wil, de kracht waarmee je liefhebt. En die wil geeft Hij weg aan de wil van de Vader.Dat is wat we zien gebeuren in die donkere tuin met die eenzame Verlosser.Goed. Tot zover Jezus in de hof van Olijven. Maar wat moet jíj daarmee? Want Jezus was stiekem God. Hij had, naast een menselijke, ook een goddelijke wil. Zoiets zou jij van jezelf niet durven beweren. Of wel soms?Nou, je kon jezelf nog wel eens verrassen. Aan het begin van het boek Genesis staat er, al vrij vooraan, dat God de mens schiep naar zijn Beeld en gelijkenis. En dat Beeld is diezelfde Christus waar we het net over hadden. Je bent dus wel niet Onze Lieve Heer zelf, maar je bent toch wel gemaakt om op Hem te lijken.Daar komt nog iets bij. We geloven dat het bestaan zelf een aspect van God is. Elk moment dat je bestaat, ontvang je dat bestaan dus uit God zelf. Bewustzijn is een ander aspect van God. Daar geldt dus hetzelfde voor. Elke milliseconde dat je wakker en aanwezig bent wordt je geschonken uit het Absolute. En je goede wil, de wil om gelukkig te zijn maar vooral ook gelukkig te maken, is nog weer een ander aspect van God. Dus ook die krijg je uit Hem.Je ziel ligt zo voortdurend tegen God aan en wordt door Hem aan jou gegeven. Maar wel ook écht gegeven. Om vrij over te beschikken. God neemt haar niet terug, al hoopt Hij wel dat je haar uit jezelf teruggeeft. Zodat jij en God zó innig met elkaar verenigd raken, dat je geen onderscheid meer merkt.Dat kan alleen als je doet wat je ten diepste wilt, en niet waar je zin in hebt. Dus niet doet waar je driften je toevallig naartoe drijven. En wat je ten diepste wil is precies die heimwee naar heilig zijn in een heilige wereld die ik daarstraks al even aanstipte. Beminnen en bemind worden.Dat klinkt allemaal zalig - en dat is het uiteindelijk ook - maar nu nog niet. Wat je moet leren is wat de mystieken gelatenheid noemen. Dat klinkt in moderne oren een beetje alsof je je kop moet laten hangen en onverschillig moet worden en met je moet laten sollen. Maar dat is het juist niet.Nogmaals: het is normaal en menselijk niet te willen lijden en sterven. Het is heel natuurlijk voor Jezus om te bidden: ‘neem dit van mij weg.’ Het is zijn lagere, natuurlijke menselijkheid die daar spreekt, en smeekt, en schreeuwt. Zijn emoties, zijn lichamelijke behoeften, zijn drift. Zelfs zijn platte, berekenende, gezonde verstand hoort daarbij.Zijn overgave als Hij dan even later zegt ‘niet mijn wil, maar Jouw wil,’ ontkent die menselijkheid niet. Hij neemt haar zelfs heel serieus. Maar Hij neemt haar wel mee naar waar zijn hogere zelf, zijn grond, zijn bewustzijn en zijn wil, naartoe willen. En dat is: de wil van God doen.Hij doet niet alsof Hij niks wil, maar legt wat Hij wil vrijwillig in de handen van de Vader.Juist als Hij breekt, welt er de totale vrijheid in Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.Die ‘gelatenheid,’ zoals dat heet, is het helemaal rusten in je vertrouwen op God. En daar hoef je niet God zelf voor te wezen. Daar wachten ook op jou engelen om je te troosten.Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver die we hebben, verwoordt het zo:“Jouw wil, niet mijn wil.” Toen Christus onze Heer zijn lijden naderde, zei Hij dat tegen zijn Vader in een nederig vernietigen van Zichzelf. En het was Hem het meest behaaglijke woord en het meest eervolle, en ons het meest heilzame, en deVader het meest beminnelijke, en de duivel het meest ergerlijke woord dat Christus ooitsprak. Want door het wegschenken van zijn menselijke wil zijn wij gered.”Oefening.Goed, kunnen we dit ook zelf oefenen? Dat lijkt me heel goed mogelijk en ook niet zo ingewikkeld. Het hoeft ook niet onmiddellijk een doodsstrijd in de hof van Olijven te worden.Neem simpelweg eens een minuut of vijf om je een situatie voor de geest te halen van nog niet al te lang geleden. Een situatie waarin je ergens absoluut geen zin in had, maar het toch wilde. Niet om een verplichting van buitenaf, omdat een ander je dwingt of loopt te drammen. Nee, jij hebt er geen zin in maar jij wil het tegelijk toch.Er is bijvoorbeeld iemand in je omgeving die aandacht nodig heeft, maar heel eenzaam is en daardoor ratelt en enorm veel energie vraagt. Je hebt absoluut geen zin om die persoon te bellen, maar je doet het toch. Of krijg je jezelf gewoon niet zover?Er is dus een conflict tussen je lagere vermogens, die jouw eigen welzijn en zelfbehoud op de eerste plaats stellen, en je hogere wil die zichzelf weg wil schenken.Er wordt iemand op je werk of op school getreiterd. Dat gaat je aan het hart, maar als je ingrijpt maak je jezelf sociaal kwetsbaar. Je hebt absoluut geen zin om het conflict aan te gaan, maar als je eerlijk kijkt naar wat je eigenlijk écht wilt kom je erbij uit dat je het waarschijnlijk toch moet doen.Precies hetzelfde.Goed, verplaats je nu even grondig terug in de herinnering aan de situatie die je hiervoor hebt uitgekozen. Niet een van mijn voorbeelden, maar een innerlijk conflict dat je zelf hebt meegemaakt. Je had er geen zin in, maar je wilde het toch. Haal het je helemaal voor de geest en leg het nu langs het schema dat ik je nu ga beschrijven.Dat wat in jou je eerste afkeer veroorzaakt van wat je eigenlijk moet doen, en eigenlijk ook wilt doen, zijn je emoties. Dat zijn roerselen in je gemoed die worden geroerd door je lagere vermogens. Dat zijn je begeerte, je ratio en je drift. Je ratio is, even voor de duidelijkheid, niet je echte intellect, maar meer je berekenende boerenslimheid. Die drie zijn totaal dierlijk en uit zichzelf alleen geïnteresseerd in het handhaven, voortplanten en welbehagen van jou als lichamelijk wezen. Ze zijn wel tot meer in staat, maar niet uit zichzelf. En nu, in deze situatie werken ze je tegen. Ze stuwen je naar zelfzuchtig gedrag dat je in deze situatie misselijk vindt. Je wil wat anders.Gelukkig ben je niet willoos aan je emoties en je lagere vermogens overgeleverd. Want je hebt ook nog drie hogere vermogens. Je geheugen, je verstand en je wil.En heel dat lagere spul dat je nu zo’n overlast bezorgt hangt in feite aan die hogere vermogens. Stel het je maar voor als een soort marionettentheater met drie verdiepingen. Je emoties hangen aan je lagere krachten, begeerte, ratio en drift. Die hangen weer aan je hogere krachten: geheugen, verstand en wil.Wat je nu gaat doen is die touwtjes aantrekken en het hele theater samenballen in je hogere krachten. Eerst trek je je emoties aan zodat je goed beseft dat ze samenvallen met je dierlijke krachten. Ze lijken wel heel belangrijk en wereldschokkend, maar het zijn gewoon de impulsen van je zelfbehoud. Het zijn de prikkels waarmee je lagere krachten je aanzetten tot vechten, vluchten, vreten, zuipen, neuken.Goed. Nu je ziet hoe het werkt is het misschien een ietsje makkelijker ze gewoon eventjes te laten razen zonder dat je je door ze mee laat sleuren. Misschien ook wel niet onmiddellijk. Het vergt oefening en geduld, zoals alles in dit leven.Wat je nu gaat doen is dat hele kolkende en razende soepje van die emoties en die lagere krachten binnentrekken in je hogere vermogens. De begeerte met al het lekkers waar het naartoe stuwt trek je in het geheugen. De ratio met al zijn dubbele agenda’s in het intellect. De drift met zijn agressie en achterdocht in de wil.Nou wil het dat die drie hogere krachten op de Personen van de goddelijke Drievuldigheid lijken. Je geheugen op de Vader, je intellect op de Zoon en je wil op de Heilige Geest. Je bent immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Je bent dus drie, net als Hij. Maar je bent ook één, net als Hij. Het stiekeme geheimpje van het leven is dat je in het diepste gaatje van je ziel voortdurend door Gods scheppende plezier aan jezelf geschonken wordt.Zodra je nu heel dat poppentheater in jezelf hebt opgehesen en samengebald blijft eigenlijk alleen je wil over. Niet toevallig is dat ook de kracht waarmee je liefhebt.Mocht het je nou lukken die wil vol vertrouwen in de handen van de goede God te laten, dan ben je in een warm nestje gevallen waar je getroost wordt door engelen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
33
Het hart van het Jaar
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
32
Homilie Pater Hugo Maria Boodschap 2026
Dit is de preek van een Hoogfeest door de week. Die krijgen alle volgers sowieso. Zou je ook graag alle zondagspreken van Pater Hugo willen krijgen? Neem dan een betaald abonnementje op zijn Substack! Daar zitten trouwens nog veel meer extraatjes bij, en bovendien steun je zo deze unieke stem in katholiek Nederland!Of als je graag op zijn Nederlands wilt betalen:* Maandabonnement met iDeal of Bancontact* Jaarabonnement met iDeal of Bancontact This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
31
De Sluier in de Duisternis
Wat is dit in godsnaam? Vanaf de vijfde zondag van de vasten verandert de kerk van een sacrale santenkraam in een godgewijd spookhuis. Een paarse grauwsluier breidt zich als een schimmel uit over alle kruizen en heiligen. God verliest zijn gezicht.Waarom bedekken wij de laatste twee weken de beelden in de kerk met paarse doeken? Ik leg het je uit in deze video. Aan het einde zal ik ook nog een concrete oefening meegeven die ermee te maken heeft, en die je kunt opnemen in je gebedsmoment of meditatie.(intro)Waarom sluieren wij de beelden? Wij hebben dit gebruik al sinds de vroege middeleeuwen, maar niet veel mensen begrijpen het echt goed. Dat het bedoeld is om de feestelijkheid te dempen en zo ruimte te scheppen voor rouw en boete is wel duidelijk.Maar waarom bedekken we dan zelfs de kruizen? Juist in de weken dat wij ons intensief met Jezus’ lijden proberen te verenigen verbergen wij de afbeeldingen die ons daar het meest aan doen denken.Niet alleen alles wat blij en feestelijk maakt verdwijnt, maar ook alles wat je op het eerste gezicht juist zou kunnen helpen het lijden van Jezus te beleven. Waarom?Het antwoord zal sommigen van jullie wel verbazen. Omdat sommige dingen nou eenmaal pas echt zichtbaar worden als je ze verbergt. Juist het meest wezenlijke valt nogal eens pas op als je het wegneemt. Er een doekje over gooit. Zo leer je jezelf om op een andere manier te gaan kijken en luisteren.Het is niet zo vreemd als het lijkt: denk bijvoorbeeld maar eens aan hele constante, bescheiden geluiden. Het lage brommen van een koelkast of het zachte blazen van een ventilator. Die hoor je eigenlijk pas als ze plotseling wegvallen. Ze vallen pas op als je ze uitzet. Wat stil is het dan ineens!Net zoiets is er aan de hand met de voortdurende, dragende aanwezigheid van God in zijn heiligdommen. Om die eventjes écht op te merken schakelen we de meest zichtbare tekens ervan even uit.Als je echt wil snappen waar de Kerk in deze tijd mee bezig is zul je moeten luisteren naar de stem van de grote mystieken. Meer dan wie ook hebben juist zij zich geoefend in het laten zien van het onzienlijke en het onthullen van het verborgene.Het beste beginnen we dan in dit geval bij een geheimzinnige figuur uit ongeveer de vijfde eeuw. Eigenlijk was hij een bedrieger, want hij gaf zich uit voor een figurant uit de Bijbel, Dionysius de Areopagiet, waarschijnlijk om zijn geschriften meer gezag te verlenen.De vraag is of dat nou nodig was, want de inhoud van de geschriften die we nog van hem hebben is ontzagwekkend en volledig serieus te nemen. Dat weten we omdat ze in ons eigen leven direct ervaarbaar zijn. We kunnen het helemaal zelf controleren. We kunnen er in feite zelfs helemaal niet omheen.Iedereen met een serieus innerlijk leven loopt te worstelen met het verwoorden en zelfs maar onthouden van wat hij beleeft als hij God benadert. Het is alsof een soort statische ruis die tegelijk bliksemend en pikdonker is zowel je geheugen als je taalgevoel in de war stuurt. Dionysius beschrijft het als volgt:“Drievoudigheid, leid ons langs de rechte weg naar de hoogste top van de mystieke woorden. Boven het onkenbare en boven het licht waar de enkelvoudige, van niets afhankelijke en onveranderlijke mysteriën van het goddelijke Woord in gehuld gaan. In de verblindende duisternis van het zwijgen dat in mysteriën verborgen is. Waar zij in het diepste duister het meest meer dan stralend en meer lichtend zijn. En waar zij in het volstrekt ontastbare en onzichtbare de ogenloze denkkrachten doen overvloeien van overschone lichtglans.”Dat zijn een hoop paradoxen op een hoop. Verblindende duisternis, stralend en lichtend diepste duister enzovoort. Toch brengen die evengoed een glasheldere boodschap over: om God te kunnen ontmoeten, om daar überhaupt ruimte voor te scheppen, zul je je normale manier van waarnemen en vooral ook inschatten en oordelen en streven moeten opschorten.De wilde - maar ook heel knappe - Duitse mysticus Eckhart verwoordt het zo: wie ruimte wil maken voor God moet niks willen, niks weten en niks hebben.Misschien ken je het wel: plotseling is er zo’n geheiligd moment dat het bidden niet alleen werkelijk lukt, maar dat je ook erváárt dat het lukt. Moeiteloos ben je je bewust van de tegenwoordigheid van God, en daarin ben je met Hem samen. Je koestert je in de troost van zijn aanwezigheid.Maar dan begint je wil zich te bewegen. Een beetje zoals een kat die niet op schoot wil blijven liggen omdat hij plotseling iets heeft gehoord of heeft geroken. “Ik wil...” komt er in je op. “ik wil...” en onmiddellijk valt je bewustzijn uit de ervaring van de tegenwoordigheid van God.Het gaat er niet om of je wil goed of verkeerd was. Het maakt niet uit of je wil goed was of niet. Of je nou net zat te willen te willen wat God wil, of zat te willen meer op Jezus te lijken of zat te willen meer vervuld te worden van de Heilige Geest. Het bewegen van je wil alleen was genoeg om je plotseling weer alleen te voelen. Je wil, hoe goed ook, is een middel geworden tussen jou en God, iets wat tussen jullie in zit.Nog sterker geldt dat voor weten. Stel je voor: je ligt te badderen in Gods licht en denkt onwillekeurig: ‘wat heerlijk!’ Boem! Ineens lijkt het wel alsof het licht van God zelf zijn glans heeft verloren. Het heeft, zonder dat je het in de gaten had, ergens onderweg de gedaante van een grijze regendag aangenomen.Dat komt omdat je het hebt zitten weten. Je hebt je een oordeel gevormd en in plaats van het licht van God zelf word je nu door het licht van je oordeel beschenen. En dat is een héél ander verhaal. Het maakt niet uit dat je oordeel helemaal positief was. Het is een middel, een beeld geworden tussen jou en God, iets wat bemiddelt. Het maakt de relatie tussen jullie twee onrechtstreeks.Hebben is een nog radicalere werkelijkheid. Alles wat je hebt is niet God en neemt ruimte in beslag die God niet kan opvullen. Eckhart is heel radicaal in dit opzicht: Zelfs als je juist alleen nog ruimte hebt voor God heb je nog te veel. Het ideaal is zelfs geen ruimte meer te hebben, ook al is het dan voor God. Laat Hem in jou maar in zijn eigen ruimte werken. Laat Hem in jou in Zichzelf werken.Dit klinkt bijna flauw, maar als je even kijkt naar hoe Eckhart zijn betoog opbouwt snap je wel waarom hij zelfs die stap nog nodig vindt. Onwillekeurig zijn er, hoe abstract hij ook te werk is gegaan, toch weer beelden ontstaan. Beelden van jou als poppetje, of als ziel - waar je je dan ook weer een beeld van vormt - waarin dan weer het beeld van een ruimte verschijnt. En die beelden zitten in de weg.Wie God wil vinden moet zich hulpeloos in Hem durven verliezen. Het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen.Laatst zat ik in een praatprogramma en op een gegeven moment ging het over het verschil tussen de authentieke, klassieke manier om de Mis op te dragen en de liturgie die tegenwoordig meestal wordt gebruikt. Die is opgesteld door een commissie in de jaren zestig.Dat onderwerp ligt nogal gevoelig, en ik ging misschien een beetje over de schreef. De presentator vroeg mij waarmee ik dat nieuwe ritueel zou willen vergelijken, en spontaan zei ik: ‘Duplo.’ Daarmee wekte ik natuurlijk onbedoeld de indruk dat ik de moderne Mis maar een kleuterspelletje vond, wat echt wel horkerig zou zijn geweest. Veel mensen houden er immers oprecht van, vooral ouderen.Ik bedoelde natuurlijk dat de moderne Mis uit blokken bestaat waaruit je kunt kiezen en die op allerlei manieren op elkaar passen. ‘En waar zou je de oude Mis dan mee vergelijken?’ zei de presentator op licht kritische toon. ‘Een bos,’ zei ik onmiddellijk. ‘Ah,’ zei hij. ‘Maar in een bos kan je ook verdwalen.’Ik had daar achteraf anders op hebben willen reageren. Wat ik zei was weliswaar niet verkeerd of onoprecht, maar er lag een heel verhelderende waarheid voor het oprapen die ik op dat moment gewoon even miste.Ik had moeten zeggen: ‘inderdaad, kun je in een bos verdwalen, en zo hoort het ook.’ God is niet ongevaarlijk. God is niet zonder risico. Als je je aan God toevertrouwt neem je op de koop toe dat je je ook aan Hem zou kunnen verwonden. Je zou zelfs aan Hem kunnen sterven. Je vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren omdat je Hem vertrouwt, maar garanties zijn er niet.In ieder geval zal je in Hem moeten verdwalen. Wie wil groeien in God kan dat niet door zelf de touwtjes in handen te houden. Zelf zijn koers te bepalen en zijn eigen oriëntatie te volgen. Volwassen worden in dit opzicht betekent vreemd genoeg steeds onzelfstandiger worden.Denk maar aan wat Jezus tegen de heilige Petrus zegt in het Johannesevangelie: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging waarheen je wilde, maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt.’Toegepast op ons betekent dat inderdaad, met Eckhart, niks willen, niks weten, niks hebben.Het Evangelie voegt er nog aan toe dat Jezus met deze woorden doelde op de dood waarmee Petrus God zou verheerlijken. Niet zomaar de dood die hij zou sterven, nee: de dood waarmee hij God zou verheerlijken.Zelfs dat kunnen we toepassen op wat er van onze ziel wordt gevraagd als wij God willen ontmoeten. Weliswaar geloven wij christenen niet dat wij in God oplossen of vernietigd worden. In die zin moet je ‘dood’ hier figuurlijk lezen, niet letterlijk. Maar dan kun je verder toch wel zeggen dat, als wij zo met God in harmonie beginnen te klinken dat er tussen Hem en ons geen onderscheid meer te ervaren valt, je dat toch wel een vorm van sterven kunt noemen.‘Om Hem te verheerlijken,’ schrijft Johannes. Dat is een ander woord voor beminnen, in dit geval. God beminnen met heel je hart, je verstand en al je krachten. Maar in Hem durven te verdwalen is wel het minste wat wij kunnen doen.Jan van Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver aller tijden, verwoordt het als volgt:“Hij moet zichzelf verloren hebben in een onmiddellijkheid en in een duisternis waarin alle schouwende mensen genietend verdwaald zijn. Zo dat hij zichzelf als schepsel nooit meer zou kunnen terugvinden. In de afgrond van die duisternissen, waarin de minnende ziel aan zichzelf gestorven is, daar begint de openbaring van God en het eeuwige leven.In die duisternissen schijnt en wordt geboren een onbegrijpelijk licht dat maakt dat je het eeuwig leven kunt zien. Dat licht is de Zoon van God.”En daarom versluieren wij in de laatste twee weken voor Pasen, het scharnier van de tijd, onze beelden. Niet zien. Niet weten. Niet hebben.Goed. Kunnen we dat zelf ook oefenen? Dat denk ik absoluut, en ook nog eens op een hele simpele manier. Begin in de laatste twee weken voor Pasen eens wat tijd vrij te maken om God simpelweg te laten zijn wie Hij is.Dat hoeft niet gelijk een uur te zijn: vijf of tien minuten is ook al wat. Neem in dat moment zoveel mogelijk afstand van je vertrouwde beeld van God. Ga niet voor een icoon of een kruisbeeld zitten. Gebruik niet de vertrouwde gebeden. Geen rozenkrans, geen Onze Vader, geen eer aan de Vader en geen Heilige Michaël verdedig ons in de strijd. Niks van dat alles. En ook niks anders, trouwens. Blijf gewoon in de leegte zitten wachten.Wat er nu waarschijnlijk zal gaan gebeuren is dat er een zwerm van beelden in je opkomt. Misschien van God, misschien ook wel gewoon van je dagelijkse leven, de taken die op je liggen te wachten, herinneringen die je misschien hebt. Duw die niet met geweld weg, maar houd ze ook niet vast. Ga er niet binnen.Keer je in plaats daarvan terug naar de leegte. Als je dat echt heel moeilijk vindt zou je kunnen overwegen eens actief te luisteren naar de stilte die op de achtergrond van waar je bent altijd wel ergens klinkt.Als het goed is zou je in de eerste tijd dat je dit zo doet een gemis moeten voelen. De grap is nu dat die pijnlijke afwezigheid stiekem helemaal niet de leegte is, maar je eigen gehechtheid aan de beelden die je nu aan het loslaten bent.Als je dit wat langer volhoudt is er een grote kans dat je de leegte die je voelt op een gegeven moment gaat ervaren als ruimte. Ruimte waarin van alles mogelijk is. Ruimte waarin je zalig zou kunnen verdwalen...Een bijkomend voordeel is dat het goed zou kunnen dat als met Pasen de beelden weer worden onthuld, ze voor jou zullen aanvoelen als nieuw en opnieuw inspirerend op een andere manier. Zo kan het afwisselen van verbeelding en ontbeelding een echte motor worden voor zowel je creativiteit als je spirituele leven.Ok, genoeg geleuterd. Ga en leef! This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
30
Is Stilte gevaarlijker dan Porno?
Porno is tegenwoordig overal en nergens aanwezig en bereikbaar, en taboes zijn er niet veel meer over. Laatst was iemand zo vriendelijk mij te confronteren met een afbeelding in Japanse tekenfilmstijl van iemand die zich aan alle *** Ik wist in eerste instantie letterlijk niet wat ik zag op dat plaatje. ‘Hou ik het wel rechtop?’ vroeg ik mij zelfs even af.Zoals mijn kat er automatisch kwijlend aan komt rennen als ik een blikje opentrek, ook al zitten er in feite geen sardientjes maar halve perziken in - zo schopt alleen al de simpele suggestie van gesop in een warm vochtig holletje bij mensen onmiddellijk de hormoonhuishouding in de knoop.Natuurlijk is dat effect niet oneindig. Stel dat ik de godganselijke dag blikken met perziken open zou staan te trekken. Stel dat ik alleen nog maar perzik uit blik zou vreten. Dan zou het snel voorbij zijn met de warme interesse van mijn kat. Als je maar vaak genoeg loopt te kwijlen zonder dat je daarna ook werkelijk een sardientje krijgt, is de lol eraf. Er zijn dan steeds sterkere suggesties nodig om de sappen te laten stromen.Over hoe dit bij mensen werkt is al zat geschreven en gezegd, het komt erop neer dat, als je maar genoeg op een rare manier loopt te zieken met je prikkel- en beloningssysteem, je je uiteindelijk zelfs niet meer bevredigd voelt als je écht dat sardientje krijgt. En dan wanhopig op zoek gaat naar steeds vreemdere, en vaak ook agressievere vormen van prikkeling.Zoals die octopus. Mensen die alleen nog opgewonden raken van volwassenen in luiers of transmannen met geblondeerd haar en een staart of oma’s met een onderbroek op de kop. Of zelfs alleen nog van boze en liefdeloze dingen. Super-specifieke prikkels. Oorverdovende stimulering van nou net dat ene specifieke puntje dat in jouw dierlijke zelf nou toevallig het meest gevoelig is.Stimulering die zelfs niet meer verwijst naar iets dat in de werkelijkheid bestaat en waarnaar je zou kunnen verlangen. Op dat moment is je seksualiteit letterlijk wezenloos geworden. Om de leegte te ontvluchten vlucht je juist de leegte in.Normaliter zou je als mens erop moeten kunnen vertrouwen dat de spirituele traditie die je van je voorouders hebt meegekregen de weg kan wijzen bij dit soort dilemma’s. Maar het christendom heeft de laatste vierhonderd jaar of zo op dit terrein een beetje mal gedaan.Om antwoorden te kunnen geven moet je immers vragen kunnen stellen. Moet het onderwerp bespreekbaar zijn. En dat was het een hele tijd niet, en op dit moment dreigt het wéér de verkeerde kant op te gaan.Aan de middeleeuwen ligt het niet, even voor de duidelijkheid. Ik zeg het maar even omdat de middeleeuwen vaak de schuld krijgen. ‘Middeleeuwse toestanden,’ zeggen we dan. Maar de middeleeuwen waren op dit punt eigenlijk best ontspannen. Toen werden er op het marktplein zonder enige vorm van gêne toneelstukjes opgevoerd die ‘boerden’ werden genoemd. In feite waren dat vieze moppen in theatervorm. Er waren wel eens pastoors die zich erover opwonden, maar meestal stonden ze er met de rest van het volk om te lachen. En dat terwijl er niet zelden priesters en nonnen in werden opgevoerd.Juist dat die stukjes grappig werden gevonden bewijst al wel dat er ook toen best spanning rond het onderwerp hing. Zonder enig taboe zijn vieze moppen namelijk gewoon niet lollig. Maar dat er wel gewoon - en in het openbaar - ruimte voor was bewijst wel dat die spanning ook kon worden gerelativeerd.Natuurlijk werd er ook toen grote waarde gehecht aan zuiverheid, maar er werd ook met een nuchtere blik naar gekeken. Als in de middeleeuwse traktaten die ik dagelijks onder ogen krijg over wordt gesproken is het helder wat het theoretische ideaal is. Seksualiteit hoort bij het huwelijk, bij het trouw zijn aan elkaar en definitief voor elkaar kiezen. Dat ideaal is heel hoogverheven en men doet geen water bij de wijn.Maar nergens krijg je de indruk dat men door een soort zuiverheidsdrift geobsedeerd is. Dat heel de morele waarde van een mens alleen daaraan wordt afgemeten. De mens moet in het algemeen zijn best doen zijn lagere vermogens, zijn drift en zijn verlangens, in toom te houden. En het seksuele verlangen is daarvan zeker een van de sterkste en ook vaak nogal onberekenbaar.Maar in de middeleeuwen kon men redelijk open en creatief over seksualiteit praten en schrijven, ook over de meer ongrijpbare en wilde kant ervan. Denk aan de cultuur van de hoofse liefde, een complete gefantaseerde werkelijkheid die draaide om buitenechtelijke verhoudingen tussen adellijke dromers en andermans vrouwen. Onze eigen Hadewijch zag er zelfs geen probleem in de taal daarvan te lenen om er haar verlangen naar God mee te beschrijven. Sowieso was erotische taal heel gebruikelijk om mystieke godsontmoetingen mee te beschrijven. En dan niet terughoudend of vaag - luister bijvoorbeeld eens naar sinte Mechtild van Maagdenburg:‘Hoe luider zij roept, hoe groter de wonderen die zij werkt door haar macht. Hoe meer zijn lust toeneemt, hoe mooier haar bruiloft wordt. Hoe smaller het bed, hoe inniger de omhelzing.’ Ze heeft het over God en de ziel, even voor de helderheid.Als je dat zo leest snap je niet hoe er ooit een cultuur heeft kunnen ontstaan van het obsessief verkrampen bij alles wat met seks te maken heeft. Toch vlamt die neiging al sinds de late oudheid af en toe in de Kerk op.De Bijbel is er niet echt schuldig aan. Die roept wel af en toe dat je geen ontucht moet bedrijven, maar niet op een manier die de indruk wekt dat er verder niks bestaat op de wereld. Het probleem begon bij hoe een paar belangrijke kerkvaders het gedachtengoed van de heidense stoïcijnen in de christelijke theologie verwerkten.De stoïcijnse filosofie leerde dat er in heel de natuur een logica, de Logos, zit die bij hen een normatieve, eigenlijk goddelijke status heeft. Die Logos zaait zich uit in de werkelijkheid zodat alles op aarde een welbepaalde telos, een bedoeling heeft. Ook de mens heeft zo’n logos spermatikos, een zaadje van de rede. Dat is voor de stoïcijnen zelfs zijn meest wezenlijke zelf. Maar ook elk orgaan en elke handeling heeft een welbepaald doel. Dat doel kun je door logisch nadenken en zorgvuldige observatie ontdekken, en vanaf dan heb je ook de heilige plicht dat doel na te streven. Een goed moreel leven is, volgens de stoïcijnen, een leven kata logon, volgens de logos.Wie van bijvoorbeeld zijn geslachtsorganen de bedoelingen heeft beredeneerd - namelijk voorplanting - en die dan toch gebruikt met een ander doel dan waarvoor ze zijn - bijvoorbeeld om er plezier mee te beleven - handelt tegen de logos.Deze voorchristelijke filosofie werd in de christelijke theologie met nog een paar andere gecombineerd en daarna gecanoniseerd, heilig. Een combinatie van deze stoïcijnse logos en de iets andere invulling van datzelfde begrip door de neoplatonisten werd in de Kerk zelfs uiteindelijk gebruikt om de tweede Persoon van de Drievuldigheid beter mee te kunnen begrijpen. Jezus zelf, dus. Denk maar aan de beroemde proloog van het Evangelie van Johannes waar elke Mis mee wordt afgesloten: καὶ ὁ λόγος σὰρξ ἐγένετο, en het woord is vlees geworden. Jezus zelf was de goddelijke Logica die alles in de schepping zijn vorm en doel had gegeven.Dat klinkt heel veelbelovend - en in de mystieke traditie werkt het ook prachtig uit, zoals Mechtild en Hadewijch laten zien. Maar er schuilt ook een gevaar in: de stoïcijnse doelmatigheidslogica kon seksualiteit reduceren tot louter voorplanting, en elke andere betekenis ervan wegsnijden. En precies dat is wat er in de loop van de eeuwen is gebeurd - met bovendien de paradoxale bijwerking dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd. Maar laat ik die draad even vasthouden en eerst de historische lijn afmaken.Iemand die in dit proces een hoofdrol speelde was de heilige Augustinus. Die had een uiterst moeizame persoonlijke verhouding met seks en dat is af en toe goed te merken aan zijn werk. Dat werk is in het westerse christendom absurd invloedrijk geweest op werkelijk alle theologische terreinen. Til een in de kerk een tegel op en er wriggelen geen pissebedden onder maar ideeën van Augustinus. Soms ten goede, hoor, maar niet altijd.Hij zag de menselijke begeerte als kern van de erfzonde, dus van de slechtheid van de mens. Nou was begeerte wel breder dan alleen seksuele lust, maar daar lag toch wel het accent op, ook al omdat Augustinus daar zelf enorm mee worstelde.Veel extremer nog was de heilige Hiëronymus, die trouwens sowieso het moeilijkste karakter van de hele oudheid had. Zijn traktaat tegen de monnik Jovianus is berucht. Jovianus beweerde dat het huwelijk en de maagdelijke staat gelijkwaardig waren. Dat paste Hiëronymus niet, en hij reageerde, zoals vaak, weer eens hysterisch. Hij pompte in zijn pamflet de maagdelijkheid enorm op ten koste van het huwelijk. Trouwen was alleen voor sukkels die hun lusten niet konden beheersen. Maar zelfs binnen het huwelijk vond Hiëronymus seks in feite nog zondig, in ieder geval goede seks. Zelfs als je je eigen man of vrouw hartstochtelijk beminde pleegde je volgens hem al overspel. Dat was zelfs Augustinus veel te gortig. Hij nam er uitdrukkelijk afstand van.De oorzaak van dit alles zal ook in Hiëronymus’ geval wel persoonlijke frustratie geweest zijn: hij schreef in een van zijn brieven dat hij voortdurend werd overvallen door beelden van aantrekkelijke jonge meisjes.Nou roepen veel mensen dat dit soort onvolwassen gezeur altijd al de boventoon heeft gevoerd in het denken van de Kerk over seks. Ik hoop dat ik al voldoende duidelijk heb gemaakt met wat ik over de middeleeuwen heb gezegd dat dat flauwekul is. Het was meer zoiets als een van die virussen waar je niet meer afkomt, maar die alleen van tijd tot tijd opvlammen en symptomen veroorzaken. Herpes of zo, om maar even in de sfeer te blijven.Nou komen we op dit moment wel net uit één van die uitbraakperioden, en die heeft lang geduurd en dus ook, toen ze eenmaal voorbij was, een hele heftige reactie uitgelokt. Geen wonder dat de mensen het christendom op dit punt niet meer serieus nemen.Hoe kon dit zo gebeuren? Na de hoogste bloei van de mystiek, in de veertiende eeuw, ontstond er een wat chagrijnige beweging die de ‘moderne devotie’ werd genoemd. Bij het nadenken over het geestelijke leven verschoof het accent van de extatische liefde voor God naar deugdzame en vooral ook boetvaardige bravigheid.Even later werd West-Europa getroffen door de op een na grootste ramp die ooit op theologisch terrein is vertoond: de reformatie. Die beweerde alleen de Bijbel nog serieus te nemen als bron over de kennis van God: sola scriptura. Maar dat was in de praktijk niet waar. Dat kon ook helemaal niet, want de Bijbel is te onsamenhangend om een sluitend religieus verhaal op te baseren. In feite was het niet de Heilige Schrift, maar een deel van de theologie van Augustinus die door de protestanten werd verabsoluteerd, en dan ook nog eens in het bijzonder de pessimistische Augustinus van zijn laatste jaren. De mens was na de zondeval alleen nog maar slecht. Zijn wil was niet alleen maar verzwakt, maar geketend en volkomen hulpeloos. Alleen Gods genade kan nog redden, maar die zal in de praktijk zuinig zijn. De massa van de mensen is verdoemd, en daarvoor heeft God ze ook vanaf het begin geschapen. Alleen zo kan aan zijn beledigde majesteit recht worden gedaan. Heel gezellig, allemaal.Theoretisch beoordeelden de protestanten seksualiteit dan wel weer iets positiever dan de katholieke traditie altijd had gedaan. In ieder geval kenden zij geen celibataire geestelijken, omdat levenslange maagdelijkheid als offer bij hen geen betekenis had. Toch ontwikkelde zich juist bij hen de mentaliteit die we tegenwoordig met een ongezonde christelijke moraal associëren: een soort kleurloze anti-creativiteit waarin elke vorm van plezier verboden is.Ondanks dat zij geen deel meer uitmaakten van de Kerk kregen de protestanten toch al snel een grote invloed op het katholicisme, al was het maar door de reactie van de katholieken op de reformatie, de contrareformatie. Er ontstond tussen de protestanten en de katholieken een wedstrijdje in wie het meest deugdzaam was. Natuurlijk waren de katholieken sowieso veel te slordig om dat gevecht te winnen, maar ze probeerden het toch. Het resultaat daarvan was eerder treurig.Omdat de reformatie mede was uitgebroken door het ongeloofwaardige gedrag van de katholieke geestelijken - onder andere op het gebied van de seksualiteit - werden die in het vervolg extra grondig gedrild. Daarvoor werd een geheel nieuw type instituut uitgevonden: het grootseminarie. Daar werd voortaan intensief aan seksuele vorming gedaan. Dat gebeurde aan de hand van biechtvadersreglementen waarin en detail stond uitgespeld wat er op seksueel terrein zoal verkeerd kon gaan, en wat daar de consequentie van moest zijn.De Franse filosoof Michel Foucault heeft in 1976 uitgebreid over die cultuur geschreven in het eerste deel van zijn seksualiteitsgeschiedenis, ‘La volonté de savoir.’ Hij signaleert daarin, terecht denk ik, dat men nogal eens verzandde in het produceren van seksuele fascinatie in naam van het bestrijden ervan. Om zonden te kunnen beoordelen moesten ze eerst worden omschreven en dat leidde al snel tot een steeds fijmazigere taxonomie van seksuele handelingen. Met een mate van detail die in elke andere context als obsceen beschouwd zou worden, kunnen we wel stellen.Om greep te krijgen op het fenomeen ging men uitgebreid beschrijven, classificeren en bevragen wat er zoal tussen opgewonden mensen mogelijk was. Dat op die manier een obsessieve overaccentuering van al het seksuele werd veroorzaakt werd duidelijk over het hoofd gezien. Ook omdat die boeken in de praktijk ook nog eens functioneerden in huizen vol opgeschoten knapen op de piek van hun hormonale driften. Ik geef het je te doen om affectief volwassen te worden als je op negentienjarige leeftijd toch al vol stuwende sappen zit en dan ook nog met de regelmaat van de klok idiote juridische puzzeltjes over seks op moet lossen.Nou is Foucault trouwens niet de meest objectieve wetenschapper als het om het beoordelen van de katholieke Kerk gaat, maar ik denk dat hij in dit geval de spijker op zijn kop slaat. Zelf heb ik het dieptepunt van dit alles niet meer meegemaakt, maar het residu ervan is nog altijd niet opgeruimd. En komen we daar überhaupt wel aan toe?Want het overdreven liberalisme van de tweede helft van de twintigste eeuw - dat van het gefantaseer over seks met octopussen en gummi konijnen - is alweer bezig een reactie bij de volgende generatie op te roepen. Dat is prima als dat leidt tot het weer serieus nemen van seks als een tedere en kostbare vorm van communicatie tussen mensen die elkaar en het wonder van het leven en de schepping vieren. Maar niet als het ons met een U-turn terugbrengt naar de griezelige biechtvadershandboeken.Als ik zeg dat stilte gevaarlijker is dan porno bedoel ik dat in meer dan één betekenis. Wat er in feite misgegaan is bij de kerkelijke omgang met seksualiteit, is dat die tegelijk gedemystificeerd én onbespreekbaar gemaakt is. Een Paradox met een vette hoofdletter ‘P.’Gedemystificeerd, daar begin ik even mee. Zoals ik daarnet al heb uitgelegd toen ik het had over het stoïcijnse gedachtengoed in de Kerk werd daar tot voor kort over seksualiteit gesproken als louter en alleen voor de voorplanting bestemd. Alles wat er verder aan gevoel bijkwam werd als onnodig en zelfs gevaarlijk gedoe beschouwd. Tijdens de laatmiddeleeuwse scholastiek, die toch al extreem droog-technisch tegen de werkelijkheid aankeek, was dat nog eens verabsoluteerd, en de negentiende-eeuwse neoscholastiek verabsoluteerde de verabsolutering nog eens.Men was duidelijk even vergeten dat oprechte tederheid tussen mensen een intense vorm van communicatie is. Je drukt je uit als persoon en schenkt je tegelijk in vol vertrouwen aan een ander en nodigt die ander uit zich ook weer vol vertrouwen aan jou te geven. ‘Bij mij mag je je grenzen laten vallen en zonder enige reserve jezelf zijn’ zeg je tegen elkaar.Die houding is trouwens prima te verenigen met het kerkelijke denken, stoïcijnse regeltjes en al. Als mensen gemeenschap met elkaar hebben zoals het bedoeld is, is dat een diep spiritueel gebeuren dat vol is van het mysterie van het bestaan, dus van Gods creatieve vermogen dat wij gewend zijn ‘het Woord’ te noemen. Het Woord dat alles zijn essentie, zijn vorm geeft. Geen wonder dat er nieuw leven uit opspringt.Het is juist de schoonheid en de eerlijkheid hiervan die ons hier tot voorzichtigheid dwingt, niet duisternis of onreinheid of zoiets. Probeer je die schoonheid los te maken van de waarheid die erbij hoort - die te consumeren - dan ontstaat er geen zwijgen, maar trauma. Misverstand. Leugen. Vertwijfeling.Dat is toch een ander soort gevaar dan het gebruiken van een technische handeling voor iets waarvoor die oorspronkelijk niet bedoeld was. Dat klinkt meer als een ongeoorloofd gebruik dat de fabrieksgarantie laat vervallen of zoiets. En zelfs als dat in de strengste bewoordingen wordt gecommuniceerd is dat toch nét een minder hoge drempel dan het schenden van het mysterie van het leven zelf.Natuurlijk weet iedereen dat geen enkele seksuele relatie samenvalt met de hoogverheven idealen van mystieke traktaten, laat staan voortdurend en elke keer. Zoals alles hier op aarde is het soms een armzalig ploeteren. Maar om er nou zonder enige warmte over te spreken als over een biologische kopieermethode is weer wat anders. En als de Kerk dat dan ook consequent doet - seks zakelijk maken, van de boom een juridische handeling - moet ze niet raar opkijken als de mensen ook de vrucht als zodanig gaan beschouwen. Ook het probleem van het seksuele misbruik in de Kerk kan onmogelijk los worden gezien van de idiote handboekentheologie op dit terrein.Tot zover de demystificatie: het verwijderen van God uit de seksualiteit door de Kerk zelf.Maar hoe laat zich dat rijmen met dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd?Je zou denken dat als seks geen ontzagwekkende heilige betekenis meer had, er dan verder ook nuchter over gesproken zou moeten kunnen worden. Maar in plaats daarvan kregen we preutsheid in plaats van zuiverheid.Als seks een transactie is zouden de ondeugende toneelstukjes op het marktplein en erotisch getinte mystieke teksten uit de middeleeuwen geen enkel probleem meer mogen zijn, toch? Maar in plaats daarvan werd seks vanaf de zeventiende eeuw steeds griezeliger gemaakt tot uiteindelijk in de negentiende zelfs blote enkels al een schandaal waren.De vertalingen van diezelfde biechtvadershandboeken waar ik het al over had beschrijven de meest vreselijke misdaden, moord en doodslag, gewoon in het Nederlands. Maar zodra ze aan de onkuisheid toe zijn schakelen ze plotseling op het oorspronkelijke Latijn over.Nou is het in de wereld van de spiritualiteit zo, dat het goddelijke altijd wordt verborgen. Ergens een gordijn voorhangen of iets achter een muur verbergen betekent dat het uiterst heilig is. Eén van de redenen dat bijvoorbeeld de moderne westerse liturgie zo slecht functioneert is dat ze veel te bloot is, met haar keukentafelaltaren en platte volkstaalmissalen. Ze toont wat verborgen hoort te zijn.In het geval van seksualiteit is er dan ook sprake van heel tegenstrijdige communicatie.Aan de ene kant is seksualiteit schijnbaar een louter doelmatige handeling om je voort te planten, aan de andere kant wordt het met een symbolisch onbespreekbaarheid beladen die loodzwaar is. Die dus juist aangeeft dat het om een uiterst onaantastbare zaak gaat.Seks is dus zo een vorm van communicatie geworden die zichzelf voortdurend tegenspreekt. Een stereo signaal met een fasenprobleem, waarbij de golven van de rechterbox die van de linker precies opheffen. Met als resultaat stilte. Geen ontspannen stilte, maar een onhoorbaar geschreeuw.Die situatie heeft overal en nergens onbeschrijfelijk leed veroorzaakt en ook nog eens onze hele geestelijke traditie van haar morele geloofwaardigheid beroofd. Daarom pleit ik ervoor te voorkomen dat deze domme houding zo blijft of zelfs nog sterker terugkeert.Stilte is gevaarlijker dan porno, heb ik dit filmpje genoemd. Een titel met een heel bewust dubbele bodem.Want het woordje ‘gevaarlijk’ is niet altijd zo eenduidig. Juist het meest heilige is immers bij uitstek ook het meest gevaarlijke, in de zin van dat er onvoorstelbare mogelijkheden in liggen opgesloten. Als we iets ongevaarlijk noemen, is dat lang niet altijd een compliment. Saai, bedoelen we dan ook, vaak.De overdaad aan seksuele prikkels waar we de afgelopen zestig jaar mee geleefd hebben kan ons verslaven en onze verwondering verdoven. In die zin is porno gevaarlijk, in negatieve zin. Maar het verzwijgen en verkrampen van seksualiteit is nog veel gevaarlijker. Want die kan ons eindeloos onzeker maken, obsederen en het ons onmogelijk maken emotioneel volwassen mensen te worden. In die zin is stilte nog gevaarlijker dan porno, in negatieve zin.Want porno is zo plat dat ze niet lang en niet écht kan boeien. Daarom heb je er ook steeds extremere vormen van nodig als je je eraan overgeeft. Het ontbreekt haar aan werkelijke ‘lading.’ Aan Logos. Ze heeft geen grond, geen echte inhoud. Ze is onheilig, en in de diepere zin van dat woord dus in feite ‘ongevaarlijk.’Gevaarlijk, in positieve zin, in de zin van werkelijk fascinerend, is dan weer het woordeloze spreken van mensen die echt van elkaar houden. Zo machtig dat je er niet anders dan de grootste eerbied voor kunt hebben. Al was het maar omdat dat letterlijk je eigen oorsprong is.En in al die betekenissen is stilte dus gevaarlijker dan porno. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
29
VOEL!
Deze aflevering krijgen jullie allemaal van mij cadeau. Mocht je de rest ook willen zien, steun dan mijn werk en neem een betaald abonnementje. Dan krijg je er de komende maanden nog vier bij en kan je ook de oudere terugvinden. Verder maandelijks een mystieke tekst met online bespreking en de wekelijkse homilie. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
28
Christus op de Koude Steen
In elk fatsoenlijk katholiek huishouden zijn er een paar van die heiligenbeelden die veel meer zijn dan decoratie. Ze omlijsten lief en leed in het huis, en zwijgen wel maar drukken er toch hun stempel op. Sowieso zeggen ze alles over de religieuze mentaliteit van degene die ze heeft uitgekozen. Of bij wie ze aan zijn komen waaien. Ze worden niet, zoals andere soms wel, weggegeven of omgewisseld met andere aan de hand van geestelijke luimen en modes.Ook hier in de kluis zijn er een paar van die. Ik ben weliswaar nogal van het weggeven van heiligen, maar deze mogen pas weg als ik zelf ook word uitgedragen. Ze zijn zoiets als vaste schietgebeden in plaatjesvorm, die elke keer dat ze bewust worden waargenomen hun geuren verspreiden.Eén ervan noemen we hier Christus op de koude steen. Hij zit op een houten piëdestalletje tegen de muur boven de trap naar de keuken. Ik heb hem nog niet eens zo lang, een jaar of acht. Hij was eigenlijk een miskoop bij de laatste verbouwing van het hoogaltaar in de kerk.Het is geen museumstuk. Dat is fijn, want ik doe niet aan museumstukken. Het bewaren en bewaken daarvan is me te veel gedoe. Deze Christus zal wel eens een keer in de tweede helft van de achttiende eeuw of zo ergens in Beieren of Tirol gesneden zijn. Karakter heeft hij zonder meer, maar een klassieke schoonheid is hij zeker niet. Daarbij is hij sinds hij gemaakt werd wel een keer of drie opnieuw opgeverfd in frisse kleuren, waarschijnlijk tijdens de voorjaarsschoonmaken van 1820, 1860 en 1890 of iets in die richting. De laatste keer is dat trouwens met erg veel liefde en vakmanschap gedaan, daar niet van.Wat we zien is Jezus die, vlak vóór zijn lijden, heel even genegeerd wordt. Zijn beulen zijn bezig het kruis te halen of de weg vrij te maken of misschien gewoon een boterham aan het eten. In ieder geval is Jezus alleen, en schijnbaar totaal onbereikbaar voor de buitenwereld. Zijn ogen zijn wel open, maar zien niets.Hij ziet niets, maar wij zien Hém wel. Wij zien Hem zelfs dubbel. Want wij kunnen naar dit beeldje kijken door twee totaal verschillende brillen, die beide een totaal ander tafereel laten zien.De eerste bril is laat-middeleeuws en is van typisch Nederlandse makelij. Die toont ons ‘Christus op de koude steen,’ zoals ik al zei. We zien Jezus van God en mens verlaten. Zelfs de aarde die Hem draagt, de steen waarop Hij zit, is koud en onverschillig. Er is voor Hem geen enkel mededogen, geen enkele emotionele toevlucht meer. Hoewel Hij omgeven is door mensen en vooral door menselijke agressie en lawaai is Hij zo alleen als een mens maar zijn kan. Volledig op zichzelf teruggeworpen is Hij helemaal offer geworden. Een offer is iets dat wordt opgegeven en losgelaten om iets anders - dat duidelijk van grotere waarde is - te redden of te krijgen. Hij is de zondebok, afschuwelijk geworden omdat Hij alles wat slecht en schuldig is aan de mensheid op zijn schouders draagt. Hij is de enige onschuldige in het tafereel, ja zelfs op aarde. Toch stelt Hij hier en nu het kwaad tegenwoordig dat zo meteen de woestijn van de dood zal worden ingejaagd om te verdwijnen en op te lossen en los te laten en vergeten te worden.‘Hij die bestond in goddelijke majesteitheeft zich niet willen vastklampenaan de gelijkheid met God.Hij heeft zichzelf ontledigden het bestaan van een slaaf aangenomen.Hij is aan de mensen gelijk gewordenen als mens verschenen heeft Hij zich vernederd.Hij werd gehoorzaam tot de dood,tot de dood aan het kruis.’Wij noemen die totale zelfgave van Jezus in zijn lijden van oudsher ‘ontlediging,’ een werkwoord dat eigenlijk alleen maar voor Hem, en alleen voor Hem in die specifieke toestand gebruikt wordt. In het Grieks staat er ἐκένωσεν, Hij maakt zichzelf leeg. Zo mogen we dus ook die blik hier interpreteren: leeg. Hij ziet niets omdat Hij letterlijk een lege blik heeft. Hij is hier gekomen om op te lossen en te vervliegen. Geen zelf meer te zijn.Heel indrukwekkend, allemaal, maar eigenlijk totaal ongeschikt om op een piëdestalletje boven een keukentrap te staan. Misschien goed voor een lijdensmeditatie in de Kerk tijdens de vasten, maar niet voor tien keer per dag letterlijk tussen de soep en de aardappelen.Toch staat ie prima waar ie staat. Er is namelijk ook een andere blik door een heel andere bril mogelijk, en in feite is dat hier de enige juiste. Want mijn ‘Christus op de Koude Steen’ is stiekem helemaal geen Christus op de koude steen, maar een ‘Christus in der Rast.’ Hij is niet middeleeuws, maar barok, en niet Nederlands, maar Beiers.Ogenschijnlijk zien we precies dezelfde scène. De beulen zitten nog steeds achter hun boterhammen en Jezus gaat nog steeds hetzelfde, afschuwelijk lot tegemoet. Maar in plaats van de totale verlatenheid kijken we hier naar een verborgen hemel. Jezus’ blik is niet leeg, maar alleen naar binnen gekeerd. Naar binnen waar Hij in vrede is, in rust. ‘In der Rast,’ zegt de Duitse titel niet voor niets. Terwijl zijn kwellers heel even met andere dingen bezig zijn laaft Jezus zich aan dezelfde warme liefde die Hij nou eenmaal is, en die Hem ook in staat stelt dat groteske offer te brengen.Wat daar boven de keukentrap door dat onnozele boerenbeeldje tegenwoordig wordt gesteld is niet de berusting op de rand van de wanhoop, maar de rust van de liefde zelf, die diep van binnen gloeit en verwarmt. Elke keer als ik er langs loop word ik eraan herinnerd dat - ook al staat de wereld in brand en is het bestaan elke minuut van je leven onzeker en onveilig - Gods koesterende aanwezigheid beschikbaar is. Ook in mijn eigen diepste wezenskern.Ik ben immers mens, en dus naar Christus’ beeld geschapen. Zo vluchtig, breekbaar, zwak en veranderlijk als ik ben draait heel mijn wezen om een innerlijke scharnier die onbeweeglijk en onveranderlijk en onbreekbaar is. Die ik voortdurend uit Gods eigen scheppende plezier ontvang als een levensvonk die niet te doven is, wat er verder ook mag gebeuren. Niet voor niets hebben de kartuizers - die hun hele leven aan het innerlijk leven wijden - als motto: ‘Stat Crux dum volvitur mundi,’ vrij vertaald: het kruis staat terwijl de wereld draait. Juist zij die de blik, net als mijn beeldje, naar binnen richten worden zich duidelijk bij uitstek bewust van dit wonderlijke geheim. Dat verbergt zich in iedere mensenziel en iedere mensenziel kan daar toevlucht vinden als het lichaam dat zij bezielt op een koude steen wordt gezet.Maar het is wel het kruis dat staat terwijl de wereld draait. Want aan de barokke Beierse warme rust gaat de Hollandse koude steen vooraf. De reden dat Christus’ tederheid voor mij aanwezig is, is omdat Hij zich aan mij aanbiedt. Offert. Opgeeft. En Hij moedigt ons aan Hem daarin ook na te volgen.“Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mij, die zal het vinden.”Dat klinkt als een streng woord, maar betekent niks anders dan de oproep trouw te blijven. Stand te houden boven de keukentrap, tussen de soep en de aardappelen, en daar warmte uit te stralen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
27
Preek eerste Zondag van de Vasten
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
26
Vasten? Waarom in vredesnaam?
Wat heeft vasten nou voor nut? Ik heb het even over geestelijk nut, niet over afvallen of cholesterolverlaging of zo. Wat moet je met dat vasten? Juist in geestelijk opzicht? Want bijna alle religieuze tradities komen ermee, maar als je er echt over nadenkt slaat het eigenlijk nergens op.Veel mensen zien vasten als een vorm van boete doen. Dat is ook heel klassiek Bijbels. Het meest beroemd is het voorbeeld van de profeet Jona (inderdaad, die van die walvis). Die moet van God naar de enorme stad Ninevé om luidkeels te verkondigen dat alles en iedereen daar zal worden vernietigd als straf voor de zonde en de ongerechtigheid. De koning van Ninevé luistert zowaar naar Jona en bekeert zich met heel zijn volk. En hij toont dat door te vasten. Hij scheurt zijn kleren en verordonneert dat niemand nog wat mag eten of drinken, tot en met de dieren. En God is daar duidelijk van onder de indruk, want Hij trekt zijn straffen in en laat de Ninevieten in leven.Wij kennen deze historie te goed om er nog erg diep over na te denken, laat staan ons erover te verbazen, maar is het in feite geen krankzinnig primitief verhaaltje? Want wat heeft God aan de rammelende magen van de bewoners van Ninevé? Voedt Hij zich soms met wat zíj zich uit de mond sparen? Ik dacht het niet. Warmt Hij zich aan de liefde en de eerbied die zij Hem betonen? Nee, want ze houden niet van Hem, ze zijn alleen maar bang voor Hem. Geniet zijn sadistische kant dan van hun vernedering? Kietelt het Hem, dat zij uit angst voor zijn straffen door de knieën gaan? Ik hoop het niet! Wordt het onrecht dat zij hadden begaan dan soms goed gemaakt door hun vasten? Misschien als zij uitdelen wat zij door hun vasten hebben bespaard, maar daarvan wordt nergens in het boek met ook maar een woord gerept. Eigenlijk komen noch de Ninevieten, noch God zelf erg sympathiek uit de verf in het boek Jona. God is een autoritaire verschrikking en Ninevé een stad vol huichelaars zonder ruggengraat.Elders in het Oude Testament wordt dat beeld wel wat gecorrigeerd. Daar klaagt God het onoprechte vasten aan. ‘Jullie vasten terwijl je nog steeds anderen uitzuigt en bedreigt,’ laat Hij de profeet Jesaja verkondigen. Dat is niet het vasten dat Hij wil zien. Wat Hij in plaats daarvan wil is: ‘boeien van onrecht losmaken, verdrukten vrijlaten, hongerigen brood geven.’ Inderdaad nobele dingen, maar niet wat wij van oudsher met vasten associëren.“Keert tot mij terug met heel uw hart, met vasten, geween en rouwklacht,” lezen we dan weer bij de profeet Joël. Daar draait het erom je om te draaien, met andere woorden. Je stond met je rug naar God, van Hem af. Nu keer je je weer om, naar Hem toe, en stel je je weer open voor Hem. Dat is zinnig en prachtig, natuurlijk. Maar waarom wil Hij daarbij toch ook weer dat vasten? Ik kan me toch ook naar Hem toewenden, mij door Hem laten beschijnen en verwarmen en mij ondertussen gewoon lekker volstoppen met pudding en worstenbroodjes?Of is het soms zo dat alles wat het leven aangenaam maakt of zelfs maar verzacht ons van God verwijdert? Hem beledigt? In verbazend veel religieuze tradities lijkt er zoiets aan de hand te zijn. Misschien wel omdat in de schepping ingebakken zit dat hoe lekkerder iets is, hoe gevaarlijker voor je levensgeluk. Boter, zout en suiker, alcohol en tabak, en zo kan ik nog wel even verder gaan. Allemaal dingen waar we geen genoeg van kunnen krijgen, maar die ons lichaam slopen als we ons er ongeremd aan overgeven. De vluchtigheid van losgebroken seksualiteit die zoveel van ons parten speelt in het leven. Eer, roem en prestige, die je alles van waarde in je leven ondersteboven kunnen laten lopen als je er al te verbeten naar op zoek bent. En mocht je ze te pakken krijgen, dan verliezen ze op datzelfde moment hun fascinerende aantrekkingskracht. Het enige esthetische geluk dat gratis is, is de schoonheid zelf. Dat ene moment dat de zon de rozengeur uit de appelbloesems kietelt. Of dat de hemel aan het kantklossen is geslagen met windveren en vliegtuigsporen. Tot je beseft dat dat alles je met je hoofd in de wolken laat lopen. Laat verdwalen in vage wensdromen die nooit ook maar iets van vervulling zullen krijgen. Zelfs het terugvinden van de heerlijke momenten die je al hebt beleefd is onmogelijker dan een fietstochtje naar Uranus. Zo veranderen ook die vanzelf weer van zegeningen in straffen.Is alle schoonheid en troost op deze wereld vals? Waarom heeft de goede God er dan zo zijn best op gedaan? Of was dat ook alweer gewoon om ons te verleiden en te vernederen? Ons een worst voor te houden en ons dan een mep te verkopen zodra we zouden toehappen? Wat moeten wij met vasten? Lijden zelfs de gelukkigsten onder ons niet al genoeg aan het leven om er dan ook nog weer lijden aan toe te moeten voegen?Pluk de dag, zeg ik! Vreet de tijd die je gegeven is. Pers elk uurtje uit en zuig elke seconde helemaal leeg totdat je elk sprankje warmte en vreugde door je wezen voelt klotsen.Alleen is dat in de praktijk nou juist een feilloos recept voor een wel héél onbevredigend leven. Als je je bestaan echt gróndig wil verknallen is dát de methode. Eigenlijk werkt het alleen als je het per ongeluk doet. Als je van jezelf al zo ruimhartig en onbekrompen in elkaar steekt dat je het geluk niet alleen aantrekt maar ook zonder er bij na te denken om je heen strooit. We hebben een paar heiligen op de kalender staan die zo in elkaar zaten. Ze nadoen gaat niet. Dingen expres per ongeluk doen is nou eenmaal buitengewoon ingewikkeld.In de praktijk zul je met deze tactiek waarschijnlijk veranderen in het diametrale tegendeel van zo iemand. Een lopend vacuüm dat alle vreugde om zich heen wegzuigt zonder er zelf ook maar een sprankje van te voelen.Toch denk ik niet dat de goede God ons de schoonheid en het genot als valkuilen heeft geschapen. Er is maar één bevredigend antwoord op dit rare mysterie: de schepping is kapot en doet niet meer wat ze hoort te doen, in ieder geval niet meer helemaal. En dat is ook precies wat onze traditie ons leert.De mensen in het heerlijke paradijs die ondankbaar waren zijn natuurlijk niet onze voorouders uit de tijd voor alle tijden. Wij zijn dat gewoon zelf. In die zin is er niks geërfds aan de erfzonde. Wij zijn niet het bokje omdat onze meest achterende en vooral ook achterlijke achter-opa niet met zijn poten van het fruit van de baas af kon blijven. Nee. Wij boeten voor ons eigen plukken in plaats van ons laten voeren. Voor het zelf willen doen en zelf willen weten.Maar wij zien niet wat wij denken te zien, weten niet wat wij denken te weten en verlangen niet wat wij denken te verlangen. En zo trekt in alles wat wij willen grijpen en begrijpen onmiddellijk een barst.Vasten is een stap terug doen. Om weer te leren wat ik wil in plaats van waar ik zin in heb. Om te leren respecteren, het oordeel op te schorten, te laten bloeien in plaats van te consumeren. Belangeloos te bewonderen en dankbaar te zijn.En natuurlijk begint dat ermee dat je je lichaam, dat verwend is, weer onder controle probeert te krijgen. En natuurlijk wordt dat een komedie zonder einde, want je laat je er al je hele leven door koeioneren. Dat verander je niet met een wils-act op één vroom momentje.En dan je verslaving aan overal een mening over te hebben en die ook te spuien. Je verslaving aan je opgeblazen zelfbeeld of juist aan je masochistische zelfvertrapping. Je behoefte aan bevestiging en de manier waarop je geniet als je iemand lik op stuk geeft. Je zwelgen in de drama’s van je tragische bestaan en je surfen op de schuimkoppen van je succesjes. Heel dat gezeur brengt uiteindelijk niks maar is ook verdomd moeilijk gewoon even dóód te slaan.Maar het tóch proberen, ook al is het maar zes schamele weekjes per jaar, toont je je hulpeloosheid. Je kleinheid. De toevalligheid van je bestaan. Het simpele feit dat je niet beter bent dan wie dan ook maar. De wonderlijke niksigheid van wat je vermag tegen wat je haat. En erger: de niksigheid van wat je vermag vóór wie je liefhebt.Alle verdoving even het zwijgen opleggen, dat is waar vasten over gaat. Ook omploegen en overhoophalen wat je liever ongezien laat rusten is waar vasten over gaat.En zo je rouwe bewustzijn even laten zijn wie ze is, en haar ook echt even herkennen en erkennen. Onbedekt, onbedwelmd.Haar hart is een tuin omgrensd met vier stromen: Pison, Gichon, Eufraat en Tigris. Midden in haar groeit een boom waaraan een vrucht hangt die precies laat zien wat er mis is met de schepping. Hij hangt niet aan een steeltje, maar is door een onvoorstelbare sadist met ijzeren nagels aan de boom gespijkerd. Hij is tot pulp geslagen en uitgeperst, doorstoken en met doornen gekroond. Over niet al te lange tijd is Hij rijp en valt Hij op de grond.Als die grond hard en droog is gebeurt er verder niks. Maar als Hij in nederige, goed geploegde aarde valt schiet Hij op en breekt in bloemen uit en wordt een boom waarin de vogels nestelen en maakt alles nieuw.Welnu: dat ploegen van die aarde noemen wij vasten. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
25
Alleen de liefde is waar
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
24
Klets ik uit mijn nek?
Ben ik, met al mijn geleuter over de ziel en God, eigenlijk geen ordinaire flessentrekker? Hoe kan je eigenlijk weten dat ook maar iets van wat ik zeg ook maar enige basis in de werkelijkheid heeft? Is er eigenlijk wel enig verschil tussen een baardige kluizenaar op een stapel middeleeuwse geschriften en een madam op de kermis met een kristallen bol?Ik ben hier het laatste half jaar of zo een lekker potje aan het orakelen. Meestal ging het over mystieke theologie, over de directe ervaring van het Heilige door jouw eigen ziel. Maar hoe kom ik eigenlijk aan al die wijsheid? Want nogal eens zit ik met een air van zekerheid dingen te verkondigen die geen mens kan meten of bewijzen.Ik krijg dan ook best vaak opmerkingen in de trant van: ‘waar haal je het vandaan? Waar baseer je je op? Is dat geen mysterie waar je maar beter je mond over dicht kan houden?’ En, het verbaast je misschien, maar dat vind ik heel terechte vragen.Hoeveel bodem, hoeveel fundament zit er nou onder dit hele vakgebied? Waar drijven al die metafysische speculaties op, de boude beweringen over wie en wat de Grond onder de werkelijkheid is, hoe de ziel in elkaar steekt, en waar zij voor bedoeld is en waarvoor niet?Het klinkt allemaal rationeel en doordacht genoeg, maar presenteer ik hier niet stiekem een zwerm van rekensommetjes die geen serieus beginpunt hebben? Waarvan de premissen maar zo’n beetje uit een sprookjesboek zijn getrokken?Als jij een van die mensen bent die alleen het fysiek meetbare serieus kunt nemen, dan houdt het inderdaad al gelijk daar op. ‘Het beste, hè, daag!’Maar al kan ik geen harde zekerheid geven, een redelijk stevige waarschijnlijkheid is wel mogelijk. Al moet je ook daarvoor wel even dóórzetten. In eerste instantie lijkt de hele zaak hopeloos. Als de mist uiteindelijk optrekt komt dat, tegen die tijd, eigenlijk héél onverwacht.Alles wat ik hier zit te verkondigen is gebaseerd op ervaringen van mensen met wie of wat zij als God meenden te herkennen. Daar wordt de zaak al gelijk niet eenvoudiger op. Het zijn per definitie subjectieve ervaringen, gevangen in herinneringen. En de menselijke herinnering is een heel bedrieglijk vermogen. Het laat dingen weg en voegt dingen toe. Het schuift met accenten alsof het schaakstukken zijn, het verschiet en verkleurt. Dat is een probleem. En niet het enige, ook.Want ik kan die ervaringen ook nog eens niet rechtstreeks bestuderen. Ik beschik niet over een bibliotheek van glazen flessen vol herinneringen die ik zou kunnen opsnuiven of in een schaaltje gieten om eens goed te bekijken, zoals in een Harry-Potterboek. In plaats daarvan ben ik afhankelijk van wat mensen hebben verteld en opgeschreven. Van wat voor woorden ze bij elkaar hebben kunnen puzzelen om hun verschoten en verbleekte belevenissen enigszins aan mij te kunnen overdragen.Vaak gaat het dan ook nog eens om woorden die al lang niet meer worden gebruikt uit een belevingswereld die al lang niet meer bestaat. Zo houd ik mij zelf voornamelijk bezig met teksten uit het Brabant van de middeleeuwen. In het Brabants van de middeleeuwen. Dus van mensen uit een streek die de mijne niet is in een wereld die de mijne niet is die praten over dingen die sowieso al geen mens goed kan bevatten, laat staan reproduceren en verwoorden.En zegt het feit dat we ons maar steeds op die oude teksten blijven storten niet al duidelijk genoeg dat er iets geks aan de hand is? Zijn er geen modernere belevenissen om je bij deze studie op te baseren? Bij ander onderzoek over psychologische verschijnselen baseren we ons toch ook niet op een dataset uit de veertiende eeuw?Goed, dat zijn voor deze insteek wel even voldoende vragen. Ik zal ze in omgekeerde volgorde proberen te beantwoorden.We gebruiken oude getuigenissen van mystieke ervaringen omdat er zich in de late middeleeuwen een hoogtepunt van geletterdheid op dit terrein voordeed. Godservaringen zijn er overal en altijd, tot en met bij mensen die niet eens in God geloven. Maar het vermogen om zó over het onuitsprekelijke te kunnen spreken dat een ander er ook iets van kan verstaan is veel zeldzamer. Om zoiets te ontwikkelen is niet alleen een intens geestelijk leven nodig, maar ook een verfijnd technisch begrippenapparaat en zoiets als een traditie van poëtische fijngevoeligheid. Het virtuoos kunnen dansen met symbolen en metaforen. Dat bereikt geen mens op eigen kracht, zoals het domme moderne romantische idee van ‘het genie’ het altijd wil hebben. Wij hebben helaas geleerd om hoogst individuele schittering het meest te bewonderen. In de middeleeuwen hadden ze daar een broertje dood aan. Daar bouwden ze aan kathedralen in plaats van aan persoonlijke reputaties.Zo’n kathedraal kan alleen tot rijping komen als individuele mensen zich generaties lang dienstbaar kunnen maken aan een project dat groter is dan henzelf, en dat ze zelfs bij leven niet eens áf zullen zien. Uit idealisme in plaats van uit persoonlijke ambitie.Zo is het ook precies met de taal van de Godservaring. Mensen konden er in die tijd tevreden mee zijn om generatie op generatie steeds maar door te blijven schaven aan een traditie, aan een school, aan iets dat groter was dan zij zelf. Daardoor ontstonden er ‘kathedralen van taal’ die tegenwoordig nooit meer rijp zouden zijn geworden.Een van de meest gelukte van die taalkathedralen is de Zuid-Nederlandse mystiek van tussen de twaalfde en de zestiende eeuw. Die kon groeien omdat er duidelijk ruimte voor was, we begrijpen niet helemaal goed waarom nou net daar. In het beginstadium ontkiemde deze vorm van mystiek vooral bij devote vrouwen, zowel bij zusters als bij een soort vrijgevochten godgewijde maagden, de begijnen. In de veertiende eeuw werd zij briljant gesystematiseerd door Jan van Ruusbroec. Als hij niet in het Nederlands, maar in het Latijn zou hebben geschreven zou hij nu bekend hebben gestaan als de Thomas van Aquino van de mystiek, waarschijnlijk. Als degene met alle antwoorden op alle dingen. Misschien toch maar goed dat hij in het Nederlands heeft geschreven, en niet in het Latijn.Hoe dan ook hebben we zijn taal en zijn begrippenapparaat ook nu nog hard nodig. Want wat er na hem kwam was in eerste instantie voor een groot deel op hem gebaseerd, zoals wat er in Frankrijk en Spanje in de barok ontstond. Maar wel duidelijk van mindere kwaliteit. Veel pretentieuzer, warriger en ingewikkelder, en ook vaker afgeleid door sensationele bijverschijnselen.Daarna kwam de achttiende eeuw, waarin mensen sowieso meer bezig waren met meten dan met verstaan. In de negentiende eeuw kwam daar weer een reactie op, maar die verloor zich in wat ik daarnet als even heb aangestipt: de aanbidding van het individuele, hoogstpersoonlijke, uiterst bijzondere.Dat heeft kostbare schatten opgeleverd, maar weinig wat je kunt toepassen op wat normale, alledaagse christenen in hun innerlijk van Gods aanwezigheid ervaren. Daarom blijft van alle brillen die mij gegeven zijn de veertiende-eeuwse nog steeds het scherpste beeld geven.Maar klopt er ook maar iets van dat beeld? Want daar ging het nou net over. Zoals ik al zei: een hard bewijs in de moderne zin ga je niet krijgen, maar er is wel iets dat mij persoonlijk er alle vertrouwen in geeft. En dat is de enorme berg overeenkomsten tussen dit soort ervaringen en de teksten daarover uit de meest uiteenlopende momenten en culturen. Soms tot op de meest verfijnde details.Het ligt niet voor de hand dat de Indiase mysticus Adi Shankara uit de achtste eeuw veel Augustinus had gelezen. Toch komt hij met begrippen die naadloos passen op hoe Augustinus de structuur van de ziel voor zich zag. Ik beweer niet dat hun ideeën hetzelfde waren - dat zou kinderachtig zijn. Ze opereerden zelfs met totaal verschillende wereldbeelden in het achterhoofd. Shankara met het idee dat alles één is en alle verschillen maar illusies zijn. Dat het leven een cyclus is die zich eindeloos herhaalt. Augustinus met het idee dat afzonderlijke dingen - en vooral personen - er maar al te zeer toe doen en ook een bestemming hebben. Maar op micro-niveau passen de onderdelen die ze onderscheiden in de werkelijkheid en vooral in de menselijke ziel, vrijwel naadloos in elkaars systeem. Als er een schroefje of een lagertje in Shankara’s brommer kapot gaat kan hij er zonder problemen een reserve-exemplaar van Augustinus inschroeven.Dat komt omdat ze beiden niet zomaar speculatief zaten te fantaseren, maar zich baseerden op het heel intens beleven en observeren van hun eigen innerlijk. En wat God daar allemaal in uitspookte.En zo gaat het steeds. De meeste geestelijke tradities van de mensheid hebben twee gezichten. Een aspect dat we ‘mythologisch’ of ‘dogmatisch’ of ‘systematisch’ noemen. Dat is een in symbolen gevatte vertelling over hoe de wereld en God of de goden zijn, hoe ze zo geworden zijn en hoe ze ooit eens zullen zijn. En hoe de mensen daar in passen. Dat geheel noemen we ook wel ‘exoterisch,’ vrij vertaald ‘buitenkanterig.’ Voor iedereen onmiddellijk zichtbaar.Niet alle, maar wel veel religieuze culturen hebben daarnaast ook een gezicht dat we van oudsher ‘esoterisch’ noemen, zeg maar ‘binnenkanterig,’ ‘innerlijk.’ Daarmee bedoelen we dat een deel van de aanhangers van die traditie zich bezig houden met het observeren en verwoorden en delen van hun meest directe godsontmoetingen. Het woord ‘esoterisch’ heeft bij ons een heel rare bijklank gekregen omdat het sinds de jaren zestig vooral wordt geassocieerd met de meer fantastische randjes van de traditie. De ‘stoute,’ ‘verboden’ randjes vooral. Heksen en waarzeggerij en wichelroedelopen en zo. Daarom gebruik ik zelf liever ‘mystiek’ of ‘contemplatief.’ Dat zijn beide min of meer synoniemen.Hoe dan ook is dat het deel van de religieuze kennis dat rechtstreeks op ervaring, ontmoeting, beleving steunt. En dus ook alle grenzen tussen religieuze systemen met voeten treedt.De eenvoudigste verklaring daarvoor is dat mystici met vergelijkbare bevindingen komen omdat ze met dezelfde werkelijkheid in contact treden. Wereldbeelden verschillen, smaken en culturen en mentaliteiten. Maar God, de Absolute, is overal en altijd dezelfde. En duidelijk ook overal en altijd aanwezig. Beschikbaar. Of, om nog maar eens een ander woord te gebruiken: echt. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
23
Scholastica
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
22
De Zaaier
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
21
De Hygiëne van het Heilige
Hoe koester je God?Stel je voor: een archeoloog zoekt al jaren in de Pyreneeën naar een geheimzinnig heiligdom waar de Heilige Graal verstopt zou moeten zijn: de kelk die Jezus gebruikte bij het laatste Avondmaal. Al die tijd heeft hij niks gevonden, maar nu is er hoop in zijn hart.In de crypte van een vervallen kapel op een bergtop heeft hij een zware deksteen van rode zandsteen laten lichten. Die bleek een schacht met een wenteltrap te verbergen. De archeoloog daalt langs die trap af naar de geheimzinnige diepten. Hij komt uit in een doolhof van flamboyante gotische galerijen, bont beschilderd met taferelen uit de graallegenden over koning Arthur en de koene ridders Galahad en Parcival.Die worden flakkerend verlicht door brandende toortsen aan de muren. Woont hier iemand die die toortsen aan heeft gestoken? Hij ziet geen mens. Hij huivert. Behoedzaam dringt hij steeds verder en verder binnen in dit wonderlijke oord. Uiteindelijk vindt hij een enorme poort van zilver, vol nissen met heiligen met gouden stralenkransen. Hij duwt er tegenaan. Ze moeten wel loodzwaar zijn, maar toch draaien ze geruisloos open, met een zucht, als van een kluisdeur.Voor hem strekt zich het heilige der heiligen uit, met gewelven zo hoog dat ze boven zijn hoofd in een lazuurblauwe schemering lijken te verdwijnen. In de verte ziet hij een altaar met een schrijn in de vorm van een toren, waar een zacht licht uit straalt. Met knikkende knieën loopt hij verder. En ziet dan dit...(intro)Religie is er om een ruimte aan te bieden waarin mensen tot de ontmoeting met God kunnen komen, en ín God met elkaar. Dat doet religie door op heilige plaatsen op heilige momenten heilige handelingen te stellen. Voor zover we kunnen overzien is dit alles een merkwaardig, maar noodzakelijk element van een gezonde samenleving. Niet alleen is het verschijnsel religie zo goed als universeel maar ook worden er vrijwel consequent veel geld, middelen, gebouwen en mensen in geïnvesteerd. Onze postmoderne, westerse samenleving is de enige echte uitzondering, maar daarover later meer.Het resultaat van al die moeite manifesteert zich in de vorm van momenten in het mensenleven dat alles wat seculier is, al het tijdelijke, met andere woorden, heel de strijd om het bestaan, de dagelijkse dingen, de zorgen en problemen, de begeerten en ambities, conflicten en verwijten, even tot zwijgen komen. Nou vinden mensen het heel moeilijk die dingen los te laten, al is het maar voor een ogenblik. Om dat mogelijk te maken is alleen de meest oprechte ernst afdoende.We zoeken daar immers de Absolute, de grond onder de werkelijkheid zelf. Nou wil de ironie dat juist het meest ontzagwekkende ook het meest kwetsbare is. Het fluistert in plaats van te schreeuwen, het uit zich als het suizen van een zachte bries. Het is, met andere woorden, alleen waarneembaar en verstaanbaar als meer lawaaierige elementen worden geweerd.Ik bedoel dat niet alleen letterlijk, in de vorm van geluid, maar ook visueel, sociaal, psychologisch en dan vergeet ik vast ook nog wel een paar aspecten meer. Al die dingen kunnen, als ze op het verkeerde moment of in de verkeerde combinatie het heiligdom binnengebracht worden, de sacrale spanning breken die het religieuze ritueel zijn geloofwaardigheid geeft. Daar is maar heel weinig voor nodig en de gevolgen zijn onmiddellijk dodelijk. Als het verkeerd gaat kan iedereen eigenlijk wel gewoon naar huis.Sterker nog: het is maar beter dat iedereen dat dan ook doet, want bedorven religie is een bijzonder giftige substantie voor de ziel. Het bederf van het beste geeft het allerslechtste, zei de heilige Augustinus al in de vierde eeuw of zo. Vergelijk het maar met een restaurantkeuken vol ratten, schimmel en kotsende koks.Sacrale hygiëne is wat ons tegenwoordig nogal eens ontbreekt. Het onvermogen om het profane te scheiden van het heilige.En dat terwijl het niet zo heel moeilijk is zodra je weet waar het probleem zit. Het enige wat nodig is, is onbeschaamde eerbied. Je niet schamen het heilige te eerbiedigen. Durven te knielen, durven ontzag te hebben. Zonder ironie. Naakt voor God te staan en dat uit te houden. De meest uiterste Realiteit te herkennen en te erkennen. En die - in het heiligdom - op geen enkele manier te relativeren. Als iets in strijd voelt met de wijding van die plaats is het waarschijnlijk ook in strijd met de wijding van die plaats.Vaak is het verschil tussen de twee categorieën sterk cultureel bepaald. Bij ons in het westen wordt het heilige bij uitstek geassocieerd met het oude, het verstilde, het trage en het natuurlijke. Dat is voor sommige postmoderne dramkousen een reden om er juist de hele tijd met platvoeten doorheen te willen banjeren. Maar dit soort associaties veranderen maar heel traag, en hebben met inclusiviteit of uitsluiting niks te maken. Als je ze niet respecteert heeft de Kerk geen enkele zin meer. De heilige zal er zich objectief nog wel manifesteren, maar op een manier die niet subjectief te ervaren is door de mensen voor wie het bedoeld is.Nou verwachten jullie natuurlijk van mij een vurig pleidooi voor een zo snel mogelijke terugkeer naar de traditionele Latijnse Mis. En het klopt wel dat ik iets in die richting uiteindelijk verstandig zou vinden. Maar wat ik vind doet er niet zoveel toe. De meesten van ons mogen dat helemaal niet, kunnen dat ook niet en er zijn er ook nog best veel die het ook niet zouden willen, vooral de oudjes niet. En oudjes hebben ook een ziel.Prima. Maar werk er dan omheen. Want zoals het de afgelopen zestig jaar is gegaan kan het echt niet langer. Dat is mensen hun broodnodige religieuze behoeften onthouden.Als jij verantwoordelijk bent voor de liturgie is je enige taak de mensen met God te laten communiceren, in alle betekenissen van dat woord. Zorg dan dat je leidingen niet verstopt zitten met braggel die nergens voor nodig is en je bestaan tot dat van een loodgieter zonder waterpomptang degradeert.En wat is die braggel dan zoal?Lach me maar uit, maar ik gebruik daarvoor de Indiana Jonestest. Het is om je rot te schamen dat Steven Spielberg duidelijk beter weet hoe je het heilige kan laten beklijven dan veel priesters, maar daar kan ik ook niks aan doen.Dus: stel je voor: Indiana Jones heeft in een grottenstelsel achter een waterval een exotisch heiligdom ontdekt. Daar ergens zou het astrale amulet van troeliepoelie moeten rusten op een met geheimzinnigheid omringd altaar.Welnu: alles wat in die film bij de bioscoopgangers het opschorten van het ongeloof zou kunnen verstoren heeft ook geen plaats in de kerk. De naam Troeliepoelie is dus alvast niet goed. Net als go-zondag, startzondag, Night-Fever en ga zo maar verder.Ook is de muziek van doorslaggevend belang. Als er naast de omineuze talisman twee afgodische priesters met kettingen van schedels zitten die uit volle borst oubollige liedjes met onoprechte teksten zitten te kwelen met een gitaar wordt de film geen kaskraker.Als het grootste deel van de ceremonie uit praten en voorlezen en dan nog meer praten bestaat komt het niet goed. Zo ook als de orakels van Oetsiepoetsie voor het altaar van Troeliepoelie worden voorgelezen door een vrijwilligster in een roze legging die niet weet waar de klemtonen horen te liggen en bovendien alle onheilsdreigingen van een lieflijke kleuterjuffrouwencadans voorziet.Als er een vlag naast het altaar staat die oproept tot donaties en die ook nog eens een zo zakelijk mogelijk ontwerp heeft flopt het hele spul ongenadig. Natuurlijk is het hartstikke belangrijk dat de mensen solidair zijn met hun heiligdommen. Natuurlijk moeten die afgodische priesters eten en af en toe een nieuwe schedelketting. Ook is het fijn als de grot wordt schoongemaakt en, als het moet, wordt gestut zodat hij niet boven het hoofd van de afgodische priesters in elkaar stort.Maar dan nog: die vlag hoort niet in het heiligdom, maar in het bezoekerscentrum aan het begin van het pad dat naar de grot leidt. Hetzelfde geldt voor kindertekeningen en tentoonstellingen over de sokkenbrei-acties voor de bevroren tenen in Fins-Lapland.Als er te zien is dat een schoonmaker fluitend vlak voor het altaar van Troeliepoelie langsloopt en onder het stofzuigen even zijn bril erop legt is het magische moment voorbij. Überhaupt is het respecteren van taboes belangrijk als het gaat om het heilige. ‘Doe je schoenen uit, want deze plaats is heilig,’ zij God tegen Mozes. Daarom helpt het als echt niemand op het priesterkoor is die daar niet persé moet zijn. En dan nog het liefst in liturgische kleding.En even voor de helderheid: dat alles oplossen hoeft niet duur of extreem ingewikkeld te zijn. Het is vaak eerder een kwestie van weglaten dan van toevoegen. Van opruimen dan van opdirken. Ik ben zelf toevallig van de barok en de overdaad, maar dat kost heel veel tijd en gedoe om precies goed te krijgen. Precies de andere kant op werkt ook. Tenzij je een plaats van volksdevotie beheert, zoals een plaatselijk bedevaartsoord of zo, maar dat is een vak apart dat we hier nu maar even zullen laten voor wat het is.Het toverwoord is hygiëne. Het heilige is een eigen categorie die geen vermenging met andere verdraagt, anders gaat het onmiddellijk bescheiden aan de kant en wordt onzichtbaar.Dus: roept iets de sfeer op van zakelijkheid, politiek, huiselijke gezelligheid of therapeutische afstandelijkheid? Dan moet het uit de buurt van het altaar gehouden worden. Is iets ontworpen alsof het met commercie te maken heeft, dus roep het associaties op met het bedrijfsleven? Nee!Berucht was op een gegeven moment het nieuwe schepje waarmee je in Houthem zand uit het graf van de heilige Gerlachus kunt scheppen. Dat was, waarschijnlijk door een reclamebureau, zo gelikt herontworpen dat het de gewijde sfeer in de war stuurde. Soms kun je het ook juist uit liefde te goed je best doen. Roept iets de basisschool of de tennisclub in herinnering? Nee! Allemaal prima dingen, maar niet hier en nu. Heeft het de sfeer van entertainment over zich? Nee!Een mens kan niet schakelen van atmosfeer zonder dat dat bakken energie kost. De religieuze atmosfeer is tegelijk een van de sterkste en een van de meest kwetsbare die er bestaat. Laat mensen daar rustig in verwijlen om te wachten tot God ze daar wil omarmen, en laat de kletspraatjes met de kinderen, de reclamevlaggen, de manga-poppetjes en de truttenliedjes buiten. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
20
Wat doen religieuze rituelen?
Het gebeurt op een dag, dat Jezus in Bethanië is, in het huis van Simon de melaatse. Er verschijnt een vrouw met een albasten flesje pure nardusbalsem dat driehonderd denarieën waard is - zeg maar dertigduizend euro naar de huidige maatstaven. Ze breekt dat flesje open en giet het uit over Jezus’ hoofd. De leerlingen worden woedend. Hoeveel armen hadden met dat geld wel niet geholpen kunnen worden? Maar Jezus reageert onverwacht. Hij zegt: zij heeft een goed werk aan mij gedaan. De armen hebben jullie immers altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie.Een idioot verhaal en een vervelende man, die Jezus, zijn wij geneigd te denken. Hij doet hier haast wat denken aan een van die sekteleiders die zich wentelen in luxe en de idolate verering van hun slachtoffers. Maar als wij zo denken zou dat wel eens kunnen komen omdat wij zelf vervreemd zijn van een essentieel onderdeel van ons menszijn. In de vorige twee afleveringen hebben wij nagedacht over wat godsdienst eigenlijk is, en de conclusie getrokken dat een religie waarschijnlijk in essentie samenvalt met haar rituele doen en laten.Maar wat is nou eigenlijk het concrete effect van die rare handelingen? Is het pure verspilling van middelen en zelfs mensen, of doet het wel degelijk iets? Wat krijgen wij terug voor de kostbare nardusbalsem die wij uitgieten over het hoofd van God? Daarover gaat het vandaag.(intro)Het is mijn persoonlijke overtuiging dat menselijke samenlevingen altijd gefundeerd zijn op een dragende godsdienst, en de essentie van die godsdienst is het ritueel. Als het ritueel niet meer gerespecteerd wordt of zelfs helemaal stilvalt vervliegen ook de leerstellingen en de normen en waarden van de religie en daarmee van de hele maatschappij die op die religie was gebaseerd. Die begint vanaf dat moment dan ook uit elkaar te vallen.Ik denk er al heel lang zo over, en word ook mijn hele leven al steeds weer in die overtuiging bevestigd door wat ik om mij heen zie gebeuren. Wij kennen de symptomen ervan allemaal, want wij leven er elke dag mee. Ik heb het over al deze dingen trouwens ook al uitgebreid gehad in de vorige twee afleveringen van deze serie. Mocht je die nog willen bekijken, dan staan er links in de beschrijving hieronder.Maar toch, wat doen religieuze rituelen nou eigenlijk concreet? Het doopsel mag dan een wassing zijn: als anti-bacteriële maatregel stelt het niet veel voor. Het heilig Misoffer mag dan wel een maaltijd zijn, maar je dagelijkse portie calorieën zal je er niet uit kunnen halen. Met andere woorden: alles wat je materieel van een religie kunt zien en vastpakken is schijnbaar ondoelmatige verspilling. Verloren moeite en tijd. Van de dure gebouwen, de offers en de geïnvesteerde tijd is er weinig tot geen tastbaar rendement te verwachten. Toch speelt het hele gedoe op de een of andere manier een cruciale rol bij het instandhouden van samenlevingen, maar hoe? Wat is nou eigenlijk puur technisch het gevolg van een ritueel? Wat doet het?We hebben al gezien dat culturele antropologen en godsdienstsociologen of hoe dat volkje zich op een zeker moment ook maar mag noemen de grootste moeite heeft met definiëren van wat religie eigenlijk is. Met het interpreteren van religieuze rituelen loopt het nog veel verder uit de hand. Dat komt omdat de academische godsdienstwetenschappen allesbehalve waardenvrij zijn ontstaan en opgebouwd. Het voert een beetje te ver om de hele geschiedenis hier uit de doeken te doen. Mocht je willen weten hoe die wereld tikt, dan kan ik je van harte aanbevelen het werkje ‘Denken over religie’ van Valeer Neckebrouck eens door te nemen. Dat is heel toegankelijk geschreven en leest eigenlijk als een thriller.In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat er een touwtrekwedstrijd is geweest tussen twee soorten godsdienstonderzoekers.Aan de ene kant stonden geleerden die stiekem romantici waren. Zij droomden over oerreligies en archetypen en moedergodinnen en zo. Zij waren ook geneigd aan religie een grote zelfstandige waarde toe te kennen.Aan de andere kant stonden geleerden die stiekem politici waren en meer droomden over het betrappen en uiteindelijk slopen van machtsstructuren. Zij zagen religie bovendien meestal louter functioneel, als een sociaal instrument.Bijna niemand in dit hele proces had trouwens veel achting voor het moderne Europese christendom, en dat werd er niet beter op toen marxistisch-achtige ideeën een steeds grotere rol in álle menswetenschappen gingen spelen. Als je dus in het nieuws of zo hoort over zogenaamd ‘wetenschappelijk onderzoeken’ naar religie, bijvoorbeeld naar het secularisatieproces, dan weet je dat je niet zit te kijken naar de droge observaties van feiten. Er is in de wereld van de sociologie eigenlijk geen serieuze academische distantie, al het gescherm met statistiek en kwantitatief onderzoek ten spijt. Ook die kleuren zich immers makkelijk aan de hand van de smaak van de onderzoeker door de precieze vragen die hij stelt of juist angstvallig vermijdt.Goed, laten we evengoed de conclusies van de beroemdste van die figuren maar even snel de revue laten passeren, zodat we een idee krijgen van de sfeer. Ze lijken in eerste instantie interessanter dan ze in feite zijn, dus we doen dit even zak zak allez-hoppe.We beginnen natuurlijk in de negentiende eeuw. Toen zagen figuren als Tylor, Frazer en Malinowski, allemaal vroege antropologen, religieuze rituelen nog voornamelijk als futiele pogingen van het magische denken om de natuurkrachten te beïnvloeden. Beheersing te krijgen over de onbeheersbare bedreigingen van het leven. Een beetje zoals moderne huiskameratheïstische verjaardagsfeestjesorakels er tegenaan kijken.Iets later, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verschijnen er antropologen als Arnold van Gennep en Victor Turner. Zij zien godsdienstige rituelen vooral als rites de passage, overgangsrituelen: door ceremoniële transformaties door te maken krijg jij als individu een andere positie in de gemeenschap. Daardoor ga jij je meer met het collectief identificeren en dat wint dan weer aan betekenis, hechtheid en stabiliteit.Verder ontsnappen we ook deze aflevering natuurlijk weer niet aan Émile Durkheim met zijn idee dat de religie - en dus ook het ritueel - een projectie van de samenleving zelf is. God is, volgens hem, de maatschappij die zichzelf viert en zich daardoor bevestigt en versterkt. Denk maar aan hooligans die ‘we are the champions’ zingen. Zoiets.Iemand die bekend staat als gematigd, maar stiekem waarschijnlijk de meest cynische grapjas van het hele stel is, is Clifford Geertz. Hij ziet de rituelen van een religie als niks anders dan de trukendoos die het wereldbeeld van die godsdienst zo écht laat lijken. Rituelen zijn volgens hem georkestreerde belevingen die een religieus systeem de illusie van tastbaarheid, zichtbaarheid en geloofwaardigheid moeten geven. Het lijkt er trouwens niet op dat Clifford Geertz ooit echt tot de beleving van een religieus ritueel is doorgedrongen, maar dat terzijde.Dan gaan we nog even naar Peter Berger. Dat is misschien dan weer de meest zinnige denker uit deze richting. Hij ziet religieus ritueel als een ordenend systeem dat de bestaande werkelijkheid - die van zichzelf chaotisch en betekenisloos is - zin en structuur moet geven. Bij Berger zet je je door rituelen te voltrekken in feite een bril op de neus die een soort duidend raster over de wereld legt. Die verandert daardoor wel niet objectief, maar wordt voor de mens wel veel beter te navigeren zonder in paniek te raken.Je merkt wel dat ik tot nu toe alleen denkers heb behandeld die religieuze rituelen reductionistisch functionalistisch interpreteren. Ze reduceren religie tot een instrument van de maatschappelijke orde, tot een onderdeel van de machtsstructuur in samenlevingen.Niemand van al deze figuren ziet religie als een zelfstandig aspect van het menselijke leven, laat staan als de geestelijke wortel ervan. Natuurlijk zijn er ook geleerden geweest die daar heel anders tegenaan keken.De eerste daarvan was, in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, Rudolf Otto. Hij definieerde ‘het heilige’ als een onuitsprekelijk fenomeen dat eigenlijk door elke mens weleens wordt ervaren. Het is tegelijk heel aantrekkelijk maar ook héél angstwekkend. Hij noemt het dan ook het ‘mysterium tremendum et fascinans,’ het vreeswekkende en fascinerende mysterie. De mens zoekt ernaar en verlangt ernaar, maar schrikt er tegelijk voor terug. Het wordt door de mens gekoesterd maar ook met taboes omgeven.Hij beschreef religieuze rituelen als het instrumentarium dat de mens ontwikkelt om met dat heilige om te gaan. Misschien nog wel zijn meest blijvende bijdrage aan het denken over religie is de uitvinding van het woord ‘numineus’ en ‘het numineuze.’ Dat betekent bijna hetzelfde als ‘het heilige,’ maar dan in de ruwere, oudere, minder opgepoetste variant, ontdaan van zijn ethische component.Verwant daaraan is het denken van de Nederlandse godsdiensthistoricus Gerardus van der Leeuw. Hij nam het idee van ‘het heilige’ in feite van Otto over, maar noemde het ‘de macht.’ Daarmee bedoelde hij niet een projectie van sociale of politieke macht, maar een reëel ervaren, overweldigende werkelijkheid die de mens treft, aanspreekt en voor zich opeist. Het uitvoeren van rituelen is bij hem een écht deelnemen aan die macht. Het offer is een échte overgave, het gebed een écht aanroepen en het stellen van sacrale handelingen stelt de Macht écht tegenwoordig.De twee schoolmakende academische denkers die het meeste respect hadden voor religieuze tradities waren waarschijnlijk wel Carl Gustav Jung en Mircea Eliade. Dat ging zo ver dat ze beiden, waarschijnlijk juist daardoor, wat in de berm van het wetenschappelijke onderzoek zijn beland. Het zijn bijna zelf meer religieuze dan wetenschappelijke denkers.Allereerst is daar de psycholoog Jung. Voor hem drukken rituelen innerlijke processen uit. Ze werken alleen door ze uit te voeren, niet door ze te begrijpen. Ze leggen een verbinding tussen je onbewuste en je ego - zo noemt Jung het deel van je psyche dat je bewust ervaart als je ‘zelf,’ als je ‘ik.’ Jung ziet de menselijke geest als een soort ijsberg, waarvan je alleen het topje waarneemt, terwijl het grootste deel onder waterspiegel verborgen blijft. Je onbewuste is dus veel groter en betekenisvoller dan je ego. Het zit vol met vergeten, onderdrukte en emotioneel geladen ervaringen die ooit bewust waren.Bovendien bestaat er volgens Jung daarnaast ook nog eens zoiets als het ‘collectief onbewuste.’ Dat is een diep verborgen laag van de menselijke psyche die je met de hele mensheid gemeenschappelijk hebt, onafhankelijk van je persoonlijke ervaringen. Het is een reservoir van latente beelden en ervaringen die je doorgegeven hebt gekregen van je menselijke en zelfs dierlijke voorouders. Jung noemt de meest fundamentele van die beelden ‘archetypen.’ Dat zijn beelden die universeel zijn en zich manifesteren in dromen, mythen, kunst en religie. Zie ze maar als de geestelijke tegenhanger van je DNA.Je voelt al wel aankomen dat Jung religieuze rituelen niet ziet als middelen om iets transcendents, iets ‘boven je’ af te dwingen, zoals een werkelijk bestaande God. Het zijn symbolische handelingen die onbewuste werkelijkheden in je eigen psyche zichtbaar en hanteerbaar maken.Hij ziet ze dan ook als uiterst noodzakelijk. Als het onbewuste zich niet kan uitdrukken in rituelen zal het zich beginnen uit te drukken in symptomen. Rituelen zijn, met andere woorden, beschermend. Ze voorkomen dat je overspoeld wordt door archetypische krachten zoals schuld, doodsangst, honger naar verlossing enzovoort. Door te helpen die dingen op een gezonde manier door te maken spelen ze bovendien een belangrijke rol bij individuatie, het vormen van een hele en gezonde persoonlijkheid.Nou vraag je je misschien af waarom ik Jung bij de meest religieuze denkers plaats. Jung erkent immers geen overstijgende, transcendente - zeg maar bovennatuurlijke - werkelijkheid en geeft religie een functie in het innerlijke universum van de menselijke psyche die in feite een heelal op zichzelf wordt, op deze manier. Toch is het taalregister van Jung zo religieus dat hij zoiets als de huistheoloog van zo ongeveer alle moderne neo-heidense stromingen is geworden. Dat was zeker niet wat hij bij leven ambieerde, maar het kwam toch eigenlijk ook voor niemand echt onverwacht. De mens heeft bij Jung zélf zulke numineuze diepten dat je zijn innerlijk rustig als quasi goddelijk kunt interpreteren. Dat komt dan wel niet in de buurt van christendom of iets dergelijks, maar het is ook geen zuiver materialistisch reductionisme meer.Om dit gedeelte af te sluiten wil ik nog graag iets zeggen over Mircea Eliade, en dan gaan we verder.Mircea Eliade was een Roemeense godsdiensthistoricus die lange tijd verbonden was aan de universiteit van Chicago. Voor hem is de werkelijkheid niet uitputtend te verklaren door middel van economie, sociologie, psychologie en ga zo maar verder. De wereld is niet toevallig, absurd en betekenisloos, maar verzadigd van betekenis. Religie is dan ook geen bijproduct van machtsstructuren of existentiële angsten maar de primaire manier waarop de mens zich tot de werkelijkheid verhoudt.Bij zijn denken over rituelen staat een heel specifiek begrip van hem centraal, een heilige oertijd die hij, in het Latijn, illud tempus noemt. Die oertijd is een soort essentieel moment waarop heel het universum ‘klopt.’ Denk maar aan hoe sprookjes vaak beginnen: ‘er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan...’Mythen en rituelen doorbreken de gewone tijd en ruimte en stellen die volmaakte oertijd hier en nu tegenwoordig en maken dat de meest reële werkelijkheid ook in het hier en nu ervaren kan worden. Dat is geen originele gedachte, maar doet sterk denken aan hoe de oudere kerken, die van vóór de reformatie, aankijken tegen hoe hun Sacramenten werken.Eliades denken is nog steeds invloedrijk, maar eerder impliciet, als een gênant geheimpje. Als onderzoeker was hij wel eens geneigd oogkleppen op te hebben en zijn theorieën op dingen te projecteren die zich daar in werkelijkheid helemaal niet voor leenden. Daar maakten vrijwel al zijn collega’s zich net zo goed af en toe schuldig aan, maar hem werd het niet vergeven. Ten eerste omdat hij er voor de oorlog extreemrechtse ideeën op na had gehouden, die in de cultuur van dat moment in de mode waren geweest.Maar toch waarschijnlijk ook vooral omdat zijn eigen houding als te open voor het idee van een reëel bestaande overstijgende werkelijkheid werd ervaren. Omdat hij, met andere woorden - als té religieus werd beschouwd. Dat was niet populair bij de erfgenamen van Durkheim en de zijnen, die in de praktijk een atheïstische houding als vanzelfsprekend beschouwden. Datzelfde effect verklaart volgens mij trouwens ook het vervagen van de erfenis van Jung in de psychologie, waar de afkeer van God nog veel drammerige proporties aan zou nemen.Goed. We hebben nu een waslijst aan ideeën over waar religieuze rituelen goed voor zouden kunnen zijn. Waarom samenlevingen er maar tijd, energie, geld en zelfs mensen in blijven investeren.Als ik nou mijzelf observeer bij mijn meningsvorming over dit alles valt mij op dat ik van de meeste van die zienswijzen wel iets meeneem, maar ze toch ook steeds weer geneigd ben te relativeren.Natuurlijk is mijn motivatie niet in de eerste plaats wetenschappelijk. Ik benader het fenomeen godsdienstig ritueel niet als buitenstaander. Ik ben nota bene een rooms-katholieke priestermonnik. Toch ben ik ook niet tevreden met een louter theologische benadering. Ik leef in een wereld die heel klein geworden is. Een wereld vol verschillende werelden die elkaar vroeger nauwelijks raakten, maar elkaar nu eigenlijk niet meer kunnen vermijden, en dat ook niet zouden moeten willen. Ik wil dus graag met een klein beetje afstand kunnen kijken naar mijn eigen geloofservaring om er ook over kunnen praten met atheïsten en mensen van andere tradities dan de mijne, vooral mijn ‘collega’s,’ om ze zo maar even te noemen. Hindoeïstische swami’s, boeddhistische monniken, islamitische sufi’s enzovoort.Juist die contacten hebben mij er trouwens van overtuigd dat de directe ervaring van het heilige iets universeels in zich draagt. Iets dat formele theologische systemen overstijgt. Er zijn bergen getuigenissen van mensen uit de meest verscheiden religieuze tradities die onmiddellijke godservaringen beschrijven. Die komen veel beter met elkaar overeen dan de dogmatische en ethische teksten van onderscheiden religies. Dat geldt zelfs als ze er totaal verschillende theorieën op na houden van wie of wat dat Heilige of die God dan wel zou moeten zijn. Wat ook opvalt is dat de omstandigheden waaronder die ontmoetingen plaatsvinden wel erg vaak op elkaar lijken.En religieus ritueel heeft met die omstandigheden te maken. Niet dat ze consequent samenvallen met godservaringen, alsof die er mechanisch door op te roepen zouden zijn. Ook is het niet zo dat het hier en nu voltrekken van een religieus ritueel een voorwaarde zou zijn voor een ontmoeting met het Absolute. Maar meestal kleurt het ritueel toch de context van mystieke belevenissen. En zo kom ik tot wat ik denk dat de functie van religieuze rituelen is of zou moeten zijn.Religieuze rituelen zijn er om in de profane werkelijkheid ruimte te scheppen waarin mensen God kunnen ontmoeten, en in God elkaar.Een geslaagd religieus ritueel doorbreekt inderdaad tijd en ruimte, zoals Eliade wil. Het stelt een illud tempus tegenwoordig, een heilig hier en nu dat de banaliteit van het dagelijkse onderbreekt. Denk maar aan het moment van de consecratie in de Mis, waarbij je plotseling onder het kruis van Christus staat die zich in jou uitgiet om je te voeden. In die onderbreking, dat tussenin, kan het Absolute worden ontmoet en erkend. Maar niet om na het ritueel weer te vervliegen. Want dat laat je ook blijvend anders kijken naar juist die grauwe dagelijksheid, die profane wereld. Die krijgt meer zin en structuur naarmate je meer spiritueel volwassen wordt. Een beetje zoals Berger beschreef. Natuurlijk kijk ik er wel onbevangener religieus tegenaan. Na de transformatie van het ritueel te hebben doorgemaakt heb je een andere bril op je neus die je toont dat ook het hele gewone door God gegeven is en in God hangt. Achter elke beige minuut verschuilt zich de sprankeling van het wonder van het bestaan. En niet alleen je blik naar de buitenwereld is veranderd, maar ook je blik op jezelf. Hier kan de gedachtenwereld van Jung dan weer een hulp zijn. Want het ritueel opent je de deur naar je innerlijk, waar zich een heelal verbergt dat groter is dan de kosmos om je heen. En ook dat is gemaakt om God te ontmoeten. Je ontdekt dat je in het centrum daarvan, in de celkern van je ziel door Hem, of Haar, of Dinges elk moment van je bestaan aan jezelf geschonken wordt. Geen wonder dat je heimwee hebt naar dat fascinerende mysterie, ook al is het tegelijk ook zo angstwekkend. Het blijkt dat je eraan ontspringt!En het is weer daarbinnen, in God, dat je je medemensen wérkelijk ontmoet en kan aanvaarden. Zij ontspringen immers aan dezelfde bron en worden door dezelfde liefde in het bestaan gewild.Dat is wat godsdienstig ritueel hoort te doen. En heel vaak lukt dat ook. Maar bij ons in het moderne westen lukt het nog vaker niet. Want ritueel is ook kwetsbaar. Het vergt vakmanschap en talent om het geslaagd in stand te kunnen houden en toe te kunnen dienen.Daarom gaat het de volgende keer over goed priesterschap. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
19
Paulus´ Bekering
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
18
Is religie niet meer dan een ritueel?
Wat is religie? Daarover heb ik hier al het een en ander gezegd. Heb je dat nou nog niet gezien, dan vind je dat hierboven of hiernaast en ook nog eens in de beschrijving. Vandaag borduur ik daarop voort. Ik benader het fenomeen even niet theologisch, maar eerder antropologisch. Een klein beetje afstand doet soms wonderen voor de helderheid.Religie valt volgens mij ten diepste samen met haar ritueel. Zij heeft natuurlijk nog een hele hoop andere aspecten, maar die bloeien volgens mij op uit het ritueel en blijven afhankelijk van het ritueel. Vergelijk het maar met een zangstem uit de radio. Als je de stekker eruit trekt stopt het liedje midden in een zin. Zo is ook de religie dood zodra zij niet meer ritueel wordt uitgevoerd of wanneer haar rituelen niet meer serieus wordt genomen.In 394 dwong de fanatiek christelijke keizer Theodosius de Vestaalse maagden om hun heilige haardvuur te doven. Op hetzelfde moment veranderde de godin Vesta van een godin in een herinnering. Net zo werd op een dag de orakelpriesteres van Delphi van de driepoot getrokken waarop zij altijd boven de vulkanische dampen had gehangen. Op die dag stierf niet alleen de stem van haar voorspellingen, maar loste ook de god Apollo met dampen en al in de lucht op. Hij veranderde van een levende werkelijkheid in een cultureel symbool.Priesters en aanverwante religieuze bedienaars worden in de antropologie niet voor niets ‘rituele specialisten’ genoemd. Hun identiteit en vooral ook hun autoriteit ontlenen ze niet aan de verhalen die ze vertellen of de regels die ze stellen, laat staan aan hun eigen wijsheid, maar alleen en louter uit het ritueel dat ze voltrekken.Dat ritueel heeft veel meer om het lijf dan er op het eerste gezicht aan af te zien is. Het lijkt meer op een organisme dan op een menselijke constructie. De priesters bedenken het niet en maken het niet maar ontvangen het uit de traditie: ze zijn er niet zomaar meester over. Zodra ze er zodanig aan gaan sleutelen dat het als mensenwerk ervaren kan worden valt de vervoering dood en wordt het ritueel een plichtpleging.Als zo’n kunstmatig ingrijpen in het ritueel universeel worden opgelegd of ingevoerd, en als de priesters daarin verharden, dan begint hun godsdienst af te sterven en daarmee tegelijk ook hun autoriteit. Dus ook de autoriteit die ze nodig hebben om hun fout eventueel nog te herstellen. Mochten ze dat nog willen dan moeten ze snel zijn, anders hebben ze hun religie per ongeluk per decreet opgeheven.Of ze wijs zijn of niet en of ze een goed verhaal vertellen of niet doet er dan plotseling nauwelijks nog toe: er blijft van hun traditie niets over dan een schim waar mensen uit gewoonte en nostalgie misschien nog een tijdje aan meedoen, maar waar ze zich niet meer aan gebonden voelen en waaraan ze ook geen fundamenteel houvast meer vinden. Dat kan nooit langer dan één generatie vol te houden zijn.Ritueel is in een religie nucleair - in de beide betekenissen van dat woord. Ten eerste omdat het de nucleus, het dragende middelpunt ervan uitmaakt. Je kunt verhalen vertellen en regels stellen, maar die zijn op zichzelf nooit langdurig genoeg overtuigend om een samenleving te dragen. Mensen hebben weliswaar verstand, maar dat maakt ze nog geen rationele wezens. Mensen zijn in eerste instantie affectief, in tweede instantie gevoelswezens en pas daarna denken ze misschien af en toe ook nog wel eens na.Dus als jij een verhaal te vertellen hebt, een openbaring of een wet, dan zal die pas overtuigen als hij bezield is en als ook anderen dan jijzelf werkelijk contact kunnen maken met die ziel. Daarvoor zal alleen taal nooit genoeg zijn. Ten eerste omdat zelfs de beste gedichten en verhalen onverdraaglijk worden als je ze maar vaak genoeg hoort. Ten tweede omdat taal een veel grover instrument is dan veel mensen denken. Het meest wezenlijke van het leven kun je er niet in uitdrukken. Waarom je van iemand houdt, bijvoorbeeld. Ten derde omdat taal leeft en dus voortdurend verandert. Wat vandaag indrukwekkend klinkt werkt over een jaar of dertig in het beste geval nog aandoenlijk, maar meestal alleen nog potsierlijk.Ook kan taal liegen. De enige manier waarop je zeker kan weten dat je niet voor de gek wordt gehouden is wanneer je zelf rechtstreeks in gemeenschap kan treden met wie of wat die taal bezielt. Als je het bewustzijn van degene die tegen je spreekt kunt proeven of meebeleven. Zoiets is onmogelijk met alleen woorden of beelden tot stand te brengen. Dat kan alleen op de extatische manier die we sacramenteel noemen, en die wordt door riten bewerkt. Daarom draagt het ritueel de leer en de ethiek, en niet andersom.Als ik luister naar een verhaal uit het Evangelie weet ik niet of het waar is. Het is wel oud en eerbiedwaardig, maar dat zijn de verhalen over Apollo en Vesta ook. Het is wel ontroerend, maar dat is het verhaal over het meisje met de zwavelstokjes ook. Er worden wel heel verstandige dingen in gezegd, maar dat doen de dialogen van Plato ook. Pas op het moment dat ik het altaar nader en zie dat daar God zich laat slachten en zich te eten geeft aan mij, omdat Hij met heel zijn wezen wil dat ik leef, wordt dit verhaal ineens een heel ander verhaal. Het ritueel kan mij niet meer bedriegen omdat het mij laat deelnemen aan zijn ziel.Maar dat maakt het ritueel ook nucleair in de andere betekenis van het woord: gevaarlijk en alverwoestend als het wordt misbruikt. Je kunt er een cultuur of samenleving - een leefwereld - mee verlichten en voeden en verwarmen, maar je kunt diezelfde wereld er ook volkomen mee vernietigen. De goddelijke vonk ervan kan weliswaar zelf niet bedriegen, want die is wat zij is. Maar ze kan wel worden vervalst.Ten eerste kan zij worden gesuggereerd waar zij in werkelijkheid niet brandt.Bijvoorbeeld als politici of grote bedrijven echo’s van het ritueel gebruiken om zichzelf of hun producten met een afgodische afglans op te tuigen. De hoogmis van het Apple-event en de epische muziek die klinkt als op een partijcongres de lijsttrekker verschijnt. Natuurlijk duurt een dergelijke illusie nooit lang, en wordt bovendien bijna altijd afgestraft, uiteindelijk. De vervalsers kunnen namelijk nooit voldoen aan de verwachtingen die door dergelijk gedrag worden gewekt.Erger is het wanneer niet de suggestie van het heilige wordt vervalst, maar het heilige zelf. Dat gebeurt wanneer de bedienaars ervan overmoedig worden en denken dat ze het heilige naar hun eigen smaak kunnen herscheppen, minder primitief maken, logischer, meer bij de tijd.Zij lijken op tuinlieden die alle takken van een kromme appelboom zagen en ze er daarna recht weer aanschroeven. En er dan verbaasd over zijn als hij in het voorjaar geen bloesem meer zet.Zij lijken op een onnozel meisje dat trouwt met een jongen die ze niet bemint zoals hij is, maar die ze denkt nog wel te kunnen veranderen. Dat draait op scheiding uit. Of op het verdwijnen van God uit het ritueel, in dit geval.Dat is een absolute ramp voor iedereen die zich daarin heeft geïnvesteerd. Want het ritueel is niet alleen nucleair voor de religie, maar de religie is weer nucleair voor de individuele gelovigen en uiteindelijk voor de samenleving die erop is gebaseerd. Want elke samenleving is uiteindelijk religieus gefundeerd, steunt ergens diep in de fundamenten op het Absolute. Zonder dat is nu eenmaal geen mens in staat zijn individuele en tijdelijke belangen en zorgen en vooral zijn eigen wil lang genoeg op te schorten om zich te voegen naar een gezamenlijk bestaan. Niet voor niks zeggen de vadertjes van het Tweede Vaticaanse Concilie in hun document over de Kerk: “Door deel te nemen aan het Eucharistisch Offer, bron en hoogtepunt van heel het christelijk leven, dragen zij het goddelijk Slachtoffer en met dit offer ook zichzelf, aan God op.” Dat gezamenlijke zijn moet een gezicht hebben dat het louter menselijke te boven gaat. Moet groter zijn dan een charismatische leider die er eventjes is en dan weer verdwijnt. Moet ook groter zijn dan een logische afspraak of een rationele filosofie. Want die zijn nu eenmaal zonder overstijgend fundament voor mensen niet uit te houden. En dan mankeert het ze aan identiteit en zelfvertrouwen en dat is een toestand die verwoestende uitbarstingen van onzekerheid voortbrengt.Onze voorouders wisten dit alles veel beter dan wij en waren allesbehalve gek toen ze hun bloed, zweet, tranen en centen investeerden in hun kerken en kathedralen. De toeristen die erin samendrommen hebben geen flauw benul dat heel die stenen symfonie draait om het opdragen van de Mis. Dat komt waarschijnlijk ook omdat die Mis niet veel indruk meer maakt. Ze werkt nogal eens als die rechtgezaagde appelboom waar ik het daarnet al even over had. Het paradoxale is, dat juist alle pogingen om haar toegankelijker te maken haar onverstaanbaar hebben gemaakt. Zó zakelijk en rationeel, zo verbaal en vol met lappen tekst dat alleen theologische experts er het wonder nog in kunnen onderscheiden. Anderen zien meestal een wat verveelde meneer in een gifgroene poncho die achter een keukentafel eindeloos staat te praten en op een gegeven moment even met een koekje zwaait. Dat alles terwijl de vijf mensen die voor de keukentafel zitten halfhartig oubollige teksten zingen op Poolse volksmelodietjes.Menselijkerwijs is de zaak hiermee verloren, en dus onze cultuur en onze leefwereld ook. Zonder Mis is zal er al snel geen westen meer zijn. De scheuren en spleten openbaren zich al overal. Het is de vraag of we daar wanhopig van moeten worden. Misschien is onze God gewoon moe en wil Hij naar bed. Om morgen, nieuw, weer op te staan.Of is dat helemaal nergens voor nodig en zetten we gewoon door? Beginnen we weer met onze cultus serieus te nemen, en daarmee ook onze kunst, onze muziek, onze literatuur en onze manieren? Niet om ze af te schermen en er anderen mee te slaan, even voor de helderheid, maar om gedeeld en gevierd te worden. Volgens mij kan dat nog steeds. Maar als we dat willen moeten we wel een gedegen en principieel antwoord hebben op de volgende vragen: Mag de grond van onze kerken weer heilig zijn, mogen onze priesters gewoon hun geheimpjes met God hebben en mogen de gelovigen gewoon weer verstaan in plaats van alles te moeten begrijpen?Of gaan we liever kapot dan toe te geven dat we eraf hadden moeten blijven?Zeg het maar. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
17
Wat is religie?
Er zijn van die vormen van zogenaamd christendom die je het liefst gisteren nog zou zien verdwijnen. Dat dacht burgemeester Hoes van Tilburg deze week nou ook. Hij hoorde dat de Frontrunners een dienst in zijn stad wilden houden. De Frontrunners zijn een club van van die typische fastfoodprotestanten Amerikaanse stijl die beweren met gebed mensen te kunnen genezen van allerlei ziekten. En ook van autisme en homoseksualiteit, klaarblijkelijk. Echt lekkere types. Gods onkruid, zullen we maar zeggen.Burgemeester Hoes had daar dan ook allemaal niet zo’n zin in, en meende een trucje te kunnen uithalen om die rare groep te weren. Het gebouw dat zij zouden gebruiken voor hun zogenaamde kerkdienst was geen officiële kerk maar een buurtcentrum met zalen. In het bestemmingsplan van een gemeente heeft zo’n gebouw een andere status dan een kerk. Ook waren voor de dienst kaarten verstrekt, zij het gratis, maar toch deed dit alles de burgemeester besluiten dat het niet om een kerkdienst ging, maar om een evenement. En evenementen vallen niet zomaar onder vrijheid van godsdienst. En kunnen dus om allerlei redenen verboden worden.De situatie draaide uit op chaos, de dienst werd door de politie onderbroken en hun voorganger Tom de Wal gearresteerd. Die genoot zichtbaar van de situatie en begon onmiddellijk de catacombenmartelaar uit te hangen. En met succes. Weliswaar waren er niet veel mensen die nou zo’n medelijden hadden met deze specifieke meneer en zijn volgelingen, maar wel vond men dat de godsdienstvrijheid geweld aan was gedaan. En dat doen we in dit land principieel niet.De burgemeester voelde zelf duidelijk ook nattigheid. Hij begon tenminste al vrijwel direct na het hele circus een terugtrekkende en verzoenende toon aan te slaan. Het riekt er met andere woorden naar dat iemand hem ondertussen heeft uitgelegd dat hij een bestuurlijke blunder heeft begaan. De uitkomst is op dit moment nog niet duidelijk, dus we zullen het zien.Het lijkt zo simpel. Wanneer is een bijeenkomst een religieuze plechtigheid en wanneer niet? Stel je voor: ik geef in een zaaltje in Groningen een lezing over mystieke theologie. Die gaat vanzelfsprekend over God. Want mystiek is het ontmoeten van God. Toch is die lezing daarom nog geen godsdienstige plechtigheid. Maar wat dan als ik afsluit met gebed?Wat als bijvoorbeeld een topvoetballer een kruisje slaat voor een wedstrijd en heel de tribune hem toejuicht? Gooit Femke Halsema dan de Amsterdam Arena op slot?En kan de gemeente trouwens eigenlijk wel besluiten wat een kerkgebouw is en wat niet? Want dat is toch eigenlijk een theologische kwestie. En wij hebben in Nederland een strenge scheiding van godsdienst en staat. Dus aan wie had burgemeester Hoes nou eens moeten vragen wanneer een bijeenkomst een kerkdienst is en wanneer niet?Aan de godsdienstwetenschappers van de universiteit! Dat is misschien een idee! Tilburg heeft niet voor niks de meest vooraanstaande katholieke theologische faculteit van het land, toch?Maar als hij dat werkelijk zou doen zou hij raar op de koffie komen. Dan zou hij namelijk van de heren professoren het volgende antwoord krijgen.‘Wij kunnen daar geen antwoord op geven omdat niemand weet wat religie is. Niemand kan je een werkbare definitie van het woord religie geven.Dat is toch wel raar. Religie is toch een begrip waar iedereen beeld bij heeft. Daar kunnen we het toch niet bij laten zitten. Er moet voor die arme burgemeester van Tilburg toch een antwoord mogelijk zijn?Kom op, ik vogel samen met jullie even uit wat religie ook alweer was. Want dat weten we toch stiekem allemaal? Of niet dan?Laten we voorzichtig beginnen en nog niet gelijk te veel invullen. Religie is iets dat zich spontaan manifesteert in groepen mensen. Dat is alvast iets. Ook kunnen we wel veilig naar het verleden kijken, want dat verandert niet meer en staat vast. Toch? Religie is iets dat altijd zo goed als alomtegenwoordig is geweest, kunnen we dan zeggen. Als archeologen opgravingen doen vinden ze vrijwel altijd sporen van gebouwen en voorwerpen en gewoonten die erop wijzen dat mensen veel energie en bezit investeerden in... nou, eigenlijk het weggooien en in brand steken en verspillen van energie en bezit. Ze bouwden een soort paleizen voor standbeelden die ze ook nog eten en drinken gaven. Of ze begroeven hun doden met een hele uitzet. Of ze gooiden hun kostbaarste spullen in moerassen. Sommigen van hen werden priesters en priesteressen en wijdden hun hele leven aan het uitvoeren van handelingen die geen praktisch nut hadden. Het lijkt erop dat ze probeerden iets ongrijpbaars of iemand met wie je niet op de normale manier een praatje aan kunt knopen een plaats te geven in hun dagelijks leven. Een belangrijke plaats zelfs.Enfin, als je goed hebt opgelet heb je al wel opgemerkt dat ik voortdurend woordjes als ‘vrijwel altijd,’ ‘bijna overal,’ en ‘zo goed als dit of dat’ gebruik. Ik ben de hele tijd aan het nuanceren en bijstellen. Hou dat even in gedachten.Goed: laten we eens een beginnetje van een definitie van religie proberen te bakken: ‘Religie is een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ Dat durf ik nog wel te zeggen.Maar zo laat ik ook wel veel weg. Ik laat zelfs, voor mijn gevoel, het belangrijkste weg. Stel je voor dat je zou moeten raden naar wat er bedoeld wordt met de omschrijving: ‘...een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ ‘Voetbal,’ zou je misschien zeggen. Of ‘ambtenarij!’Mijn definitie is dus zo incompleet dat ie volkomen waardeloos is. En we weten onmiddellijk wat eraan mankeert: goden en priesters en tempels en rituelen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.Zo dachten de beroemde onderzoekers op dit terrein in de negentiende en twintigste eeuw er ook over. Zij waren de eersten die probeerden academische definities van religie op te stellen, en kwamen allemaal precies met die elementen. De eerste die wordt genoemd is meestal de antropoloog Edward Burnett Tylor die in 1871 religie definieerde als ‘het geloof in geestelijke wezens.’Dat klinkt de meesten van jullie waarschijnlijk logisch in de oren. Duh. Alleen zijn volgens Tylors definitie een heel stel religies geen religies. Waaronder een paar toch best belangrijke. Zoals de meest klassieke vorm van theravada boeddhisme. Zeg maar Laos en Thailand en zo. Confucianisme, daoisme en zen. China en Japan zijn dus ook niet religieus, schijnbaar.Dat werkte dus niet en er kwamen nieuwe, verbeterde definities. De psycholoog William James schreef in 1902 over religie als ‘...de gevoelens, daden en ervaringen van individuele mensen in hun eenzaamheid als zij menen zich te verhouden tot wat zij dan ook maar als het heilige beschouwen.’Je ziet dat het al snel ingewikkelder wordt. Toen hij probeerde uit te leggen wat ‘dat heilige’ dan zou moeten zijn kwam hij uit op alles wat de mensen als een godheid behandelen, waarmee hij eigenlijk gewoon herhaalde wat hij al gezegd had.De meest invloedrijke figuur ooit op dit terrein was waarschijnlijk Émile Durkheim, een van de grondleggers van de academische sociologie, moge God het hem vergeven. Hij definieerde een religie als: ‘...een geïntegreerd systeem van geloofspunten en praktijken met betrekking tot heilige dingen, dat wil zeggen dingen die zijn afgezonderd en verboden. Allen die die geloofspunten en praktijken aanhangen vormen zich tot een enkele morele gemeenschap, een kerk.’Geen mirakel van literaire schoonheid, deze beschrijving, maar bovendien bleef er ook niet veel van overeind.De ellende is namelijk dat sinds al die definities zijn opgesteld, er massa’s antropologen en dergelijke over de wereld zijn uitgezwermd om zoveel mogelijk culturen in kaart te brengen. Die kwamen vervolgens met uitzonderingen op ongeveer elk element in elke definitie. ‘In de Siberische Taiga,’ zo beginnen ze dan, ‘leeft een stam die...’ Die stam blijkt dan wel gewoonten te hebben die wij als religieus zouden bestempelen, maar geen goden te hebben en ook geen geesten en geen priesters en zo verder en zo meer. Jij gaat dan vervolgens je definitie weer aanpassen, waarop zij met een zeevolk uit Polynesië komen dat zeker dingen doet die jij naar godsdienst vindt rieken, maar die niet passen in jouw beschrijving.Je zou, met veel hangen en wurgen, misschien tot zoiets kunnen komen als: ‘Het verschijnsel religie wekt de indruk een vorm van uitwisseling te willen zijn tussen mensen en een werkelijkheid die via de normale menselijke communicatiemethoden niet bereikbaar is.’Goed, ik begin alweer in drijfzand te lopen. Want wat is een normale menselijke communicatiemethode? Zijn godsdienstige rituelen geen normale menselijke communicatiemethoden? Mensen zijn rare, ingewikkelde beesten en dingen die mensen samendoen kun je niet zomaar meten met een apparaat of een gps-bepaling of zo. Je kan niet iemand een thermometer in zijn achterste steken en daar de intensiteit van zijn godsvrucht aan aflezen, als is zoiets wel geprobeerd. Daarom zijn er legio nogal ingewikkelde methoden uitgedokterd om er toch iets over te zeggen. Ik zou je die uit de doeken kunnen doen, maar ik begin nu al te gapen.De ster die op dit moment nog eventjes het helderst schijnt aan het firmament van dit soort onderzoek is een Amerikaanse antropoloog met de welluidende naam Clifford Geertz. Ik lees je zijn definitie nog even voor, juist om je te laten zien hoe dit alles uit de hand loopt, en daarna gaan we naar een meer praktische benadering voor onszelf op zoek. Daar gaat ie, Clifford Geertz:‘Religie is een systeem van symbolen dat ertoe werkt krachtige, alomtegenwoordige en langdurige stemmingen en drijfveren in mensen te vestigen, door opvattingen te formuleren over een algemene orde van het bestaan en deze opvattingen te bekleden met een zodanige schijn van feitelijkheid dat die stemmingen en drijfveren zich als bij uitstek werkelijk voordoen.’[1]Je merkt al wel dat de goede man niet onbevooroordeeld is ten opzichte van zijn onderwerp. Het klinkt bijna als een complottheorie. Een hele wollige, slaapverwekkende complottheorie, dat wel.Ik wil, zoals ik al zei, weg uit deze fuik. Want ik weet heel goed wat ik met het fenomeen religie bedoel, en ook wat ik er wel en niet mee wil. Zodoende neem ik mijn toevlucht tot een oude woestijnvaderstruc. Die zegt: sla de satan met Beëlzebub, oftewel: ga het probleem te lijf met zijn eigen wapens.Daarom grijp ik maar even naar het werk van een andere coryfee van de godsdienstwetenschappen: Talal Asad. Hij zegt, ik parafraseer het maar even, dat religie een westers, christelijk, Europees etiket is dat je alleen in de Europese culturele ruimte zonder ongelukken kunt gebruiken.Natuurlijk niet omdat de ervaring die het beschrijft elders niet bestaat, maar omdat die ervaring verder nergens op die manier als iets afzonderlijks van de rest van de cultuur wordt beschouwd. Het woord ‘religieus’ heeft alleen zin als er ook een woord ‘seculier’ bestaat dat doelt op een bereik waar al het godsdienstige geen directe, formele macht heeft of zou moeten hebben.Welnu, het ‘seculiere’ is een uitvinding van het christendom. Daarbuiten heeft het nooit bestaan, en het blijkt ook lastig te exporteren. Mensen uit andere culturen snappen gewoon niet waar je het over hebt. En dat is ook niet zo vreemd als we nog eens beter kijken naar wat de wortel ervan is.Talal Asad schrijft het idee van ‘het seculiere’ specifiek toe aan het protestantisme en de verlichting en nog een paar van die typische lievelingsdingetjes van de intelligentia van de vorige eeuw.Hij maakt het alleen veel te ingewikkeld. In werkelijkheid is ‘het seculiere’ een uitvinding van Jezus Christus, of anders van een van zijn evangelisten die Hem het idee in de mond heeft gelegd.Bij Mattheüs, Marcus en Lucas zegt Jezus: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.’ Johannes maakt het nog bonter. Als Jezus helemaal tot pulp geslagen en met doornen gekroond voor Pilatus wordt neergezet vraagt die Hem naar zijn koninkrijk. Dan zegt Hij:‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben en hebben voorkomen dat Ik zou worden uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet van hier.’Dit alles heeft voor zowel de praktijk als de betekenis van deze hele problematiek natuurlijk verregaande consequenties. Want als het onderscheid tussen religieus en niet-religieus een uitgesproken christelijke manier van kijken is, zou de staat zich daar volgens haar eigen principes helemaal niet mee bezig mogen houden. Als zij bepaalt wat wel en geen kerk is gedraagt zij zich impliciet als een religieuze autoriteit. Een christelijke autoriteit, zelfs.Aan dat dilemma ontsnappen kan de staat niet, want ook haar eigen heilige principes zijn precies dat: heilig. Het idee van de scheiding van Kerk en staat is fundamenteel christelijk.Goed, religie is dus een westers begrip dat christelijke wortels heeft en alleen in de westerse context zin heeft. En waaraan in het westen ook niet te ontsnappen valt, duidelijk. Maar wat ís het nou eigenlijk? Want daar zijn we nog steeds niet uit.Mijn persoonlijke mening is dat religie stiekem een werkwoord is, en dat het slaat op het rituelen voltrekken. Religie is dus volgens mij synoniem met liturgie.Waarom daarover een hoop mensen boos zullen worden en wat dat allemaal betekent leg ik de volgende keer uit.[1] C. GEERTZ, Religion as a Cultural System, in ID., The Interpretation of Cultures, New York, Basic Books, 1973, 87–125, hier 90. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
16
Geloven in een sprookje
Door alle Bijbelverafgoding waar we mee te kampen hebben - daar heb ik het eerder al eens over gehad - is het lastig om nog onbevangen bezig te zijn met de Heilige Schrift. Dat is jammer, want die zit toch wel degelijk vol heerlijke geheimen en kan zelfs letterlijk betoverend zijn. Daar kun je alleen nauwelijks nog je mond over opentrekken zonder dat mensen al gelijk weer een lichtgroene teint krijgen en om een spuugbakje vragen. Voor de schoonheid en de heiligheid van de Bijbel zijn er bijna geen woorden meer te vinden die nog niet besmet zijn met de sfeer van het akelige, en meestal onoprechte gedweep ermee waar je overal tegenaan loopt. Daarom neem ik, om er tóch iets over te kunnen zeggen, mijn toevlucht tot dat ándere beroemde heilige boek. Ik bedoel natuurlijk ‘Het oneindige verhaal,’ van Michael Ende.Het ‘Oneindige verhaal’ verscheen in 1979 en is een fantasy-boek. Het werd voor kinderen geschreven, maar de schrijver ervan was dermate briljant dat het ook voor volwassenen boeiende kost is.Het speelt zich af in twee werelden. De onze, waarin wij leven en die wij maar al te goed kennen, en een andere, die Fantasia heet en die in feite opbloeit uit onze verbeelding. Traditioneel wordt het boek daarom uitgegeven in twee kleuren letters, donkerblauw en roestbruin.Het verhaal begint in die roestbruine letters, en die vertellen wat er gebeurt in ónze wereld. Die waarin je elke dag je sokken aantrekt. Ze vertellen over Bastiaan, een dromerig jongetje dat veel te dik is, tenminste dat vinden de kinderen op zijn school. Niemand wil met hem bevriend zijn, en hij wordt gepest en geslagen. Op een regenachtige dag is hij weer eens op de vlucht voor een stel agressieve pestkoppen en duikt hij een winkel in om zich voor hen te verstoppen. Die winkel blijkt een antiquariaat te zijn, een winkel voor tweedehands boeken. Daar krijgt hij een plotselinge opwelling en steelt een geheimzinnig boek. Hij weet er ongezien mee weg te komen, maar daarna weet hij niet waar hij naartoe moet. Hij sluipt de school binnen waar hij in de les had moeten zitten en verstopt zich op de zolder. Hij installeert zich op een berg oude turnmatten begint te lezen. Vanaf daar gaat het verhaal verder in de donkerblauwe letters.Die vertegenwoordigen de tekst ín het geheimzinnige boek. Dat is enorm, gebonden in rood fluweel en versierd met een ovalen medaillon op de voorkant. Dat draagt de titel ‘Het oneindige verhaal’ en wordt omkranst door twee slangen die elkaar in de staart bijten. Het boek gaat over het rijk Fantasia, dat oneindig is en zonder grenzen, maar toch een middelpunt heeft.In dat middelpunt staat een ivoren toren waar ‘de kleine keizerin’ woont, een geheimzinnige oerkracht in de gestalte van een jong meisje. Fantasia, dat bevolkt wordt door alle fantasiewezens die je je maar voor kunt stellen - feeën en vampieren, trollen en dwaallichten, dwergen en reuzen ezovoort - is in gevaar. Overal wordt het land aangevreten door plekken waar niets meer is. Geen donker, geen grijs, geen verrotting, maar gewoon helemaal niets. Naar later blijkt komen alle fantasieën die in Fantasia door dat niets zijn opgeslokt, plaatsen en gebouwen, maar vooral wézens, in de roestbruine mensenwereld terecht. Maar niet als zichzelf, maar als leugens. Geperverteerde fantasieën dus.Dat alles blijkt te komen omdat de kleine keizerin ziek is. Dat overkomt haar eens in de zoveel tijd, en ze kan alleen worden genezen als ze een nieuwe naam krijgt. Maar die kan dan weer alleen een kind uit ónze wereld haar geven. Een kind omdat alleen een kind nog fantasieën heeft waar geen spoortje onwaarachtigheid kleeft. Een kind uit ónze wereld omdat alle wezens van Fantasia zelf fantasieën zijn en fantasieën kunnen niet fantaseren. Dat snapt een kind.De bewuste redder blijkt deze keer natuurlijk onze antiheld uit het roestbruine gedeelte van het boek te zijn, Bastiaan, de verlegen, dikkige jongen op de zolder van zijn school. En hij stelt niet teleur. Halverwege het boek geeft hij de kleine keizerin inderdaad een nieuwe naam. En dan gebeurt het ongelooflijke.Ten eerste wordt natuurlijk het rijk Fantasia genezen en vernieuwd. Maar ook wordt Bastiaan zelf het boek in gezogen. Aan het einde van het liedje is niet alleen het land van de fabels gered en de kleine keizerin genezen, maar ook Bastiaan zelf een heel stuk volwassener en zelfverzekerder geworden.Ik denk eigenlijk niet dat Michael Ende de Bijbel in zijn achterhoofd had bij het schrijven van het Oneindige Verhaal. Dan zou het waarschijnlijk ook nooit zo’n mooi boek zijn geworden, want opzettelijke allegorie en alles wat daarop lijkt wordt meestal vreselijk saai. Toch pakt de gelijkenis mij elke keer weer bij de strot.Het boek dat Bastiaan uit het antiquariaat stal bleek uiteindelijk te zijn bedoeld om letterlijk binnen te gaan, in te kruipen. Daardoor veranderde niet alleen Bastiaan, maar ook het boek zelf. De ziel ervan kreeg een nieuwe naam en heel de wereld die erin besloten lag bloeide opnieuw op.Dat is precies wat er ook met de Bijbel aan de hand is. Die is niet gemaakt om de mensenwereld in amber te gieten en op te sluiten in een staat van onveranderlijkheid. Ook niet om zelf in amber te worden gegoten. Om als een kostbaar afgodsbeeld in een vitrine te worden geconserveerd en daar verder tiranniek te liggen zijn.Mits de Bijbel wordt aangenomen op de manier zoals hij bedoeld is, kan hij dienen als een soort poort naar Gods eigen ivoren toren en Gods eigen kleine keizerin. Want Gods eigen Fantasia hoeven we niet meer te zoeken: daar wonen wij al. Wij zijn er geboren en gaan er dood. Wij trekken er elke dag onze sokken aan. Maar de schoonheid ervan en het schaterende plezier waarmee God het in al zijn kinderlijke onbevangenheid heeft geschapen kunnen we er maar heel af en toe in terugvinden. Want net als het Fantasia in het boek van Michael Ende is ook het rijk waar wij wonen ziek. Een grijze wezenloosheid grijpt overal om zich heen. Die noemen we in onze traditie ‘zonde’ maar als je daar teveel mee bent doodgegooid is gewoon ‘wezenloosheid’ ook een prima woord.Wezenloosheid vreet daar om zich heen waar je de schoonheid en de waarheid en de goedheid van de wereld en de mensen om je heen niet meer ziet. Als je geen dankbaarheid meer voelt, maar in plaats daarvan ontevreden honger.Toen de wereld net geschapen was, en de mensen ook, kregen zij van God de taak alles een naam te geven. Met andere woorden: om zich over alles te verwonderen en daar stem aan te geven. De gave van de schepping werkelijk aan te nemen.Het lijkt erop dat onze wereld nu weer een nieuwe naam nodig heeftEerder is de Bijbel bedoeld als brandstof voor onze reis naar de sterren, naar het rijk Gods. Niet voor niets wordt Gods woord overal in de Bijbel gegeten. In het Oude Testament door Ezechiël en Jeremia, en in het Nieuwe Testament door Johannes.Nou is het zo dat wat je eet deel gaat uitmaken van je eigen wezen, van je eigen wereld, van je bestaan hier en nu. Maar daarvoor moet het wel ook worden verteerd. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt het geen vrucht voort. Daarom moet ook de Bijbel worden geconsumeerd om geen afgod te worden.Als we de Bijbel niet langer een Onding willen laten zijn zullen we er anders mee om moeten springen. De tegenstrijdigheden erin niet verdoezelen, maar vieren als een uitnodiging om er vrij mee om te springen. Teksten die in het jaar driehonderd voor Christus geschreven zijn niet behandelen alsof hun geldingskracht hier en nu onveranderd zou kunnen zijn. De geestkracht die erin besloten ligt moet eerst door ons eigen bewustzijn worden getransformeerd om in onze wereld de creativiteit te kunnen dienen. Moet worden gegeten en gedronken om te kunnen spreken op zo’n manier dat er licht uit bloeit in plaats van verstarring.Ten eerste kun je dat doen door niet alleen de Bijbel zelf te lezen, maar ook de verhalen en ideeën die de traditie daar later op heeft laten groeien. Het hoogtepunt van het christelijke voorstellingsvermogen tot nu toe ligt helemaal niet in de Bijbel. Dat is maar goed ook! Stel je voor dat je deel uit moet maken van een beschaving die tweeduizend jaar geleden al gepiekt zou hebben. Wat moet je hier dan nog? Lees dus de werken van de grote mystici, geniet van de kunst van Rafaël en Fra Angelico en ja, ook van die van de neogoten en zoeteplaatjesbakkers. Alles heeft zijn tijd en plaats. Laat je meevoeren door de muziek van Palestrina en de Gregoriaanse gezangen en de wonderlijke Hildegard.Maar vooral: zoek een plaats waar de liturgie, dus het rituele vieren van de Kerk, nog echt wijding en mysterie mag zijn. Het meest kostbare wat we op dat terrein hebben is de zogenaamde ‘Oude Mis,’ maar die is vaak ontoegankelijk, zelfs waar ze gevierd wordt. Dat komt omdat ze vaak wordt opgedragen in extreem conservatieve en door politieke bijzaken gedomineerde gemeenschappen. In een monastieke setting heb je nog de beste kans daarvan verschoond te blijven, maar zo’n situatie doet zich in Nederland eigenlijk alleen ergens in het uiterste noordpuntje van Groningen voor. Daarom is het soms beter om een kerk te zoeken waar de moderne liturgie op een klassieke manier wordt gevierd. De abdij van Vaals is daarin de absolute kampioen, maar veel grote steden hebben ook wel een kerk waar dat gebeurt. Het is soms even zoeken, maar van levensbelang als je echt iets van Gods Woord wilt begrijpen. Want dat is geen boek, maar een Persoon. En Hij wacht niet op jou als een vlinder geplet tussen vellen papier, maar in de gestalte van de Sacramenten in de Kerk. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
15
Epifanie
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
14
Wanneer alles Winter wordt
This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
13
Heden is u de Verlosser geboren!
Vier weken hebben we zitten uitkijken naar de geboorte van de Verlosser. Advent, noemen we dat. We hebben, in het donkerst van het jaar, langzaamaan toegeleefd naar het moment dat het licht de nacht zou breken. Of nou ja: langzaam. In November was er al niet meer aan de lichtjes en de ballen te ontsnappen. De goede Sinterklaas is gekomen en gegaan met zijn zak en zijn pakjes, net als de heilige Lucia met haar kaarsenkroon. Zoals meestal is het ook dit jaar niet gaan sneeuwen, maar vriezen doet het wel. Dat helpt bij het krijgen van een kerstgevoel, hoe onnozel dat ook is. En, toch nog weer sneller dan verwacht is het dan kerstmis.Een stelletje sjofele herders krijgt Hem het eerst in de gaten, omdat een legermacht van engelen ze nuchter dronken heeft gevoerd met hemelse muziek. ‘Heden is U de Redder geboren!’ Betoverd hebben ze hun schapen bij elkaar geroepen en zijn ze naar Bethlehem gegaan. En daar is Hij dan, die Verlosser, die Redder, die Heiland. In een stal, in een voederbak voor de beesten.Een Kindje zoals alle andere kindertjes, eigenlijk, hebben die herders misschien wel gedacht. Een beetje kreukelig nog, ook. Vreselijk breekbaar tevoorschijn gekomen in een levensgevaarlijke wereld die je eigenlijk beter kunt vermijden, meestal.Maar dat heeft Hij dus niet gedaan. En zal Hij ook later niet doen. Heden is U de Redder geboren.Hij had niet hoeven komen. Hij had ook in het licht kunnen blijven, boven de wolken en achter de maan, waar er niet gehuild en niet geleden wordt. Per slot van rekening was het niet zíjn fout dat de wereld zo donker en lelijk was geworden. Wat kon Hij eraan doen?Hij kon er geboren worden, duidelijk, en dat was precies wat Hij deed. Hij kon er aanwezig zijn, niet wegblijven, niet wegkijken, niet wegkruipen in zijn eigen behaaglijke veiligheid.En dat is vriendelijk van Hem, maar wat moeten wij ermee. Hebben we dáár nou zo lang naar uitgekeken, hebben we dáár onze hoop op gesteld? Is dát onze Redder? Een frommelig baby’tje dat net zo hard poept en blèrt als alle andere. Natuurlijk is het wel lief en schattig, maar dat zijn ze allemaal, in het begin.Je stelt je bij een goddelijke reddingsbrigade toch wat anders voor. Gered worden is sowieso een beetje een onduidelijke toestand in dit geval. Want In sommige situaties is gered worden een uitgemaakte zaak. Als je aan je vingernagels aan een dakgoot hangt en er komt iemand met een ladder aanrennen ben je maar wat blij. Of als je je net heerlijk hebt laten gaan op een wc waar dan vervolgens geen wc-papier meer blijkt te hangen. Een hele opluchting als er dan iemand, waarschijnlijk grinnikend, een nieuwe rol aanreikt door het kiertje van de deur. Net zo voor situaties met liften die vastzitten, brandblussers en reddingsboten. Acute situaties met acute oplossingen, sommige ernstig, andere niet, maar het is duidelijk wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren.Maar het is niet zo’n soort redding die de pasgeboren Redder komt brengen. Voor wie heel de werkelijkheid is scheefgelopen is er een totaal ander soort redding nodig. Waar er door verbittering, verslaving, trauma, chronische teleurstelling of verzuring een hele andere wereld is ontstaan dan die, die je je had voorgesteld. Waar het moeilijk is om je kinderlijke blik te bewaren, niet te verharden en te verdrogen en cynisch te worden.Dit kleine Reddertje moet je niet zien als een ambulance met zwaailichten of een ladder met een brandweerman. Dit kleine Reddertje is meer zoiets als een zaadje dat in een donkere winternacht in een kale doodse wereld in de aarde valt. Dit is een Redder die redt door er gewoon te zijn. En dat is tegelijk ook het enige dat Hij echt van óns vraagt. Er gewoon te zijn. Om te redden, maar ook om ons te láten redden en om ons daarover te verwonderen.Want zo moeilijk hoeft het allemaal niet te zijn. Het kan al in het piepklein gebeuren. Zoiets als een onverwacht vriendelijke opmerking die iemand maakt, en die in eerste instantie niet zoveel lijkt voor te stellen. Maar die dan langzaam maar zeker je hele stemming laat opklaren. Als je het wil zien.Zoiets als een oplossing die nog vlak onder je gedachten rijp ligt te worden, maar die je toch al aan voelt komen. Lijkt niks voor te stellen, is ook nog niks, maar wordt vrijwel zeker wat. Als je het wil zien.Zoiets als het breken van de koorts als je flink ziek bent. Lijkt niks voor te stellen, je kan het moment niet eens precies aanwijzen. Je bent ook nog lang niet beter, maar al het onbehagen dat er nog is wijst naar beter worden in plaats van beroerder. Als je je eraan overgeeft.Het kleine Reddertje in de stal van Bethlehem is het teken van dat soort redding, de redding die groeit uit aandacht. Hij is zoiets als het zaadje van de hoop. De hoop op een nieuwe wereld die er nog niet is, maar stiekem ook al wel, als je het wil zien. Er ligt nog een pak sneeuw overheen, en het is ook nog lang geen april, maar in het verborgene ligt de warmte van het nieuwe voorjaar al te flonkeren. Als een sterretje dat uit de hemel is gevallen om ons een Reddertje te worden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
12
De verzuchting in je hete kern
Lezing uit de eerste brief van de heilige Paulus aan de christenen van Korinthe (4, 1-5)1 Zó moet een mens ons beschouwen: als helpers van Christus en uitdelers van geheimenissen van God.2 Welnu, onder uitdelers wordt slechts vereist dat men betrouwbaar blijkt.3 Mij maakt het bijna niets uit dat ik door u word geoordeeld of door enige menselijke instantie; ik beoordeel ook mijzelf niet;4 want ik ben mij van niets bewust, ik ben daardoor echter niet gerechtvaardigd; maar die over mij oordeelt is de Heer.5 Oordeelt dan niet vóór de tijd, totdat de Heer komt, hij zal ook aan het licht brengen wat verborgen is in het duister en de overleggingen der harten openbaar maken; en dán zal aan een ieder de lof toekomen van Godswege.Uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (3, 1-6)1 In het vijftiende jaar van de heerschappij van Tiberius Caesar -als Pontius Pilatus heerst over Judea, Herodes viervorst over Galilea is, zijn broer Filippus viervorst is van Iturea en de streek van Trachonitis, en Lysanias viervorst van Abilene is,2 onder heiligdomsoverste Annas, en Kajafas- geschiedt het woord van God aan Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.3 Hij komt tot heel de streek van de Jordaan, predikend een doop van bekering tot loslating van zonden,-4 zoals geschreven is in de boekrol van de uitspraken van Jesaja de profeet: ‘de stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt recht zijn paden!-5 elke kloof moet worden gevuld en elke berg, elke heuvel geslecht; de kronkelingen rechtgetrokken en de barre wegen vlak gemaakt:6 alle vlees zal zien de redding door God!’ (Jes. 40,3-5)PreekWaar wachten wij eigenlijk op? Niet alleen in de Advent, maar als christenen in het algemeen? Want is de portée van het hele christen zijn niet dat je wacht op Christus? Dat je Hem verwacht? Wat is een christen? Iemand die Jezus verwacht.In iedere menselijke ziel schuilt een heiligdom. Bij een christen is dat heiligdom vol van maar één gebed: kom, Heer Jezus, kom, mijn ziel heeft dorst naar jou.Betekent dat dan dat wij bestaan uit een stelletje idioten dat uit een antiek pak papier de aankomstdatum van een soort buitenaards wezen probeert te berekenen? Nee. De waarheid is dat wij over de details van Jezus’ komst geen flauw idee hebben. ‘Gij zult de Mensenzoon zien komen op de wolken des hemels met zijn engelen,’ horen we Hem zeggen. Sommige mensen menen dat heel letterlijk te kunnen nemen. Die vergeten dan weer dat Hij elders zegt dat je op die jongste dag overal ter wereld, waar je ook bent, die komst van Hem zal kunnen meemaken.“Als men u dan zegt: Zie, Hij is in de woestijn — gaat er niet heen;zie, Hij is in de binnenkamers — gelooft het niet.Want zoals de bliksem uitgaat van het oosten en zichtbaar is tot het westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.”Tenzij Hij alle dimensies door elkaar zal roeren of zichzelf door de kopieermachine zal trekken tot het zwart ziet van de Jezussen zal de werkelijkheid toch wel subtieler in elkaar zitten dan de fantasieën van Amerikaanse evangelicalen. En sommige valse Mariaverschijningen, zou ik daar nog aan toe moeten voegen.Hoe dan ook zal Jezus je niet voor niks laten wachten. Ook niet als het einde der tijden pas komt lang nadat jij bent gestorven. Hij komt je precies tegemoet in dat kleine heiligdom in je ziel, waar de Geest van God smeekt met onuitsprekelijke verzuchtingen: kom, Heer Jezus, kom!Het is ook precies daarom dat Johannes ons oproept de bergen te slopen en de sloten te dempen zodat de Heer vrij baan heeft bij zijn komst.Dat wordt meestal nogal nauw moreel geïnterpreteerd. Wij moeten brave jongens en meisjes zijn, anders slaat hij ons huisje over en moeten we in de zak naar... o, wacht, dat was die andere komst. Die hebben we al gehad.Natuurlijk maakt het deel uit van ons open staan voor God dat wij niet vol egoïsme zitten, niet alles en iedereen ondergeschikt maken aan onze platte begeerten. Daarbij maakt het niet uit of die begeerten financieel, seksueel of in bredere zin emotioneel zijn. De begeerte om serieus te worden genomen, te worden geëerd, te worden geraadpleegd en te worden gehoorzaamd is uiteindelijk precies dezelfde als de lust naar lichamelijke of materiële bevrediging. Het heeft allemaal te maken met een schreeuwende behoefte aan voltooiing en geborgenheid. Veilig zijn en geaccpeteerd worden.Maar als je je veiligheid en je bevestiging verwacht van dingen en mensen en geld en plezier verwacht je die automatisch niet van de liefde zelf. De komende Jezus. En dan zit je deur op slot, net als die van de bruid van het hooglied. Die liep al ik weet niet hoeveel coupletten te kwelen naar haar beminde. O, o, wat hield ze van die man. En, kijk aan: in een zekere nacht stond hij voor haar deur en fluisterde haar toe door het sleutelgat. En zij was te beroerd om haar nest uit te komen om voor hem open te doen. Daarna moest ze ik weet niet wat trotseren om het weer in orde te krijgen. Niet zij die zomaar roepen: ‘Heer, Heer!’ beërven het koninkrijk der hemelen.Het openstaan en verwachten en zuchten naar Christus is niet zomaar moreel. Het is ook niet zomaar esthetisch of zomaar emotioneel. Het is niet zomaar seksueel, laat staan intellectueel. Het is universeel. Het maakt je hele wezen uit. Je bent hier op aarde om met alles wat je bent, met heel je belevingswereld en alles en iedereen verenigd en nieuw te worden gemaakt in Hem.Hoe dat kan heeft Hij al eens voorgedaan. Wie het Koninkrijk wil beërven moet worden als een Kind. Onvoorwaardelijk hier en nu aanwezig en bereikbaar. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
11
Hoe krijg ik mijn kerstgevoel op gang?
Het is zo ongeveer twaalf graden boven nul en vooral drijfnat. Het is ook al half december geweest, en we verlangen zo langzamerhand naar een beetje kerstgevoel. We hebben de halve ballen- en lichtjesafdeling van de Intratuin naar binnen gesleept, draaien de godganselijke dag kerstdeuntjes en eten alleen nog stamppotten en dingen met speculaaskruiden erin. En toch wil dat kerstgevoel maar niet opkomen. Waar doen we het eigenlijk allemaal nog voor?Voor veel van ons duurt de winter gewoon te lang. Weliswaar wordt het nooit écht koud, maar er is een soort eindeloze herfst ontstaan. Alsof het van november tot april altijd maar gewoon, eeh, november blijft. Gíng het maar gewoon eens lekker vriezen, daar knapt een mens van op. In plaats daarvan regent en waait het vooral veel, en zitten we binnen een beetje te verzinnen hoe we ons eens zullen vermaken. Dat komt in de praktijk meestal neer op zitten te pielen op je telefoon terwijl de muggen om je hoofd zoemen. In december.Precies daarom doen we waarschijnlijk zo’n moeite voor kerst. Precies daarom hebben we er zo’n honger naar en zo’n zin in. Precies daarom zijn de lichtjes en de ballen niet aan te slepen en is er een acute uitbraak van verlichte rendieren en knipperende pegelgoten. Wij sterven niet zo zeer meer aan oorlogen en pandemieën als wel aan de verveling. Het is niet het duister dat ons dreigt, maar vijftig tinten grijs.Daar is ten eerste internetgrijs. Internetgrijs ontstaat wanneer er zóveel geuren en kleuren door elkaar geroerd worden dat ze eindigen in grijs, net zoals de pluis die nadat je de gekleurde was hebt gedraaid in het filter van de machine achterblijft. Dat grijs draag je bovendien met je mee, door de kleine tiran in je broekzak.Verder is er sociaal grijs. De meesten van jullie kunnen het zich waarschijnlijk nauwelijks herinneren, of je was gewoon nog niet geboren, maar nog niet zo lang geleden liepen mensen spontaan bij elkaar binnen en belden elkaar spontaan op. Nu maken we dagen en soms weken van tevoren een afspraak om het gezellig te hebben, alsof we naar de tandarts gaan. Dat wordt op de een of andere manier toch nooit hetzelfde. Maar we hebben het zoveel drukker dan de mensen vroeger met... ja waarmee eigenlijk?Dan is er nog het creatieve grijs. We hoeven niks meer te maken omdat alles te koop is. Een trui van de Zara zit strakker in elkaar dan eentje die je zelf gebreid hebt en pakt meestal nog goedkoper uit ook. Een kippenhok timmeren hoeft ook niet meer, dat haal je je gewoon bij de Welkoop of zo. Zingen en muziek maken is ook een hoop moeite voor niks, want dat kan Adèle beter, en die is elk moment beschikbaar, overal. Tekenen en schilderen dito: daar wordt elektronisch in voorzien en dat is ook nog beter voor het milieu en je hebt er geen rotzooi van in huis.Naar buiten, dan maar? Even weg van de telefoon en het eindeloze entertainment? Maar buiten is het grijs, het regent en er is niks te zien. De bomen zijn kaal en het gras heeft de grijsgroene kleur van boontjes uit een potje in de supermarkt.Maar gelukkig is er dus kerst. Het mag dan wel te warm zijn, maar donker is het wel en binnen kun je het zo decemberig maken als je wilt, toch? Dus proppen we ons hele huis vol zilverglas en dennentakken.Maar we voelen er niks bij, nogal eens. Het kerstgevoel ontsnapt ons net zoals een naam die je voor op de tong ligt maar toch niet kan zeggen. Of iets wat je aan de zijkant van je blik steeds heel even meent te zien, maar toch niet scherp in het vizier kunt krijgen. Al die kerstmaatregelen die je hebt genomen - ballen, lichtjes en speculaas - lijken de onkerstigheid van je stemming, en trouwens van je hele wereld - alleen maar te onderstrepen.Goed, genoeg geklaagd. Wat gaan we eraan doen?We beginnen met het weer. Daar is niks aan te doen. Beter opletten is het enige dat ik kan verzinnen. Want die zes maanden november zijn maar schijn. Ook als de winter niet de sneeuw brengt die je van hem verwacht brengt hij misschien stiekem wel dingen die je níet verwacht. Dus toch maar gewoon het bos in en fietsen in plaats van met de auto. Want ook die eindeloze regen is meer een idee dan een werkelijkheid.Dan het probleem van het benauwende internetgrijs. Veel van mijn collega priesters dringen erop aan maar eens streng te gaan internetvasten. Dat klinkt heel verstandig - en dat is het ook - als je het kunt opbrengen. Maar dat kunnen de meesten van ons helemaal niet. Want we zijn ermee vergroeid. En niks is zo frustrerend als mislukte goede voornemens. Krijg je geen kerstgevoel van.Maar misschien is er een gulden middenweg? Vertraging in plaats van vasten? We wéten dat het niet het héle internet is, maar dat het een paar hele specifieke sociale media zijn die ons het meest verslaven en onze aandacht wegvreten. Misschien zou je alleen díe de nek om kunnen draaien en dat gewoon vol kunnen houden. Want ze zijn net zo dodelijk voor jouw kerstgevoel als koning Herodes voor het Kindje Jezus. Ik noem geen namen, we weten allemaal welke het zijn.En dan verder eens dingen gaan doen die erop gebaseerd zijn dat er iets geboren moet worden. Dat je moet bevallen van iets. Want dat is wat kerst uiteindelijk ís. Dat midden in het donker - of de grijsheid - er iets in de wereld verschijnt dat nieuw licht en nieuwe hoop brengt. En die vallen niet uit de hemel neer en worden ons niet van buiten opgedrongen.Dat God is ménsgeworden in het Kindje Jezus betekent juist dat het licht en de blijdschap worden geboren uit de wereld zélf. Uit jou, om precies te zijn. Je hoeft het heil niet van elders te verwachten: je draagt het zelf al in je mee. Je loopt het alleen voortdurend voorbij.Goed, even pas op de plaats. Als je het ware kerstgevoel wilt krijgen, dus als God in jou Mens moet worden, moet je eerst weten wie die God is. Anders kun je persen totdat je blauw aanloopt, maar dan is frustratie het enige dat je tevoorschijn krijgt. Gelukkig is het helemaal niet moeilijk om te weten wie God is, want daar hebben we de traditie voor. En die zegt drie dingen over God: God schept, God redt en God maakt één.Aspect één: God schept. Dus jij ook. Dat Maria Carey en Adèle beter kunnen zingen dan jij is vast waar, maar doe het toch maar. Maak muziek. Of teken of schilder of brei, in godsnaam. Schrijf een kerstverhaal, timmer een tuinbank. Hoe dan ook: maak iets. Het mag nuttig zijn, maar daar mag het niet om gaan. Maak niet iets omdat je het nodig hebt, maar omdat je een Maker bént. Een Schepper bént. Maak om te zijn, niet om te maken.Aspect twee: God redt. Dus jij ook. Niet door in een soort schaatspak met een cape door de lucht te vliegen en ontsporende treinen te stoppen. Dat lijkt me niet erg realistisch. Ook niet door zieken te genezen door handoplegging of geld op de bankrekeningen van goede doelen te storten. Dat laatste moet je misschien wel doen, maar dat is té abstract om je ervan te doordringen dat je bent gemaakt om een redder te zijn. Dat doe je vooral door de behoeften van mensen om je heen te zien en daar iets op te ondernemen. In onze samenleving is dat vaak vereenzaming en verveling.Misschien gaat het dan om mensen op leeftijd of mensen die gewoon sociaal niet zo handig zijn en buiten de boot vallen. Het is niet nodig om specifiek op zoek te gaan naar mensen om te redden. Ze doen zich vast en zeker spontaan aan je voor. Meestal zijn het namelijk net zulke mensen als jijzelf. Doorsnee mensen met doorsnee angsten en verlangens en vooral: doorsnee verveling. En jij hebt weliswaar geen spandex superkrachten maar wel één superkracht die daar ver bovenuit stijgt: aandacht en aanwezigheid. Superman is er niet, jij bent er wel. Dat maakt jou de gegarandeerde winnaar. Je kunt die aanwezigheid in Tiktok investeren. Je kunt ook iemand ontmoeten. En redder zijn.Aspect drie. Verenigen. God maakt één. Om God de Vereniger op aarde te zetten komt er wel meer kijken dan die andere twee. Het begint bij zelf mensen vergeven. Dat klinkt makkelijk, maar dat is het soms niet. Wel als het gaat om mensen die je gewoon een keer goed op je bord hebben gescheten. Vervelende mensen. Irritante mensen. Die zijn fantastisch om je vergeefcapaciteiten op te oefenen. En dan mag je ook best van jezelf verwachten dat dat zo’n beetje lukt, ook. Maar er zijn ook mensen die écht kwaad te vergeven hebben. Van die mensen kun je dat niet eisen. Het is letterlijk een godsgenade als ze dat tóch lukt.Maar verenigen eindigt niet bij vergeven. Ook het samenbrengen van mensen en het bewaren van de goed sfeer hoort daarbij. Juist met kerst vinden mensen dat vaak een enorme uitdaging. En dat is het ook, omdat we getraind zijn sensatie te zoeken in plaats van te relativeren. Verontwaardiging te voeren in plaats van te dempen. Overal een mening over te hebben in plaats van ons te beperken tot dingen waar we ook echt verstand van hebben. Op die drie punten eens een andere koers kiezen levert wonderlijke resultaten op.En dan kalmeert misschien de storm van grijzigheid in je hoofd, het flikkerende duister en de lawaaierige verveling. Misschien klaart het nét genoeg op om de ster te zien schitteren die je bij je kerstgevoel brengt. Misschien ook niet. Dan prop je je gewoon vol met kerstkransjes en overgebleven pepernoten en tiktok je je tussen de muggen helemaal suf terwijl je ondertussen je familie uitscheldt. Even later is kerst gewoon weer voorbij en groeit het voorjaar. En volgend jaar probeer je het gewoon opnieuw. Leven is leren. In de hemel rusten we uit. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
10
Het gouddraadje verbergt zich nog...
Lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi4 Verheugt u in de Heer, altijd; nog eens zal ik zeggen: verheugt u!5 Laat uw vriendelijkheid bekend worden aan alle mensen. De Heer is nabij.6 Weest over niets bezorgd,- nee, laten in alles, in aanbidding en smeking met dankzegging, uw vragen bekend worden bij God.7 En de vrede van God, die alle denken te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.Lezing uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes19 En dit is het getuigenis van Johannes, wanneer de Judeeërs vanuit Jeruzalem tot hem heiligdomsdienaren en Levieten zenden om hem de vraag te stellen: u, wie bent u?20 Hij belijdt,- hij loochent het niet en belijdt: ík ben de Gezalfde niet!21 Ze vragen hem: wat dan wél?- bent u Elia? Hij zegt: dat ben ik niet! De profeet,- bent u dat? En hij antwoordt: nee!22 Dan zeggen ze tot hem: wie bent u, zodat wij een antwoord kunnen geven aan wie ons hebben gestuurd?- wat zegt u over uzelf?23 Hij verklaart: ik, ik ben ‘de stem van een roepende in de woestijn: maakt recht de weg van de Heer!’ (Jes. 40,3), zoals Jesaja, de profeet, gezegd heeft.24 Ook zijn er afgezanten geweest uit de gelederen van de Farizeeërs.25 Ze stellen hem een vraag en zeggen tot hem: waarom doopt u dan, als u niet de Gezalfde bent, niet Elia en niet de profeet?26 Johannes antwoordt hun en zegt: ik doop in water; midden onder u staat hij -van wie u het niet weet-27 die, na mij, komende is, voor wie ik niet waardig ben om zelfs maar de riem van zijn schoeisel los te maken!28 Dat alles geschiedt in Betanië aan de overzij van de Jordaan,- want daar was het dat Johannes doopte.PreekVerheugt u in de Heer. Midden onder U staat Hij - van wie u het niet weet.Wij mensen voelen ons nog best vaak door God in de steek gelaten - ook als wij gelovige mensen zijn. Hoe moeilijk is het om een zonnige kijk op het leven te houden als de wereld steeds donkerder, dommer en wezenlozer lijkt te worden. En kouder en wreder - want die dingen horen bij elkaar.Wij denken dat veel van die ellende uniek is voor onze tijd. Dat ónze specifieke vorm van dreiging en donkerte wel de meest vervreemdende moet zijn die er ooit gezien is. Met onze oorlogen en uit elkaar vallende beschaving, met onze atoomdreiging en klimaatcrisis.Maar de vorige keer was het de builenpest en de keer daarvoor enorme hongersnood en waar de mensen in de prehistorie over piekerden: daarover wil ik niet eens nadenken.De wereld waarin Jezus mens werd was in ieder geval niet fraaier dan de onze. We denken wel vaak met verwondering en bewondering terug aan de Grieks-Romeinse beschaving, maar in werkelijkheid was het een wereld op een andere planeet. Een wereld waar voor tederheid en zachtheid niet veel ruimte was. Zowel met de hemel als de aarde hadden de mensen een harde, zakelijke verhouding. Als ze zich wilden vermaken gingen ze naar de arena om te zien hoe mensen elkaar de hersens insloegen, of op allerlei sadistische manieren werden vermoord.Jezus hoorde dan ook nog weer eens bij een uithoek van dat rijk waar geen rekening mee werd gehouden, behalve dan wanneer het moest worden onderdrukt en gekoeioneerd.De mensen daar zullen wel niet automatisch een zonnige blik op het leven hebben gehad. Eigenlijk geldt dat voor de meeste mensen: wegzinken in gepieker kost niet veel moeite. Het licht zien dan weer wel. Het lijkt nogal eens alsof onze ogen te vechten hebben tegen een tegenwind van duisternis en grijze nietszeggendheid.Maar die dingen zijn maar schijn, zegt Johannes ons.Midden onder U staat Hij die gij niet kent. Jullie wachte op het heil, maar het is er al! Je hoeft het maar te zien.Zoals vandaag het licht door onze paarse gewaden schijnt en ze roze kleurt, zo is ook - in alle verborgenheid - het licht verweven met onze duisternis.Toen ik dertig jaar geleden op het seminarie zat heerste nog alom de verplichte lelijkheid. Omdat de priesters vergeten waren dat ze niet namens zichzelf aan het altaar stonden, moesten alle gewaden lijken op jute zakken. Anders zou het immers onbescheiden zijn. Hadden ze beseft dat ze sowieso als individu helemaal achter Christus dienden te verdwijnen tijdens de liturgie, dan hadden ze zich die genante modeshow kunnen besparen. Dan hadden ze rustig in de koninklijke traditie van schoonheid en majesteit kunnen verder vieren zonder ook maar de minste schaamte. Maar zo ging het dus niet.Om te bewijzen hoe verschrikkelijk nederig ze wel niet waren gingen ze rondlopen in jurken die bedoeld waren associaties met herders en vissers uit het Galilea van de eerste eeuw op te roepen. Maar omdat het toch de liturgie was, en ook wel een beetje omdat ze stiekem toch nog steeds wel best ijdel waren, zat er dan toch weer een gouddraadje doorheen. Het was ruw en boers en met schreeuwerige kleuren chroomgroen en cadmiumrood met af en toe een glittertje erdoor. Een beetje zoals de maillot van een koorddanseres in het circus die te vaak gewassen is.Heel de vormgeving van toen bewees al gelijk de mislukking ervan. Want de werkelijkheid van Gods kinderen is natuurlijk nooit plat en grof, en al zeker niet donker. Want midden onder jullie staat Hij die jullie niet kennen. Maar die jullie toch meer eigen dan vreemd is, en dichterbij dan je bij jezelf bent.Hoe hopeloos, hard, prozaïsch en troosteloos deze wereld ook lijkt, en hoe kapot gemaakt door zonde en haat: stiekem verbergt zich de gouden draad vlak onder de oppervlakte. De draad van het zijn zelf, de Vader die alles in het bestaan houdt. De draad van de vormen, geuren en kleuren zoals ze wél bedoeld zijn, uit de hand van de Zoon, die komt. En de draad die dat alles samenbindt en eenheid schenkt, uit de hand van de Geest. We zien het nog niet, we wachten nog. Op wat er in feite de hele tijd al is... This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
9
Heilige of Midwintergodin?
De grote martelaressen hebben altijd zoiets als een speciale status gehad op de heiligenkalender. Ze maken op de een of andere manier emoties los waar hun mannelijke tegenhangers niet aan kunnen tippen. Natuurlijk: Laurentius en Sebastiaan worden met enthousiasme vereerd, en dat is ook altijd zo geweest. Maar Agnes, Cecilia en Dorothea komen toch nog net nog iets vaker voor op onze kerkmuren en sokkels, om nog maar te zwijgen van Catharina en Barbara. Dat waren in de middeleeuwen wel echt een soort halve godinnen. Dat is ironisch, want ze zijn nou juist vermoord omdat ze weigerden aan goden en godinnen te offeren. De heilige van deze week, Lucia, is een wel héél speciaal geval. Zij stierf de marteldood op Sicilië en schopte het, nota bene in de negentiende eeuw, tot zoiets als de heidense moedergodin van Scandinavië, of all places.Om maar even met het begin te beginnen, de legende van Lucia gaat als volgt (ik geef hem hier met alle middeleeuwse versieringen erop en eraan, we zijn niet gereformeerd). Lucia was een christelijk meisje in de stad Syracuse op Sicilië, in de derde eeuw. Natuurlijk was zij beeldschoon, van adel en razend intelligent, want zo hoort dat. Haar vader stierf al vroeg, zodat haar moeder Eutychia het hoofd van het gezin werd. Die moest pragmatisch denken, en wilde Lucia uithuwelijken aan een rijke heidense jongeman. Die bleek natuurlijk een snoodaard te zijn, die haar alleen wilde hebben vanwege haar centen en haar mooie ogen.Zij wilde trouwens sowieso niet trouwen, want zij had haar maagdelijkheid aan Christus beloofd, en wilde haar bruidsschat uitdelen aan de armen, zodat zij in het hemelse koninkrijk een schat zou bezitten.Haar moeder wilde van dit alles niks weten, maar begon op den duur te twijfelen. Zij had al een hele tijd aan bloedverlies geleden en zich geen raad geweten. Daarop had haar dochter Lucia een heilige droom gekregen. In die droom verscheen haar de heilige Agatha. Die was 52 jaar daarvoor vermoord tijdens de vervolging onder keizer Decius, en deed het ene wonder na het andere. ‘Stuur je moeder maar naar mij,’ zei Agatha. ‘Want jouw geloof en vertrouwen zijn zo groot dat ik haar door Gods genade genezing wil schenken. En jijzelf zult de glorie van Syracuse worden.’ En natuurlijk ging het ook precies zo: na een hoop drammen en aandringen van Lucia ging Eutychia naar Agatha’s graf en was onmiddellijk en definitief gezond.‘Nou heb je het bewijs dat ik niet maar wat loop te dromen,’ had Lucia tegen haar moeder gezegd. ‘Laat me dus een godgewijde maagd blijven en mijn geld aan de armen geven. Eutychia, praktisch als ze was, stribbelde nog wel even tegen - dat geld kon toch ook gewoon voor de zekerheid nog even bewaard worden en zo, maar er hielp letterlijk geen lieve moedertje aan. Lucia was begonnen haar goud en haar juwelen uit te delen aan de armsten van de armen.De man die eerst met haar zou trouwen kreeg daarvan te horen, en werd woedend. Hij liep naar de heidense gouverneur en gaf haar aan als christen. Zij werd onmiddellijk gevangengenomen. ‘Offer aan de beschermgeest van de keizer, anders zetten we je in een hoerenkast,’ was de boodschap. Maar natuurlijk was Lucia nergens toe te bewegen. Letterlijk niet. Ze was niet meer van haar plaats te krijgen. Niet met een hele troep soldaten en zelfs niet met een span ossen. De gouverneur raakte in paniek van haar. Was ze bezeten door een kwade godheid of een demonische presentie? Hij liet hout en takkenbossen tegen haar opstapelen om haar levend te verbranden, maar zij was als de drie jongelingen in de vuuroven uit het boek Daniël. Het vuur laaide hoog op, maar zij stond stil en sereen en ongeschonden tussen de vlammen.Onder de toeschouwers stond haar valse bruidegom, die haar om alle verkeerde redenen had willen hebben en niet had kunnen zien wie zij werkelijk was. Toen zij hem in de menigte ontwaarde trok zij haar eigen ogen uit de kassen en bood ze hem aan. ‘Hier heb je je juwelen,’ zei ze erbij.De gouverneur begon bang te worden dat dit spektakel van christelijke standvastigheid een bekeringsgolf zou veroorzaken. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot de enige remedie die romeinse beambten hadden tegen onverwoestbare heilige vrouwen. Hij liet haar de hals doorsnijden. Op de een of andere manier gaan ze daar altijd wél dood aan, en zo ging het nu ook. Lucia zuchtte bevallig en gaf de geest.Goed, de werkelijkheid zal wel tegelijk een stuk minder feeëriek én een stuk minder gruwelijk en toch ook tegelijk een stuk grimmiger zijn geweest. Want romeinse heiligenverhalen zijn nou eenmaal een hoop dingen door elkaar. Je wordt er soms een beetje duizelig van.Hoe dan ook veroorzaakte Lucia typisch zo’n kettingreactie die van de toevalligheden aan elkaar hangt, en toch volkomen logisch uitpakt. Waar dat griezelverhaal van die ogen precies vandaan komt weten we niet, want dat verschijnt pas heel laat. Maar tegen die tijd was ze zeker al de beschermheilige van de ooglijders. In combinatie met de datum van haar feest maakte haar dat tot een mythische gestalte in de donkerste en somberste tijd van het jaar.Zo werd zij in de middeleeuwen een brengster van troost voor wie het niet meer zag zitten. Ofwel door het donker en de kou, ofwel door oogkwalen.En dan gebeurt er iets geks. Aan het einde van de negentiende eeuw kregen de mensen in het westen voor het eerst last van hun gebrek aan identiteit. Dat gebeurde het eerst in protestantse gebieden, waar de godsdienst totaal geen ruimte liet voor de verbinding met de natuur en het onbenoembare in de menselijke ziel. Intellectuelen, zoals de gebroeders Grimm in Duitsland, en Hans Christian Andersen in Denemarken, begonnen eerst sprookjes en motieven uit het volksgeloof op te tekenen, en daarna te bewerken. Zij werden razend populair, en er groeide zoiets als een verlangen naar de heidense onderlaag van de beschaving en dat deel van de christelijke erfenis dat daar contact mee kon maken. Dat deel dus, dat de protestantse kerk had afgedankt en verwaarloosd.Zo kwam ook Lucia van de storthoop terug, nota bene in het hoge noorden, in Zweden. Officieel ging het om een puur seculier iets, iets van buiten de Kerk. Die deed immers daar niet meer aan heiligen op die manier. Het begon in gegoede burgerfamilies waar veel boeken werden gelezen en graag werd geknutseld. Een van de meisjes mocht Lucia zijn. Zij kreeg een krans met brandende kaarsen op het hoofd om, in het donkerste van het jaar, het naderende licht zelf te worden. Het licht van de komende Verlosser, het Licht van de terugkerende zon. Het licht van de onverwoestbare hoop.Als een lopend vuurtje verspreidde dat lieve gebruik zich over heel Scandinavië, net zoals de kersboom dat al eerder in Duitsland had gedaan. Want beide hebben natuurlijk stiekem dezelfde worteltjes. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
8
Inleiding op het Christendom IV
Na de kruisdood van Christus begon het “goede gerucht” zich te verspreiden dat Hij leefde, dat Hij verrezen was. Zijn graf was leeg, en Hij verscheen aan een paar vrouwen uit zijn gevolg, en daarna aan zijn apostelen. En waarschijnlijk bleef het nog een hele tijd min of meer bij dat kleine groepje. De brieven van Paulus waren er nog niet, en de Evangeliën zoals wij die kennen begonnen zelfs pas dertig jaar later op het toneel te verschijnen. De Paasboodschap was in het begin dus een mondelinge boodschap. Zoals ik al zei werd het vaak een ‘goed gerucht,’ genoemd. Bij een kleine, maar zeer gemotiveerde groep mensen viel dat gerucht in goede aarde en schoot wortel.De apostelen krijgen de GeestDe eerste kiem van die groep mensen was het gezelschap van de twaalf apostelen. Judas Iskariot was weliswaar afgevallen nadat hij Jezus verraden had en zich daarna had verhangen, maar in zijn plaats was Matthias gekozen. Er waren dus vanaf de verrijzenis twaalf “hoofdgetuigen” en daarnaast nog een gezelschap van andere leerlingen die Jezus persoonlijk hadden gekend en uit eerste hand over Hem konden vertellen. Zij waren ook de eersten die waren geconfronteerd met het wonderlijke fenomeen “Heilige Geest.” Vóór zijn dood en verrijzen had Jezus beloofd dat die zou worden uitgestort, en inderdaad hadden de apostelen vijftig dagen later een doordringende ervaring.Er klonk ten eerste een suizende wind in de kamer waar ze bij elkaar waren. Die wind was een bekend teken van Gods zelfopenbaring. Al in de verhalen over Elia wordt gesproken over zijn aanwezigheid als het “suizen van een zachte bries.” Ten tweede verschenen er boven de hoofden van de apostelen tongen van vuur. Tijdens zijn prediking had Jezus uitdrukkelijk gezegd: “vuur ben Ik komen brengen op aarde, en hoe verlang Ik dat het oplaait!” Vuur was, net als wind en storm, één van de tekenen van Gods Majesteit. Ten slotte hoorde ineens iedereen de apostelen spreken in zijn eigen taal: Parthen, Meden en Elamieten, Mesopotamiërs, Kappadociërs en mensen uit Pontus en de Romeinse provincie Asia (het westen van het huidige Turkije). Deze gebeurtenissen worden van oudsher beschouwd als de geboorte van het verschijnsel “Kerk.”Het fenomeen “Kerk” Het woord “Kerk” is niet meer voor iedereen vanzelfsprekend, en betekent bovendien niet voor alle christenen hetzelfde. Het Nederlandse woord “Kerk” komt, net als het Engelse “Church” en het Duitse “Kirche” van het Griekse genitief “Kyriake,” dat letterlijk “van de Heer” betekent. De Latijnse talen hebben het over “Chiesa,” “Église,” “Iglesia” of iets van dien aard. Die woorden zijn afgeleid van “Ekklesia,” grofweg de “samengeroepen gemeenschap.” Het werd gebruikt voor de volksvertegenwoordigers van Athene in de klassieke oudheid, maar in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) ook voor het samengeroepen Israël. In het Nieuwe Testament slaat het op de jonge christelijke gemeenschap, ook vaak voor de specifieke christelijke gemeenschap van een bepaalde plaats.In de oude Kerken die wortelen in de oorspronkelijke christelijke gemeenten van de oudheid – dus grofweg de oriëntaals- en oosters-orthodoxen en de katholieken – wordt er grote waarde gehecht aan het verschijnsel “Kerk.” De Kerk is de familie van alle gelovigen. De Kerk is tegelijk de Moeder van de christenen en het Lichaam van Christus op aarde. Juist omdat het op een lichaam lijkt is het ook een hiërarchisch opgebouwde organisatie met ambten die door een ongebroken stamboom op de apostelen worden teruggevoerd (“apostolische successie”). Iedereen heeft in dit gebeuren zijn eigen plaats en functie. Er wordt geloofd dat Gods beloften een garantie vormen dat de Kerk tot aan het einde der tijden nooit helemaal aan het kwaad ten onder zal gaan. Bovendien garandeert diezelfde ambtsopvolging de reële werkzaamheid van bepaalde rituele handelingen, zogenaamde “Sacramenten.” Sacramenten zijn tekenen die datgene bewerken waarnaar ze verwijzen. Ze vormen een confrontatie met Gods heilige Aanwezigheid en verlossende werken die objectief en gegarandeerd is, bemiddeld door het stoffelijke hier en nu. De meeste ervan worden toegediend door zogenaamde ‘geestelijken,’ gelovigen die speciaal daarvoor zijn aangesteld en gewijd. Die komen in drie graden, bisschoppen, priesters en diakens. De Kerk is georganiseerd in bisdommen, elk met een zogenaamde “bisschop” aan het hoofd, die de volheid van het priesterschap heeft ontvangen en alle Sacramenten kan bedienen. Hij wordt beschouwd als een directe opvolger van de apostelen. Hij wijdt op zijn beurt priesters die gewoon “priester” worden genoemd en die verschillende functies kunnen hebben. Meestal werken ze in zogenaamde “parochies,” de christelijke gemeenschappen op lokaal niveau, maar sommigen van hen zijn ook monnik in een klooster of werken in een ziekenhuis of in het leger of iets dergelijks. Er zijn ook nog “diakens,” die de derde trap van het priesterschap vertegenwoordigen. Zij zijn in de meeste bisdommen in ons deel van de wereld tegenwoordig zeldzaam. Van oudsher helpen zij de bisschop met de praktische christelijke naastenliefde in de christengemeenschap, ook materieel.De hiërarchie bestaat dus uit bisschoppen, priesters en diakens, die de taak hebben het Evangelie te verkondigen en uit te leggen (inclusief de daaruit af te leiden theologie en bepaalde morele consequenties daarvan), de Sacramenten te bedienen en in het algemeen de gelovigen met raad en daad terzijde te staan. Men pleegt dat alles samen “zielzorg” of “pastoraal” te noemen. De doorsnee katholiek of orthodox krijgt in zijn leven het meest te maken met gewone priesters. Zij zijn degenen die doorgaans de Sacramenten bedienen aan de gelovigen in de parochies.Van die Sacramenten zijn er zeven: Het doopsel, het Vormsel, de Eucharistie, het Huwelijk, de Priesterwijding, de Ziekenzalving en de Biecht. Ze bestaan in een bijzondere samenhang die heel het leven van de christen draagt en omsluit. Het hart ervan op aarde – en dus van heel de Kerk op aarde – is de Eucharistie, het Misoffer. Het is daar dat Christus het meest condens en tastbaar op aarde aanwezig is in zijn Wezen en Werken.Verwarrend aan dit hele gebeuren is dat het voortdurend door mensen gedragen moet worden van wie de persoonlijke heiligheid niet gegarandeerd is. Volgens het klassieke christendom hecht God er bijzonder aan de persoonlijke vrijheid van zijn gelovigen in stand te laten, dus ook de vrijheid om een stuk verdriet te zijn. Ook de priesters veranderen niet plotseling in lichtgevende engelengestalten door de verheven ambten die ze bekleden. Dat heeft volgens de theologie weliswaar geen consequenties voor de objectieve werking van de Sacramenten als zodanig, maar natuurlijk wel voor de geloofwaardigheid en daarmee de ontvangst ervan. Jantje kan nog zo’n dief, leugenaar en hoereerder zijn, als zijn priesterwijding ooit “geldig” was zijn zijn Missen, Ziekenzalvingen en absoluties het nu ook. Dat alleen de meest scherpzinnige en koelbloedige gelovigen dat nog in de gaten hebben en dat de rest ondertussen de benen heeft genomen en er niet meer in gelooft is een ander verhaal.Het is overigens een klassieke fout (“klerikalisme”) om door de technische opbouw van de Kerk de blik teveel op de geestelijkheid gericht te houden en de rest (de zogenaamde “lekengelovigen”) uit het oog te verliezen. Zij zijn uiteindelijk degenen die bepalen hoeveel “Christus” er in “Kerk” zit, niet hun pastoor.Afhankelijk van of men het heeft over de Griekse (orthodoxe) of Latijnse (katholieke) variant ervan wordt de top van de piramide gevormd door de bisschoppen van de plaatselijke Kerken samen als opvolgers van de apostelen (verzameld in zogenaamde “synoden”) of door de paus, die de bisschop is van Rome en specifiek als opvolger van de apostel Petrus wordt beschouwd. Dat verschil wordt nogal eens heel groot gemaakt, maar idealiter lijkt de katholieke werkelijkheid veel meer op de Griekse dan men doorgaans in de gaten heeft. Meer synodaal ingestelde pausen (Cf. Johannes XXIII, Paulus VI, Benedictus XVI) worden afgewisseld met meer autoritaire (Cf. Pius X, Franciscus) maar in de praktijk zijn oosterse patriarchen doorgaans met minstens evenveel macht bekleed, en onderhevig aan precies dezelfde dynamiek. Als je kijkt naar de korte termijn (jaren) functioneren beide modellen meestal zo slecht dat het droogkomisch aandoet. Op de lange termijn (eeuwen) kon het hele gebeuren tot minstens de eerste helft van de twintigste eeuw als “menselijkerwijs stabiel” worden betiteld. Dat lijkt wel niet de hoofdprijs, en dat is het ook niet, maar het is ook niet niks. Elke historicus zal je vertellen dat het ronduit indrukwekkend is. De rooms-katholieke Kerk is in feite de enige instelling van het Romeinse Rijk die nog gewoon bestaat en zelfs nog een soort van functioneert.Twee dingen moeten wij steeds goed in de gaten houden als wij dit fenomeen werkelijk willen begrijpen. Ten eerste kan de Kerk niet los worden gezien van onze cultuur en beschaving. Zij is er de ruggengraat van. Voor zover we kunnen nagaan was van alle beschavingen waarvan wij nog weet hebben de een of andere vorm van religie de uiteindelijke drager, en voor onze moderne, westerse beschaving is dat stiekem niet anders. Ook de grote meerderheid van mensen in de westerse wereld die nog nooit een kerkgebouw van binnen heeft gezien denkt de hele dag onbewust langs lijnen die door het christendom zijn uitgezet (of er juist expliciet tegenin lopen, maar ook dan worden ze er nog steeds door bepaald). Hoezeer de geseculariseerde westerling ook denkt in een wereld te leven die bevrijd is van godsdienstige wetten en waarden, in werkelijkheid “hangt” heel zijn subjectieve belevingswereld aan een skelet van vormen en normen, dromen en gewoonten, woorden en vanzelfsprekendheden die volledig uit de christelijke geschiedenis en cultuur zijn gevormd en voortgevloeid. Zelfs de geest van onze zogenaamde harde wetenschappen is in feite uit het christelijke kloosterwezen ontsnapt. De pater die dat heeft laten gebeuren zit daarover waarschijnlijk nog steeds te balen in het vagevuur.Het tweede dat wij niet uit het oog mogen verliezen is dat dat hele spulletje uitermate nederige worteltjes heeft. Twaalf analfabetische dromers uit een bezet achterland die waarschijnlijk enorm naar vis hebben gestonken.Daar gaan we nu even naar terug, en we proberen ons te verplaatsen in die tijd en in die eenvoudige, bevlogen mensen, die er geen vermoeden van hadden dat er een wereld zou worden gebouwd op wat zij aangereikt hadden gekregen. Sterker nog: alles wijst erop dat zij verwachtten dat het einde der tijden elk moment voor de deur kon staan. Dat er dus helemaal niks meer te groeien viel.Over het lot van de meeste van de apostelen van Jezus zijn wij vaag op de hoogte omdat zich daarover tradities hebben gevormd. Jacobus de mindere bleef duidelijk in Jeruzalem en leidde daar de plaatselijke jonge Kerk. De anderen waaierden uit over de hele toenmalig bekende wereld, tenminste volgens de verhalen. Thomas zou het Evangelie zelfs helemaal tot in het zuiden van India gebracht hebben. Hoe betrouwbaar die verhalen zijn zullen we nooit meer kunnen achterhalen. Wel lijkt het er sterk op dat de apostelen stuk voor stuk gewelddadig aan hun einde kwamen, behalve Johannes.Het is juist die Johannes die van de twaalf de meest merkbare sporen heeft achtergelaten, waarover later meer. Het werk van de rest van de apostelen werd al vrijwel ogenblikkelijk totaal overvleugeld – en in het geval van Jacobus de mindere waarschijnlijk zelfs tenietgedaan – door het missiewerk van een apostel die Jezus nooit in levenden lijve had ontmoet, namelijk Paulus.Laten we - voor we ons in die Paulus verliezen - even kijken naar die gemeente van Jacobus in Jeruzalem om het vervolg in perspectief te kunnen plaatsen. Jezus was een vrome jood en zijn apostelen ook. Ze waren besneden, gingen naar de synagoge en hielden zich aan de wet van Mozes. Het is wel duidelijk dat de primitieve christengemeenschap in Jeruzalem aanvankelijk op precies diezelfde manier joods was. Wellicht hadden een aantal heidenen zich als toehoorders aangesloten, maar zij konden pas volwaardig deelnemen aan het christelijke leven door eerst joden te worden: dus zich te laten besnijden en zich te verplichten tot de joodse wetten. De Romeins-Griekse religieuze belevingswereld was een zeer vrijblijvende en diffuse werkelijkheid, dus een dergelijk engagement lag voor de gemiddelde hellenistische spirituele zoeker niet voor de hand. Die leek – ter oriëntatie – waarschijnlijk wel wat op wat pastoors tegenwoordig “vlindertjes” plegen te noemen. Men shopte zich uit het aanbod een comfortabele collage van vertrouwde en exotische religieuze elementen bij elkaar, zonder zich ook maar ergens toe te willen verplichten. Het moest vooral “leuk” blijven (er is niets nieuws onder de zon). Dat een dergelijke houding niet verenigbaar was met het eerst in je geslachtsdeel laten knippen en het daarna levenslang afzien van bloedworst en spekjes in je stamppot spreekt vanzelf. Het christendom zou dan ook zeer waarschijnlijk het vasthouden aan de Mozaïsche Wet niet hebben overleefd: het zou aan wet en besnijdenis zijn doodgebloed, zoals zoveel apocalyptische sekten in de loop van de joodse geschiedenis. Het ging echter anders.Paulus, de man die alles veranderdeDe show wordt namelijk volledig gestolen door een complete outsider met de naam Paulus. Iemand die Jezus zelfs nooit in levenden lijve heeft ontmoet gaat er volledig met het momentum vandoor. Deze Paulus was aanvankelijk een farizeeër van het precieze soort geweest, die zich juist aan de christenen bij uitstek had geërgerd. In het boek handelingen wordt vermeld dat hij een leerling van de beroemde Rabbi Gamaliël was geweest. Eigenlijk is dat een wat vreemd gegeven, want die staat, ook in het Nieuwe Testament zelf, bekend als zeer tolerant, dus dat rijmt slecht met Paulus’ latere onverdraagzaamheid. Die verschijnt namelijk op het toneel als een jonge scherpslijper die met instemming aanwezig is bij het stenigen van de eerste christelijke martelaar Stefanus. Even later neemt hij zelfs schijnbaar zelf de leiding bij het opjagen en doden van christenen. Nou zetten studenten zich wel eens vaker af tegen de ideeën van hun professoren. In ieder geval getuigt Paulus er in zijn brieven zelf van dat hij zich ontwikkeld had tot een fanatieke christenvervolger. Hoe dan ook maakt hij vervolgens een bekering door. Die stipt hij eigenlijk maar heel terloops aan in zijn brieven. Een meer uitgebreide beschrijving vinden we in het boek Handelingen, maar daarmee moeten we voorzichtig zijn. Er zijn uit dat werk wel veel meer details op te maken dan uit Paulus’ eigen brieven, maar het is daar ook nogal eens mee in tegenspraak. Dat maakt het hele boek als historische bron verdacht. Het is ook pas veel later geschreven, rond het jaar 80, door dezelfde auteur als het Evangelie van Lucas.Hoe de verschijning van Jezus aan Paulus ook heeft plaatsgevonden: hij maakt in ieder geval een stormachtige ommekeer door en begint het christendom hartstochtelijk te prediken in plaats van te bestrijden. Daarbij is er een enorm verschil met de manier waarop de twaalf apostelen tot dan toe te werk waren gegaan. Zij waren vissers uit Galilea die weliswaar gewend waren aan de aanwezigheid van de Grieks-Romeinse cultuur in hun omgeving, maar alleen op een afstand. Het is onwaarschijnlijk dat ze veel kennis hadden van de Griekse taal en ze hadden niets te zoeken in de steden van de Decapolis, de Griekstalige plaatsen in hun omgeving.Paulus zelf daarentegen was juist een vergriekste jood, uit Klein-Azië, dus uit de Griekse wereld. Weliswaar sprak hij Aramees, maar zijn moedertaal was waarschijnlijk Koinè-Grieks. Het is niet verwonderlijk dat hij niet alleen veel meer dan de andere apostelen begreep van de klassieke cultuur, maar er ook meer voor open stond. Het was makkelijker voor hem zich in de heidense mentaliteit te verplaatsten. Dat stelde hem in staat stappen te zetten die voor de apostelen van Jezus in eerste instantie ondenkbaar waren geweest. Zodoende doopte hij heidenen zonder van ze te eisen zich te laten besnijden en de joodse Wet aan te nemen. In eerste instantie bracht hem dat met de apostelen in conflict, maar het lijkt erop dat ze zijn legitimiteit als “apostel van de heidenen” na een ontmoeting in Jeruzalem toch hebben geaccepteerd. Het is overigens de vraag of ze zelf zijn voorbeeld ook hebben gevolgd, onbesneden heidenen in hun gemeenschappen hebben opgenomen of hun dieet hebben aangepast. In ieder geval zou hun werkelijkheid volledig overvleugeld worden door het meer “heidense” christendom van Paulus. Die begon als een soort losgeslagen natuurkracht heel het oostelijke middellandse-zeegebied rond te reizen en overal gemeentes te stichten. Nergens bleef hij echt hangen, hij zette de boel op en vertrok dan weer. Hij liet soms medewerkers rondreizen om het hele spulletje tenminste enigszins in de gaten te houden en schreef bij gelegenheid brieven, meestal om bepaalde controversen te beslechten. Of zijn theologie al erg overeen kwam met de latere christelijke orthodoxie (van oost en west) is niet helemaal zeker, maar wel zeker is die orthodoxie grotendeels gebouwd op (een interpretatie van) het denken in zijn brieven. Dat compliceert de zaken behoorlijk, omdat Paulus die brieven schreef naar aanleiding van concrete problemen in de gemeenten en dus niet als overzichten van zijn theologische overtuigingen. Die kunnen er dan ook maar zeer gedeeltelijk uit worden gedestilleerd. Er zouden op basis van diezelfde brieven ook andere dogmatische constructies mogelijk zijn. Een auteur als Bart Ehrman gaat er bijvoorbeeld vanuit dat het denken van Paulus trekken had die hedendaagse christenen bepaald tegen de borst zouden stuiten. Christus zou volgens Paulus geen God, maar een engel zijn geweest, om maar eens iets te noemen. Bizar genoeg zou hem dat in dezelfde categorie als de hedendaagse Jehova’s Getuigen plaatsen. Natuurlijk blijven dit soort theorieën altijd een hoog speculatief gehalte hebben. Ook in het geval van dit standpunt van Ehrman gaat het zeker niet om een algemeen geaccepteerd historisch feit. Wel gaat het – voor zover ik het kan peilen – om een eerlijk standpunt van een integere wetenschapper. Daarom hecht ik eraan dit soort dingen toch steeds weer te vermelden. De EbionietenDe eerste eeuwen van het christendom zijn er dan ook consistent groepen heel joods gebleven christenen aantoonbaar. Het meest in het oog springt een beweging die de “Ebionieten” (“armen”) werd genoemd. Ze zouden tegenwoordig wellicht zoiets als “messiasbelijdende joden” zijn genoemd. Ze hielden vast aan de joodse gebruiken, en hadden een visie op Christus die minder schuurde met de belangrijkste joodse geloofsopvattingen dan die van Paulus. Zo ontkenden ze Jezus’ maagdelijke geboorte, zijn goddelijke natuur en zijn verlossend lijden. De precieze werkelijkheid die achter de Ebionieten schuil gaat is moeilijk in het vizier te krijgen om een aantal redenen.* Ten eerste is alle informatie die we over hen hebben afkomstig van kerkvaders, te beginnen met Justinus de Martelaar (100-165) en Ireneüs van Lyon (130-202) en eindigend met Epiphanius van Salamis (c.320-403) en Hiëronymus van Stridon (347- 420). Hiëronymus schrijft op zo’n manier over hen dat het duidelijk is dat ze ondertussen niet meer aanwezig waren. De kerkvaders zijn (even generaliserend) het minst sympathieke contingent op de heiligenkalender. Ze waren – als ze het eventjes iets minder druk hadden met politieke intriges – voortdurend bezig verschillende soorten ketters te definiëren en te vervloeken. Zodra de ketters op waren vervloekten ze nogal eens elkaar. Informatie afkomstig van hen over mensen met wie ze het niet eens waren is – voorzichtig geformuleerd – niet de meest historisch betrouwbare stof ooit geproduceerd.* Ten tweede bestaat een stroming waarvan de geschiedenis driehonderd jaar beslaat per definitie uit een veelheid van ideeën. Zelfs een enkel menselijk individu verandert gedurende zijn leven ongeveer elke tien jaar in een andere persoon. Hier hebben we het over een hele groep individuen met min of meer vergelijkbare ideeën (maar niet met absoluut dezelfde voorstellingen daarvan, want zoiets bestaat eenvoudigweg niet). Die groep vernieuwt zich in een hele reeks generaties onder steeds verschillende omstandigheden.Vertegenwoordigden de Ebionieten een traditie die terugging op de leer van de joodschristelijke gemeente in Jeruzalem? Misschien wel, maar misschien ook niet. Terzijde: Schrift en Traditie Dit is een goed moment voor een terzijde over de Schrift en de traditie. Zoals ondertussen wel duidelijk zou moeten zijn is de historische werkelijkheid achter de Bijbelse geschriften vaak onmogelijk nog te achterhalen. Eigenlijk was dat al duidelijk sinds de protestantse reformatie van de zestiende eeuw. Toen eisten lekengelovigen het recht op om de Bijbel met eigen ogen te lezen. Dat werd ook voor het eerst een reële mogelijkheid, omdat er in steeds meer talen vertalingen verschenen. Bovendien werden boeken in het algemeen plotseling een stuk betaalbaarder door de uitvinding van de boekdrukkunst. Weliswaar waren nog steeds verreweg de meeste mensen analfabeet, maar je hoefde tenminste niet meer schatrijk te zijn én Grieks en Hebreeuws of Latijn te beheersen om de Bijbel te kunnen lezen. Veel mensen schrokken zich vervolgens bij hun eerste blik in de Schrift helemaal wild. Wat ze tussen de kaften van hun Bijbels aantroffen leek in eerste instantie een heel andere werkelijkheid te ademen dan de verhalen die ze kenden en de beelden die in de kerken aan de muren hingen.De conclusie had toen moeten zijn dat de verzameling van de Bijbelse geschriften ontoegankelijk, onhanteerbaar en ook gewoon onnut en zelfs schadelijk is zonder een leeswijzer. Die leeswijzer noemen wij traditie. Zonder traditie is de Bijbel een stapel geschriften uit een tijd die zo ver terug ligt dat we geen toegang meer hebben tot de werkelijke inhoud ervan. Punt. Gelukkig hebben wij wél een traditie. Die is gegroeid uit het bevechten, overwegen, bediscussiëren, bestuderen, herkauwen maar vooral bidden van die Heilige Schrift door alle gelovigen samen: de Kerk.De christenen aanbidden een Drie-ene God. Dat is geen Drie-ene God die als een buitenaards Wezen vreemd opduikt uit het niks, maar onze onze eerste Oorzaak, die ons voortdurend in het bestaan houdt. Bovendien is Hij de God naar wiens beeld en gelijkenis wij geschapen zijn. Dat geldt zelfs voor zijn Drievuldigheid. Wij zijn mensen met een geheugen, een intellect en een vrije wil, mensen met een verleden, een nu en een toekomst, mensen met een oorsprong, bewustzijn en streven. Wij wortelen in een geloof in een drievuldige God waaruit onze persoonlijke drievuldige identiteit opbloeit. Dat geloof hebben wij gekregen van onze voorouders. Tegelijk proberen wij dat geloof hier en nu te leven. Door lief te hebben, voornamelijk, te hopen op en streven naar geluk hier en in de eeuwigheid, voor onszelf en alle mensen. Door die drie bewegingen die ons aangeboren zijn lijken wij op de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.Dit alles veronderstelt dat wij om kunnen gaan met een zekere mate van onzekerheid over de historische wortels van onze godsdienst. Anders zouden wij immers maar een derde van ons eigen wezen serieus nemen. Een mens is immers niet alleen méér dan zijn verstand, hij is ook méér dan zijn geheugen.* Het is vanzelfsprekend dat de religieuze traditie groeit en zich steeds weer vernieuwt. Ook de mens doet dat immers, individueel en collectief. De door onze voorouders doorgegeven geschriften, rituelen en schematische geloofspunten (“dogmata”) veranderen niet (de meeste) of maar heel langzaam (sommige), maar de interpretatie van al die elementen is in elk mensenleven steeds weer nieuw en in elk tijdsgewricht van de geschiedenis ook weer.* Daarbij speelt de volksdevotie een even grote rol als de “grote” theologie, omdat zich in het gebedsleven van gewone mensen de atmosfeer vormt waarin de formele traditie zich ontwikkelt. Niemand heeft het geloof en het gebed geleerd uit de catechismus, laat staan de “Denzinger.” Dat heeft ook zo gegolden voor Thomas van Aquino, Ignatius van Loyola, Hadewijch van Antwerpen, Henri de Lubac en Yves Congar. Ook zij leerden geloven van mensen die hen na stonden, waarschijnlijk niet in de laatste plaats hun moeders en grootmoeders.* De publieke openbaring is afgesloten na de dood van de laatste schrijver van een Bijbelboek (ook al hebben we geen flauw idee wie dat was en wanneer. Ergens in de tweede eeuw, waarschijnlijk). Dat betekent alleen op geen enkele manier dat God toen ook is overleden, of opgehouden heeft zich met ons te bemoeien, of dat de Heilige Geest op vakantie is gegaan. In de groeiende traditie van de Kerk, opbloeiend uit de humus van de Schrift openbaart Hij zich hier en nu in elke gelovige christen en in alle christenen samen. Dát zijn de voornaamste ontmoetingsmomenten met Hem: in onze ziel (gebed) en in de naaste.De vorming van de christelijke orthodoxieEr bestond bij dat zogenaamde afsluiten van de algemene Bijbelse openbaring in de tweede eeuw nog geen afgeronde “orthodoxe” theologie. Die hebben wij te danken (of te wijten, want daar is niet iedereen het over eens) aan de twee of drie eeuwen daarna. Zoals ik nu denk ik wel genoeg heb onderstreept is de Bijbelse overlevering op zichzelf allesbehalve ordelijk en eenduidig. Oude en Nieuwe Testament samen vormen als het ware een vergelijking die op een hele reeks manieren kan worden opgelost. Al die oplossingen zijn (min of meer) coherent met het voorgegeven Bijbelse materiaal, maar niet met elkaar. Zo’n situatie is het perfecte recept voor een waaier aan verschillende stromingen en theologische burgeroorlogen, en dat is dan ook precies wat er gebeurde. Dat begon pas echt op te vallen nadat de keizers Constantijn en Licinius in 313 besloten de christenen niet langer te vervolgen. Ineens was het duidelijk dat “het christendom” niet bestond, maar wel een hele kluwen “christendommen,” waarvan er op dat moment nog geen enkele echt de overhand had. Al die verschillende smaken begonnen elkaar onmiddellijk vurig te bestrijden. In eerste instantie met polemische geschriften en in azijn gedrenkte debatten, maar iets later vaak ook te vuur en te zwaard.Christologische diversiteitDe meeste van die conflicten draaiden om de christologie, dus om de vraag wie of wat Jezus Christus nu precies was en wat zijn optreden precies betekende voor de werkelijkheid van zowel het menselijke leven als de gestalte van God. We noemen een paar voorbeelden van stromingen om een beeld te krijgen van de sfeer, zonder ook maar in de buurt te komen van enige vorm van volledigheid. Ga er maar vanuit dat praktisch elke plaatselijke Kerk haar eigen smaak had, die ook nog eens een aantal keren wisselde in de periode van driehonderd jaar waarover wij hier spreken. Het ironische is, dat pas uit het gevecht tégen allerlei ideeën over Christus, die wij nu heel raar vinden, de orthodoxe christelijke denktrant geboren zou worden die wij nu nog kennen, en heel vanzelfsprekend vinden. Maar die, als ze aan het begin van het proces zou zijn opgedoken, waarschijnlijk net zo hard als ketterij in de vuilnisemmer zou zijn beland als het patripassionisme en het monotheletisme.Hoe zagen die rare ideeën eruit? Ik geef een paar voorbeelden.* Adoptionisme – Christus was een gewoon mens – maar wel voortreffelijk – die bij zijn doopsel door God werd “geadopteerd,” waarmee in dit geval een soort heilige bezetenheid wordt bedoeld. Op het kruis werd hij door God weer verlaten, want gekruisigd worden is beneden diens waardigheid. Inderdaad: de God van deze variant loop niet over van empathisch vermogen.* Marcionisme – De god van het Oude Testament, de schepper van de wereld, is een lagere godheid met kwade bedoelingen die de mensen in de materie heeft opgesloten. Christus is een engelachtig wezen dat door de échte God is gestuurd om de mensheid uit de materie te verlossen door ze kennis van de werkelijkheid over te dragen. Hij staat zelf boven de materie en is dus louter geestelijk. Van de Bijbel zijn alleen sommige stukken van het Nieuwe Testament heilig. De rest is vervalst, en heel het hele Oude Testament is kwaadaardig, want afkomstig van de boze God. * Arianisme – Christus is zoiets als een super-engel, door wie God de wereld heeft geschapen en die door God naar de aarde is gezonden om de mensheid te verlossen. Hij is zelf een schepsel, dus duidelijk ondergeschikt aan God, maar heeft wel een soort afgeleide goddelijkheid. Deze stroming is in de late oudheid lange tijd dominant geweest, ook aan het keizerlijke hof. * Monofysitisme – Jezus heeft maar één natuur, namelijk de goddelijke. Zijn menselijke natuur is geheel in de goddelijke opgelost. Niet alle zogenaamde monofysieten hingen deze radicale variant aan. In werkelijkheid waren hun ideeën vaak gematigder. * Nestorianisme – De menselijke en goddelijke natuur van Jezus zijn juist streng van elkaar gescheiden in Hem. Daarom is Maria bijvoorbeeld wel de moeder van Jezus, maar niet de moeder van God. * Monotheletisme – Jezus heeft weliswaar twee naturen, maar maar één wil (de goddelijke).Het keizerlijke hof in Constantinopel had zijn handen vol aan al die religieuze ruzies. Die braken namelijk overal tegelijk uit en bedreigden de stabiliteit van het rijk. Wel gaat het veel te ver om Constantijn als een soort ontwerper van de christelijke theologie af te schilderen. Dat wordt wel eens geprobeerd door lieden die een broertje dood hebben aan vooral de orthodoxe hoofdstroom daarvan, maar die vlieger gaat niet op. Constantijn was geen theoloog, maar een - waarschijnlijk redelijk cynische - machtspoliticus. Zijn interesse lag niet in de eerste plaats in de inhoud van al dat religieuze geharrewar. Wél eiste hij rust in de tent omdat dat belangrijk was voor de stabiliteit van het keizerrijk.Oecumenische concilies Om die rust te krijgen liet hij in 325 zoveel mogelijk bisschoppen bij elkaar komen in een zogenaamd concilie (maatgevende kerkvergadering) in Nicea, een stad in de buurt van Constantinopel. Daar werd de eerste versie van onze huidige geloofsbelijdenis geformuleerd, het “credo” (“ik geloof”). De hoofdthema’s waren de Drieëenheid en de goddelijke natuur van Christus. Op het concilie van Nicea volgden nog een aantal “oecumenische,” dus algemene, concilies, waarop steeds knopen werden doorgehakt die te maken hadden met de nieuwste theologische conflicten. We sommen de eerste zeven hier op. Die worden door zowel de oosters-orthodoxen als de katholieken erkend.* Nicea I (325)* Bevestigde de goddelijke natuur van Christus tegen de Arianen. De Zoon is één in wezen met de Vader, dus werkelijk God. Geen engel, of een halfgod zoals Hercules of zo. * Constantinopel I (381) * Bevestigde de Persoon van de Heilige Geest (die dus niet alleen maar een onpersoonlijke kracht van God is) en diens eenheid met de Vader en de Zoon tegen de zogenaamde “pneumatomachen,” “zij die vechten tegen de Geest.” De geloofsbelijdenis van Nicea werd daar aangevuld tot de versie die wij nu nog gebruiken.* Efeze I (431) * Bevestigde de goddelijke en menselijke natuur van Christus in zijn ene Persoon, tegen de leer van Nestorius. Maria is Theotokos (Godbaarster) en niet alleen Christotokos (Christusbaarster). Nestorius was geen randfiguur, maar de toenmalige patriarch van Constantinopel en een belangrijke exponent van de School van Antiochië. Hij had dus meer dan serieuze invloed. Het grootste deel van de Kerk van Perzië volgde hem en verbrak de kerkelijke gemeenschap met de andere Kerken. Zo’n breuk in de Kerk noemen we een schisma. Deze “Kerk van het Oosten” bestaat nog altijd in een heel eigen traditie. Waarschijnlijk speelde zij later een niet onbelangrijke rol bij het ontstaan van de islam.* Chalcedon (451) * Bevestigde de twee naturen in de ene Persoon van Christus opnieuw, maar nu tegen het andere uiterste, namelijk het monofysitisme van Eutyches. Die hield dat in Christus de menselijke natuur geheel was versmolten met de goddelijke, en daarin in feite was “opgelost.” Het concilie formuleerde daartegen dat er in Christus twee verenigde en onscheidbare, maar ook onveranderlijke naturen zijn en blijven. Ook op Chalcedon volgde een schisma, nu met het zwaartepunt in Syrië en Libanon. Daaruit kwamen de zogenaamde oriëntaals-orthodoxe Kerken voort.* Constantinopel II (553) * Een poging om de monofysieten te verzoenen nadat dat eerder al door de keizer op een onhandige manier was geprobeerd, waardoor de zaken er nog ingewikkelder op waren geworden. Ook nu mislukte dat streven trouwens weer. Verder werden een aantal ideeën van de vierde-eeuwse kerkvader Origenes veroordeeld, zoals de pre-existentie van de zielen (denk aan het Platonisme!) en het idee dat aan het einde van de geschiedenis allen met zekerheid gered zouden worden, het universalisme.* Constantinopel III (680) * Tegen het Monotheletisme van Heraclius, dat beweerde dat er in Christus maar één wil was, namelijk de goddelijke. Dit was een schijnbare vermindering van zijn menselijkheid, en werd zodoende door het concilie afgewezen.* Nicea II (787) * Veroordeling van het iconoclasme (de beeldensloperij). Onder invloed van de opkomende islam was het in Constantinopel in de achtste eeuw tot een verbod op afbeeldingen gekomen. Het concilie veroordeelde dit en herstelde de verering van de ikonen in ere.Deze hele reeks vergaderingen – stuk voor stuk reacties op eerder ontstane conflicten – beslaat de periode waarin de theologie die wij tegenwoordig “orthodox” noemen langzamerhand ontstond. Tot in de vierde eeuw zijn er geen christenen geweest die expliciet geloofden in iets wat erg leek op wat wij in onze catechismussen hebben staan. Alle vroege kerkvaders verkondigden dingen die tegenwoordig als dwalingen zouden worden beschouwd. Er bestond wel een “mentaliteit” of “smaak” die je als proto-orthodox, dus als voorloper van de orthodoxie, zou kunnen beschouwen. Die was alleen vrijwel nooit dominant, zelfs niet na het concilie van Nicea. De opvolgers van Constantijn werden al snel en voor lange tijd Ariaans. Zij trokken zich dus van de beslissingen van hun voorganger niets aan. Daarna kregen ze weer een hele tijd Nestoriaans-achtige neigingen onder invloed van de islam (die waarschijnlijk min of meer uit datzelfde nestorianisme is geboren). Soms bestonden er verschillende stromingen bijna vreedzaam naast elkaar, zoals nu nog de monumenten in Ravenna laten zien. Daar staan zowel een ariaanse als een orthodoxe doopkerk, die ooit tegelijkertijd in bedrijf waren. Die situatie duurde echter nooit lang. Heel dit proces bestond immers niet uit onpersoonlijke krachten die willoos tegen elkaar aan drukten. Het ging om mensen met conflicterende ideeën, conflicterende karakters en conflicterende belangen.De belangrijkste protagonisten van deze hele dynamiek noemen wij de kerkvaders. De kerkvaders bewoonden een tijdvak van zo’n vijfhonderd jaar, van de tweede (bijvoorbeeld Justinus de martelaar) tot het begin van de zevende eeuw (Gregorius de Grote wordt als de laatste kerkvader beschouwd. Hij stierf in 604). Om ons daarin tenminste enigszins te kunnen oriënteren verdelen wij ze in groepen.* De Latijnse en Griekse kerkvaders, naar de taal van hun geschriften. * De Westerse en Oosterse kerkvaders, wat bijna dezelfde groepen oplevert, maar niet helemaal. * De apostolische vaders – de vaders die de eerste generatie na de apostelen vormden en soms nog leerlingen van hen waren geweest, of leerlingen van hun leerlingen. Paus Clemens (+ 100), Ignatius van Antiochië (+ 110), Papias (+ 130), Polycarpus (+ 156) zijn de meest bekende voorbeelden. Ireneüs van Lyon (+202) wordt wel als de laatste van hen beschouwd.* De vroege vaders, zoals Clemens van Alexandrië, tertullianus en Origenes. * De late vaders. Denk aan Gregorius en Isidorus.Dit alles waaiert uit tot een verwarrende zwerm vaders, dus kwam men in de middeleeuwen met de lijst van de zogenaamde ‘grote vaders,’ vier Latijnse en vier Griekse.* De grote Latijnse en Griekse kerkvaders: * Latijns: Ambrosius, Augustinus, Hiëronymus en Gregorius. * Grieks: Athanasius, Basilius, Chrysostomus en Cyrillus. * Dit zijn, op Gregorius na, allemaal figuren uit de vierde en de vijfde eeuw, de hoogtij van de patristische tijd (de “kerkvadertijd”). Het gros van de kerkvaders leefde in diezelfde periode. Merk op dat het niet allemaal heiligen waren, ook verschillende zogenaamde ‘ketters’ hebben het tot de lijst van kerkvaders geschopt, zoals Origenes en Tertullianus. Ook diegenen die wél op de heiligenkalender staan voldoen lang niet allemaal aan onze criteria voor verheffende karakters. Chrysostomus, Cyrillus en Athanasius waren vreselijke dogmatische heethoofden en Hiëronymus staat zelfs bekend als een van de meest moeilijke karakters uit de hele wereldgeschiedenis.De meesten van deze kerkvaders waren bisschoppen van belangrijkere steden in het Romeinse rijk. Verreweg het meeste prestige hadden Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem. Dat zijn de zogenaamde klassieke “patriarchaten,” die staan voor afzonderlijke tradities en soms zelfs zelfstandige Kerken. Rome en Constantinopel ontwikkelden zich op de lange termijn tot de centra van de belangrijkste christelijke stromingen, het katholicisme en de oosterse orthodoxie. Alexandrië en Antiochië werden de centra van de oriëntaalse en Koptische Kerken, die altijd veel kleiner zijn gebleven. Hoewel daar dus niet het politieke zwaartepunt lag, zijn zij op het gebied van de theologische inhoud lange tijd veel belangrijker geweest dan Rome en Constantinopel. Dat had te maken met het feit dat de twee belangrijkste christelijke opleidingscentra, de zogenaamde didaskalia daar gevestigd waren. Die hadden elk een heel eigen karakter, en hebben veel bijgedragen aan de vorming van de theologie zoals wij die nog altijd kennen. De Alexandrijnse school stond bekend om haar allegorische benadering van het Bijbelse materiaal. Zeker voor moderne lezers is het soms verbijsterend om te zien hoe vrij de kerkvaders met de Schrift konden omgaan. Uit twee woorden – soms ook nog met een redelijk banale, huishoudelijke inhoud – worden hele spirituele, morele en dogmatische tapijten geweven, in duizend kleuren. De school van Antiochië was ondertussen een stuk nuchterder ingesteld, en hield het bij een zekere vorm van letterlijkheid. Wel werd ook daar druk aan typologie gedaan, dus aan het opsporen van voorafbeeldingen van nieuwtestamentische werkelijkheden in het Oude Testament. Geen van beide scholen was overigens solide orthodox, tenminste in moderne ogen. Dat illustreert nog maar weer eens dat er toen nog geen helder uitgelijnde rechtgelovigheid bestond. Die vormde zich juist op dat moment, in een heetgebakerd proces. Daarbij hebben beide scholen meerdere eeuwen bestaan en veranderden dus ook meerdere keren van atmosfeer en stijl. De beroemdste theoloog uit de vroegere Alexandrijnse school was de kerkvader Origenes, die er de meest exotische ideeën op nahield die nogal eens meer Platoons dan christelijk aandeden. Latere coryfeeën zoals Cyrillus en Athanasius wilden met hem niet meer geassocieerd worden. Het didaskalion van Antiochië was dan weer in eerste instantie de bakermat van het Nestorianisme, maar bracht ook de heilige Johannes Chrysostomos voort, ongeveer de ziel van de oosterse orthodoxie. Die was dan weer in eerste instantie bevriend met Theodorus van Mopsuestia, die door de Nestorianen en de Syro-Malabaren als een heilige, maar door de orthodoxen als een ketter wordt beschouwd. Het siert de scholen van Antiochië en Alexandrië dat ze vogels van zo verschillende pluimage hebben voortgebracht. Er heerste duidelijk – minstens een deel van de tijd – een soort van academische vrijheid. Uiteindelijk belandde de school van Alexandrië in de schoot van de oriëntaalse Kerken en die van Antiochië in die van de orthodoxen. Tegen die tijd was hun rol echter ook wel ongeveer uitgespeeld.Mede door de bemoeienis van de keizers in het oosten en de visigotische en andere heersers in het westen duurde de periode van de vorming van de orthodoxe theologie de volle eerste zeshonderd jaar na Christus. Waarschijnlijk ook vooral door die politieke factor was het eigenlijk een heel onsympathiek proces, met grotendeels onsympathieke protagonisten. Niet voor niks hoort een groot deel van de heiligen uit die periode tot het contingent op de kalender dat wel liturgisch wordt herdacht, maar nauwelijks door het christenvolk met devotie wordt gekoesterd. Men roept hen niet aan als men in de zorgen zit, daarvoor heeft men de monnikenheiligen uit dezelfde periode, zoals de heilige Antonius Abt. De enige van de bisschoppen die het tot volksheilige heeft geschopt is die van Myra, een gat aan de Lycische kust dat nooit van enig belang is geweest. We noemen hem Sint Nicolaas, en er is geen woord van hem overgeleverd. Wel schijnt hij Arius een mep te hebben verkocht, maar dat zal de vrome gelovigen worst zijn. Zij roepen hem niet aan om zijn rechtgelovigheid, maar om zijn vaderlijke steun. In Rusland gaat dat zelfs zo ver dat men zegt: “Mocht God de Vader nog eens overlijden, dan hebben wij gelukkig de goede Sint Nicolaas nog.” Zo zie je maar dat “belangrijk” een zeer relatief begrip is. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
7
Zuiverheid en puurheid
In de Advent verwachten we eigenlijk de verhalen uit het begin van de Evangelieën van Lucas en Mattheüs te horen. De verhalen over de aankondiging en de geboorte van Johannes de Doper, vooruit. Maar vooral ook de boodschap van de engel aan Maria, de droom van Jozef en het bezoek van de zwangere Maria aan haar nicht Elisabeth. Het kindje Johannes in de schoot van Elizabeth sprong van blijdschap op toen het zijn kleine Verlossertje in de buik van Maria herkende. Dát zijn opwekkende verhalen, dáár kunnen we wat mee. Dáár krijgen we een kerstgevoel van.Dus waarom in vredesnaam worden we alle vier de zondagen van de Advent doodgegooid met diezelfde Johannes, maar dan als hij al lang niet meer schattig is? Een stinkende, magere mopperkont in de woestijn. Bekeer u! Het einde is nabij! roept hij. De evangelisten schrijven heel optimistisch dat Jan en alleman zich door Johannes liet dopen, maar ik vermoed dat het in werkelijkheid niet meer dan een handjevol zal zijn geweest. Per slot van rekening hebben er in alle tijden van die verfomfaaide types rondgelopen die het einde der tijden verkondigden. Alleen dwaze oude vrouwen en mensen met een aanleg voor schizofrenie geloven in zoiets. Toch?Inderdaad. En meestal komen die bedrogen uit. Ten eerste zijn de meeste zedenprekers flessentrekkers. Let maar eens op. Hoe meer het over eerlijkheid en zuiverheid gaat, hoe meer het naar vis begint te ruiken. En die vis is zelden vers.Ik las deze week in de Elsevier een column van een zekere Daniela Hooghiemstra die, zoals de meeste mensen bij de Elsevier, niet overloopt van de lievige zweverigheid. Dat werd ook al gelijk duidelijk bij de eerste zin van die column. “Als iemand het woord ‘eerlijk’ in de mond neemt,’ zo schreef zij, ‘moet je altijd opletten. Net als ‘zuiver,’ ook een alarmbel.” Zij had zich evengoed door een vriendin laten meeslepen naar een yoga-les. “Wij, in de meerderheid vrouwen,” zo ging ze verder, “moesten liggend op de grond onze ogen sluiten, en het volgende dat ik wist, was dat de yogaleraar in al zijn zuiverheid bovenop mij lag.”Ik neem aan dat die eerste yogales voor mevrouw Hooghiemstra ook gelijk de laatste was. Niks ontluistert een boodschap zo grondig als wanneer de boodschapper hele andere dingen doet dan wat hij zegt.Priesters lopen daar vaak over te piekeren. Ook diegenen die niet bovenop je gaan liggen. De kans, bijvoorbeeld, dat ikzelf mij niet zou kunnen bedwingen om plotseling bovenop jullie te komen liggen is klein. Of het zou zo moeten zijn dat deze preekstoel niet vast genoeg aan de muur zit...Het lijkt erop dat het mee gaat vallen. Toch weet ik donders goed dat ik niet samenval met mijn boodschap, dat er tussen het Evangelie dat ik breng en mijn eigen werkelijkheid overal kieren en gaten zitten. En hobbels en bobbels.En Christus wil dat ik met kerst niet alleen vroom zit te dénken aan zijn geboorte hier op aarde, ooit eens lang geleden: hij wil ook - en vooral - hier en nu in en uit mij geboren worden.Nou komt hij best over een paar kieren en gaten en bobbels heen: de stal in Bethlehem was ook bepaald geen paleis met geboende marmeren vloeren.Maar ik verlang er toch ook zelf naar Hem niet te ontvangen in een donker en smerig hol.En zo geldt het niet alleen voor gewijde priesters. Dat geldt zo voor alle gedoopte christenen, die per definitie een vorm van priesterschap uitoefenen. Elke christen bemiddelt tussen deze wereld en God, is een ladder die van de hemel naar de aarde loopt, en waarlangs engelen zouden moeten afdalen en opstijgen.Daarom houden we onze aandacht toch nog maar even op wat die uitgebeende schreeuwlelijk van een Johannes allemaal roept in de woestijn.Baan een weg voor de Heer. Maak zijn paden recht.En of Daniela Hooghiemstra dat nou een goed idee vindt of niet: eerlijkheid en puurheid worden dan toch weer begrippen waar we niet omheen kunnen. Niet om anderen over te halen onze schone schijn te slikken. Wél om, heel stil en diep van binnen, onszélf aan te toetsen.Ben ik wel genoeg zoals de tollenaar in de tempel, die zei: ik weet dat ik hier eigenlijk niet mag zijn, omdat ik onwaardig ben deze heilige plaats te betreden. Of toch weer meer zoals de farizeeër die zegt: maar kijk eens naar hoe uitgesproken tof ik ben!De eerlijkheid en puurheid die Johannes van ons eist zijn de eerlijkheid en puurheid van een hart dat zich niet verbergt. Zich niet verstopt achter hobbels en bobbels en kieren en gaten.Maar die zich, naakt, voor God stelt en zijn best doet dat uit te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
6
Wie bidt er nog tot Sint Nicolaas?
Sinterklaas als kinderfeest is superleuk, niks meer aan doen. Maar wat betekent Nicolaas eigenlijk als heilige? Zijn er nog mensen die serieus bidden tot Nicolaas? Doet de Kerk nog wat aan hem? Want hij is toch in 1969 van de kalender geschrapt? Of niet dan?O, wat was hij geliefd, de hele middeleeuwen door. Zowel in West- als in Oost-Europa hielden alle mensen van de heilige Nicolaas, tot de protestanten met hun anti-heiligencampagne begonnen. En zelfs die protestanten konden hem eigenlijk niet loslaten. Hij bleef, samen met de heilige Martinus, bij de reformatie zo’n beetje hangen. Hij raakte wel wat verfrommeld, verhuisde naar Spanje, kreeg omstreden personeel en veranderde in een zoetekauw, maar hij vertikte het toch ook te verdwijnen, hoe hard de dominees ook tegen hem preekten. Een beetje zoals zo’n balletje snot dat aan je vinger blijft plakken wat je ook doet. Of een bubbel onder het linoleum die je wel op en neer kan wrijven, maar nooit echt weg krijgt.Hoe dan ook, wie is nou eigenlijk deze Nicolaas die maar niet weg te branden is? Nou, we weten in ieder geval redelijk zeker dat hij bestaan heeft, en dat is al heel wat in dit soort gevallen. Zijn levensbeschrijvingen zijn weliswaar pas heel laat geschreven en staan vol met de gebruikelijke gezellige flauwekul, maar zijn naam komt al wel voor in oude lijsten met bisschoppen. Ook werden er al vóór de zesde eeuw kerken aan hem gewijd en staat zijn feest ook al heel vroeg op allerlei kalenders.Bijna iedereen is het erover eens dat hij bisschop was en in de vierde eeuw moet hebben geleefd, dus in de volle bloei van de kerkvadertijd. Dat was geen sympathieke periode. Het klinkt bizar, maar de meeste heiligen uit die tijd waren ruziezoekers en vechtersbazen. Dat is niet helemaal hun eigen schuld: het was precies in die tijd dat de officiële leer van het christendom zich aan het vormen was. Dat gebeurde vooral door eindeloos te filosoferen en soms ook te fantaseren over wie die Jezus Christus nou eigenlijk was geweest. Daarbij bloeide er van alles op, ook ideeën die achteraf niet zo gelukkig waren, en die moesten dan weer bestreden worden.De Romeinse keizers waren niet dol op al dat theologische geharrewar, want dat bracht de politieke stabiliteit van het keizerrijk in gevaar. Soms grepen ze dus in. Tegenwoordig wordt vaak gezegd: ‘de christelijke theologie is bedacht door keizer Constantijn’ of iets in die geest. Maar dat is onzinnig. Hij zou niet hebben geweten waar hij zou hebben moeten beginnen. Wat hij wel deed was zoveel mogelijk bisschoppen van overal vandaan bij elkaar in één hok stoppen en eisen dat ze tot een gemeenschappelijke consensus zouden komen. Een concilie, werd zoiets genoemd. De eerste keer dat hij dat deed bracht hij ze bij elkaar in stad niet ver van Constantinopel, Nicea, het huidige Iznik in Turkije. Daar werd voor het eerst vastgelegd dat Christus één in wezen met God de Vader is, tegen de leer van Arius.Ik vertel het zo uitgebreid omdat er van de heilige Nicolaas wordt verteld dat hij niet alleen op dat concilie in Nicea aanwezig was, maar ook nog die Arius, wiens leer daar bestreden werd, een mep verkocht zou hebben. Zo’n rare gedachte was dat niet, want Myra, waar Nicolaas bisschop was, lag maar zo’n twee weken reizen van Nicea vandaan. Doenlijk, voor die tijd. Ook zet het verhaal Nicolaas neer als een belangrijke speler in de kerkgeschiedenis en een stoere voorvechter van de rechte leer.Hij was er alleen waarschijnlijk niet, want hij komt niet voor op de deelnemerslijsten. Misschien had hij een griepje. Misschien had hij wat anders te doen. We weten het gewoon niet.Goed, wat weten we dan wel? Hij was dus bisschop van Myra. Dat was een provincieplaatsje in de toenmalige provincie Lycië, aan de zuidkust van het huidige Turkije. Dat was niet zo’n heel hoge functie in die tijd, meer te vergelijken met een pastoor van een grote parochie later, of een deken van een aantal parochies. Hij heeft geen geschriften nagelaten, en ook zijn er geen mensen uit zijn eigen tijd die over hem hebben geschreven.Maar het ligt wél voor de hand dat hij lokaal, in zijn eigen omgeving, een ijzersterke reputatie had als weldoener. Als iemand met een grote empathie die zijn nek uitstak om mensen die leden te helpen. Legenden groeien namelijk niet uit het niks, maar ontkiemen uit een soort zaadjes van verhalen die door mensen worden rondverteld. En alle legenden die Nicolaas later zijn contouren hebben bezorgd, gaan over zijn medelijden met mensen in de verdrukking.Zo is er het verhaal over de arme man met zijn drie dochters. Hij kon voor hen geen bruidsschat betalen en was ten einde raad. Hij stond op het punt hen aan een bordeelhouder te verkopen toen een geheimzinnige weldoener tot drie keer toe een zak goud bij hem naar binnen gooide. Die weldoener was de jonge Nicolaas, nog geen bisschop, maar wel rijk. Hier komen de drie gouden ballen vandaan die heiligenbeelden van Nicolaas vaak als attribuut dragen. Een attribuut is een voorwerp waaraan je een heilige kan herkennen.Hij heeft niet altijd die drie gouden ballen. Heel vaak heeft hij ook een kuip aan zijn voeten staan waarin drie biddende knaapjes zitten. Dat komt van een andere legende. Er was eens een hongersnood in die streek. Er was nergens nog vlees te krijgen. Daarom vermoordde een herbergier drie studenten die bij hem wilden overnachten. Hij hakte ze in stukken en pekelde ze in om ze later als gezouten vlees te kunnen verkopen. De goede Sint Nicolaas betrapte hem daarop. Hij brandmerkte hem met zijn blik, plakte de studenten weer aan elkaar en blies ze de levensadem weer in de neus. Sindsdien is hij de beschermer van de kinderen en jongelingen.Bij de volgende hongersnood meerden er drie schepen met graan voor de keizer aan in de haven van Myra. Nicolaas smeekte de zeelieden om graan voor zijn bevolking, maar die weigerden. Elke korrel moest naar de keizer. Daarop beloofde Nicolaas hen dat er, als ze in Constantinopel aan zouden komen, geen korrel minder in hun ruimen zouden liggen. En zo gebeurde. Al het graan werd uitgedeeld en heel de stad Myra overleefde daar twee volle jaren op. Toch kwamen ze met dezelfde hoeveelheid koren in Constantinopel aan als waar ze mee waren uitgevaren.Dit zijn allemaal legenden die ontstaan zijn tussen de zesde en de twaalfde eeuw. Ze dienen als een soort vignetten voor zijn karakter: hij was een toonbeeld van empathie, dat is duidelijk. De details zijn verzonnen.Dat verhinderde op geen enkele manier dat hij in veel streken de meest populaire heilige na de Maagd Maria werd. Zoals gezegd steekt hij in sommige oosters-orthodoxe streken zelfs Onze Lieve Heer zelf nog naar de kroon. Vooral in Rusland ontstonden de meest lieflijke volksverhalen over hem. Daar werd hij op den duur vooral opgevoerd als de barmhartige tegenpool van de strenge profeet Elia. Als Elia besloot de mensen te straffen voor hun goddeloosheid en hun morele verdorvenheid loste de heilige Nicolaas dat stiekem met allerlei kunt en vliegwerk weer op, omdat hij medelijden met de mensen had.Dat het daar om boerenlegenden gaat, wordt onmiddellijk duidelijk. Ze staan stijf van het landbouwjargon en draaien nauwelijks om geestelijke zaken, maar om eenvoudig geluk of ongeluk hier op aarde.Zo waren Elia en Nicolaas eens samen aan het wandelen toen ze een jong boertje tegenkwamen dat zo blij was als een hond met twee staarten. Elia vond zoveel vrolijkheid ongepast op deze zondige wereld, en vroeg waarom hij zo blij was. Het boertje, dat Iwan - zeg maar Jantje - heette, zei dat zijn landerijen er blakend bijlagen en zijn paarden gezond waren. Het enige wat hij zich nu nog wenste was dat de goede Sint Nicolaas hem een weelderige tarweoogst zou geven.De strenge Elia was daar verontwaardigd over, want dat was van oudsher zijn taak. ‘Ik zal hem eens lekker te grazen nemen,’ zei hij tegen Nicolaas. ‘Ik laat zijn tarwe glanzend en schitterend van gezondheid opkomen, en dan verniel ik het op het laatste moment met een geweldige donderbui.Daarop ging Nicolaas ‘s avonds stiekem naar het boertje. ‘Verkoop je tarwe maar,’ zei hij tegen hem. De arme Iwan begreep niet waarom hij in godsnaam die prachtige tarwe zou moeten verkopen, maar deed het toch maar, uit eerbied voor dat geheimzinnige oude vadertje. Hij verkocht de tarwe op zijn land aan zijn buurman, die er de koning te rijk mee was en hem voor gek verklaarde.Even later vernielde Elia met zijn donderbui natuurlijk die tarwe. ‘Maar die had hij net aan zijn buurman verkocht!’ zei Nicolaas met een onschuldig gezicht tegen Elia. Die stampvoette van boosheid op de grond en bezwoer dat hij de tarwe weer op zou richten, en mooier zou maken dan ooit. Daarop ging Nicolaas natuurlijk weer snel naar Iwan en zei hem de vernielde tarwe van zijn buurman terug te kopen voor de helft van de prijs. Enzoverder, enzovoort.Dit soort verhalen maakt wel duidelijk dat Nicolaas en Elia in Rusland de trekken van oudere Slavische natuurgeesten hebben overgenomen. Elia lijkt duidelijk op Perun, de Slavische dondergod. Nicolaas neemt de rol over van Veles, en eventueel van andere beschermgeesten die de mensen goed gezind zijn. Geen wonder dat hij voor de Russen wel ongeveer goddelijke proporties kreeg.Maar in heel het christelijke oosten vind je zijn ikonen werkelijk overal terug en blijft hij onverminderd populair.Dat maakt het dan wel weer ironisch dat hij in de katholieke Kerk onder vuur kwam te liggen bij een poging de oecumene te dienen, dus de eenheid met andere christenen. In 1969 werd hij door de liturgievernieuwers van de universele kalender geschrapt, bizar genoeg tegelijk met de drie andere heiligen die in de middeleeuwen ooit juist het meest waren vereerd: Barbara, Catharina en Margaretha. Ook de heilige Christoffel moest toen het veld ruimen, tezamen met nog een hele rij oeroude heiligen. Ze zouden te weinig historische basis hebben om serieus genomen te worden.Aan de ene kant verbaast dat niemand, want de liturgievernieuwers in de jaren zestig leken sprekend op de calvinistische dominees uit de zestiende eeuw. Dat kan ik rustig zeggen, want daar waren ze ook heel open over en nog trots op ook. ‘Als wij klaar zijn met de Mis, kunnen principiële protestanten er zonder problemen aan meedoen,’ zeiden ze. Daar kwam natuurlijk niks van terecht. De principiële protestanten kregen de slappe lach van het idee. Of zouden die hebben gekregen als ze daartoe enige aanleg hadden bezeten. Ondertussen was het leed natuurlijk wel geschied, en lag er veel van wat de katholieken nou juist het meest dierbaar was op de schroothoop van de geschiedenis. De stilte, de wijding en de schoonheid, vooral, maar dus ook een hele berg heiligen, waaronder sint Nicolaas. Dat hielp de oecumene met de protestanten op geen enkele manier, maar wekte wel het afgrijzen van de oosters-orthodoxen op. Wat aan de ene kant niet hielp bracht aan de andere kant juist schade toe.Nou heeft de katholieke Kerk in de loop van haar lange bestaan een soort immuunsysteem opgebouwd. Dat is altijd als een onderstroom aanwezig, maar wordt extra belangrijk als haar geestelijkheid op hol slaat, wat zo eens in de vijfhonderd jaar gebeurt. Dat immuunsysteem noemen wij ‘volksdevotie.’ Daarmee bedoelen wij een vorm van religieus zijn die bijna helemaal spontaan en intuïtief is, en die vooral gedragen wordt door vrouwen. Die onderstroom leeft naast en onder en soms samen met de officiële theologie en eredienst van de Kerk. Soms botsen ze, en wordt het spannend wie er gaat winnen. Formeel zouden dat altijd de heren geestelijkheid moeten zijn, maar in de praktijk zijn de grootmoeders vaak taaier, en meestal is dat maar goed ook. Niet altijd, maar meestal wel.In ieder geval hebben ze Nicolaas van de schroothoop gered. In Nederland is er weinig devotie meer voor andere heiligen dan Maria, maar in Zuid-Italië en vooral Oost-Europa zijn de mensen diep aan Nicolaas verknocht. In Rusland maken ze het, zoals ik al heb uitgelegd, het bontst. Daar zeggen ze: mocht Onze Lieve Heer ooit overlijden, dan hebben we gelukkig onze Nicolaas nog.’ Het theologische gehalte daarvan is... eeh... speciaal, maar het zegt wel iets over hoe ze erin staan. Natuurlijk hebben ze daar ook niks te maken met liturgiecommissies van de paus. Ze hebben daar weer hun eigen mispunten. Zonder beproevingen wordt niemand zalig. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
5
Religiestress
Er stond in het Nederlands Dagblad van vandaag een artikel van ene Aafke Romeijn, die ik niet kende, maar die enige bekendheid schijnt te hebben als muzikante en schrijfster. Het ging over hoe ze zich, met haar dochtertje, had laten dopen in de katholieke Kerk. Nou horen we op moment aan de lopende band van dat soort verhalen, maar dan gaat het meestal over heel jonge mensen. Aafke is van 1986. Ze was opgegroeid in een links-progressieve bubbel, zo schreef ze, dus had ze de nodige aarzeling moeten overwinnen voordat ze de stap naar de Kerk had durven maken.Verderop in het artikel beschreef ze die aarzeling als een fenomeen dat eigenlijk wel een iets sterker etiketje had verdiend dan ‘aarzeling.’ Er was duidelijk een reële angst voor sociale vervreemding geweest, de angst verwijderd te raken van familie en vrienden. Die angst had haar er langdurig van afgehouden om haar nieuwsgierigheid naar de katholieke traditie de vrije teugel te geven. Sterker nog: ze had die nieuwsgierigheid de hele tijd zorgvuldig verborgen gehouden, terwijl ze verder gewend was haar halve leven te delen in haar creatieve uitingen, muziek en schrijverij. “Erover schrijven maakte me nerveus, want bekennen dat je niet onwelwillend staat tegenover religie is, in de links-progressieve bubbel waarin ik me doorgaans bevind, alsof je toegeeft stiekem op je politieke tegenstander te stemmen. Het wordt in het beste geval niet begrepen, in het meest waarschijnlijke geval ronduit afgekeurd.” Dit is inderdaad geen aarzeling. Dit is angst. Een aarzeling is een stapje terugdoen. Nog eens even goed kijken of dat wat je fascineert wel is wat het is. Angst doet iets veel fundamentelers. Het vouwt je op jezelf in en verhindert je je te ontplooien. Angst ontzegt je de vrijheid om te onderzoeken wat je fascineert, je vrij te uiten, creatief te zijn, je te verwonderen. En de angst niet meer te worden geaccepteerd door de groep waarin je je veilig voelt is wel een van de meest intense soorten die er zijn. Aafke schrijft:“In mijn opvoeding stond zelfstandig en authentiek denken centraal, en steeds weer hoorde ik de stemmen van mijn ouders en juffen en meesters in mijn hoofd, die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden. Als ze mij zo zouden zien, in de kerkbanken, dan zou dat een enorme teleurstelling voor hen zijn, alsof ze me kwijt waren geraakt aan een sekte of een gewelddadige relatie.”Eigenlijk een passage die zo ironisch uitpakt dat hij zo uit een absurde komedie lijkt te zijn ontsnapt. Een extraverte, creatieve alleskunner durft al haar hele bestaan een leven te leiden waarin, zo schrijft ze zelf, van alles met de hele wereld deelt. Maar dan verkrampt ze plotseling. Omdat haar nieuwsgierigheid haar naar de wortel en de bron heeft geleid van de hele cultuur waar ze al haar hele leven zo uitzinnig uiting aan geeft. Omdat ze de stemmen van haar opvoeders in haar hoofd hoort “die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden.” Aafkes opvoeders hadden haar - ongetwijfeld met de beste bedoelingen en onbewust - geleerd in alle vrijheid kritiekloos hun eigen vanzelfsprekende gebruiken en woorden te volgen. Hun eigen traditietje. En dat zette zich nou eenmaal af tegen de grote traditie, die daarmee ergens onderweg van fundament tot verboden vrucht was geworden.Het lijkt nou alsof ik die mensen wil aanvallen of Aafke zelf een gebrek aan lef wil verwijten. Maar uiteindelijk is het eigenlijk allemaal gewoon goed afgelopen. Zelfs haar uitgesproken antikerkelijke vader zat uiteindelijk in de Kerk en trok de enige juiste conclusie: “Ik ben blij dat het me gelukt is om autonoom denkende kinderen op te voeden, en dat jullie de vrijheid voelen om te kiezen voor wat bij je past.” Die formulering zou je toch weer als zelfingenomen kunnen lezen, maar de context ervan doet eerder een verwonderd leermomentje vermoeden.Er is hier nog een andere vorm van ironie aan het werk, een waarvan ik hoop dat Aafke er niet al teveel last meer van zal krijgen. Want de katholieke Kerk waar ze zo moedig is binnengegaan is in feite in hetzelfde bedje ziek als haar onderwijzers en familieleden waren. We hebben zestig jaar ondankbare onttovering en zelfsecularisering achter de rug. Het lawaai van de cognitieve dissonantie was niet te harden, en is nog lang niet écht verstomd. De grote katholieke traditie is tot verboden vrucht geworden om een nieuw bedacht en altijd breekbaar gebleven illusietje koste wat het kost heel te houden. Natuurlijk zijn daar allerlei redenen voor waarvan er een aantal heel begrijpelijk zijn. Maar met zijn allen honger lijden omdat de koelkast taboe is verklaard en in de verkramping verstarren in naam van de vrijheid maakt niemand gelukkig. Niet binnen en klaarblijkelijk ook niet buiten de Kerk. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
4
Ruusbroecs leven
In 2021 maakte ik voor het eerst een cursus die opgebouwd was uit videofilmpjes. Natuurlijk zaten er daar ook twee over Jan van Ruusbroec tussen, mijn favoriete christelijke schrijver van alle tijden. Eén daarvan heb ik een week of twee geleden al gepost, dat ging over fragmenten uit de ‘Brulocht.’ Die staat HIER. Omdat het vandaag zijn liturgische feestdag is, post ik nog maar eens een keer zijn levensbeschrijving. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
3
De Miraculeuze Medaille
NB: Voor betalende abonnees is er nog een nadere verklaring over dit soort droomverschijningen, tempelslaap, kerkvaders en een moderne Catharina HIERHet was in 1830 in het moederhuis van de ‘Dochters van Liefde’ aan de Rue du Bac in Parijs. Geen huis vol dromerige slotzusters, maar het zenuwcentrum van een broodnuchter verpleegstersnetwerk. Dit waren de vrouwen met de handen uit de mouwen. De meisjes die hier werden opgeleid gingen een leven van zwaar en vaak ook smerig werk tegemoet. Zoiets was de boerendochter Zoe - nu zuster Cathérine - op het lijf geschreven. De wereld zachter maken met je hánden in plaats van met ingewikkelde theorieën en saaie preken. Ze had pas laat in kunnen treden, want ze was nooit naar school geweest. Men had haar thuis niet kunnen missen bij het verzorgen van de varkens en de duiven. Ze had trouwens ook bepaald niet de gave van het woord. Ze was stil, op het norse af. Die uitstraling werd nog eens versterkt doordat ze in het noviciaat als vierentwintigjarige jonge vrouw tussen de meisjes van zeventien en achttien zat. Dat gaf haar een onzichtbaarheid die ze haar hele leven als een behaaglijke wollen jas om zich heen zou slaan. Zo was ze in feite - temidden van de patiënten, pispotten en kletsende verpleegsters - meer met God alleen dan menige kluizenares. Het was in de nacht van 18 op 19 juli 1830. Cathérine was diep in slaap, want de nachten waren kort en de dagen zwaar en uitputtend. Ongetwijfeld droomde ze over verbanden aanleggen en ouwe mannetjes wassen. Plotseling voelde ze dat er iemand aan haar dekens stond te trekken. Kreunend en met tegenzin deed ze haar ogen open. Was het al ochtend? Nou al? Het was toch nog donker? Toen ze haar hoofd van het kussen oprichtte zag ze een klein jongetje, van een jaar of vijf of zo. Hij stond naast haar bed, helemaal opgewonden en ongeduldig. ‘Zuster, iedereen slaapt! Kom vlug, de Heilige Maagd zit op je te wachten! Cathérine dacht dat ze gewoon een heerlijke droom aan het dromen was, en besloot er eens lekker aan toe te geven. Ze trok (‘zogenaamd’) haar schoenen en haar habijt aan en liep het jongetje achterna, dat half rennend en huppelend voor haar uit door de gangen trippelde op zijn korte beentjes. Achteraf vroeg ze zich waarschijnlijk af hoe ze in vredesnaam in de kapel was aangekomen zonder onderweg haar nek te breken. Er stond die nacht een nieuwe maan - dus géén maan - en het gebouw was groot en de gangen lang en met veel rare hoeken en gaten. Waarschijnlijk had het kindje stiekem een beetje licht gegeven. Toen ze binnenkwam brandden alle kaarsen op de altaren. Het rook er naar bloeiende dingen, naar het paradijs. Het Kindje leidde Cathérine helemaal naar voren, naar het hoogaltaar, nog voorbij de communiebank. Overdag zou ze het niet in haar hoofd gehaald hebben ook maar één voet op die hoogheilige plaats te zetten. Ze was er nog niet aangekomen of ze hoorde het ‘geritsel van een zijden gewaad.’ De Heilige Maagd was in de zetel van de priester gaan zitten, en nu zat Cathérine aan haar voeten. Ze praatten wel twee uur met elkaar - moeder en dochter. Achteraf kon ze er lang niet alles van navertellen, maar dat was niet erg. De essentie ervan was dat ze geen makkelijk leventje zou leiden, maar dat ze elke stap van de weg door de hemel gedragen zou worden. En dat ze op deze aarde niet voor zichzelf alleen leefde, maar een heel bijzondere taak had te vervullen. De taak om de mensheid een troostend geheimpje te geven, iets waardoor ze de warmte van hun hemelse moeder elk moment voor de geest zouden kunnen halen.Wat dat geheimpje precies was werd duidelijk op 27 november 1830. Toen verscheen Maria opnieuw aan Cathérine, en toonde haar een ovalen medaille. Op de voorkant stond ze zelf, met uitgestrekte armen, waar stralen uit tevoorschijn schoten. Om haar heen lichtte een tekst op: ‘O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen.’ Daarna draaide de medaille zich om. Op de achterkant stonden de twaalf sterren die Maria om haar hoofd draagt. Zo wordt het beschreven in het boek Openbaringen. Ook was er de letter ‘M’ van Maria op te zien, met een kruisje erop, en ook nog de harten van Jezus en Maria. Dat van Jezus herken je aan de doornenkroon die eromheen zit, dat van Maria omdat het doorboord is met een zwaard en een krans van rozen draagt. Cathérine kreeg van Maria de opdracht om ervoor te zorgen dat medailles zoals deze zouden worden geslagen en uitgedeeld aan de mensen. ‘Iedereen die deze medaille met vertrouwen draagt zal mijn genaden ontvangen,’ zei de Heilige Maagd.Zo op het eerste gezicht was dat een onmogelijke opdracht voor een novice in een verpleegstersklooster. Maar juist omdat Cathérine nooit haar mond opendeed en geen greintje fantasie had ging het eigenlijk nog vrij makkelijk. Ze zei simpelweg tegen haar biechtvader wat er was gebeurd en wat de bedoeling was. Die biechtvader was geen idioot, dus wachtte nog even geduldig af. Een jaar of twee. Na die twee jaar kwam hij tot de conclusie dat Cathérine nog steeds op geen enkele manier de aandacht trok. Ook werd ze niet ongeduldig. Ze matigde zich niks aan en drong zich nergens op. Ook had ze verder tegen niemand met een woord gerept over wat ze had beleefd. De biechtvader ging daarop naar de aartsbisschop van Parijs en stelde hem op de hoogte van wat hij had gehoord. Hij vertelde hem niet eens wélke zuster het was geweest, die de hemelse opdracht had ontvangen. De bisschop was onder de indruk van zuivere eenvoud van het hele verhaal, en ging snel overstag. Hij gaf toestemming de medailles te slaan. Die veroverden stormenderhand de hele katholieke wereld. Al snel liep tachtig procent van de katholieken met een ‘miraculeuze medaille’ om de nek. Want zo werden ze al snel genoemd, die medailles.Cathérine ging gewoon door met kreukelige billen wassen en pispotten legen. Ze vertelde nooit een levende ziel dat zíj degene was die de wereldberoemde verschijningen had gehad. Ze stierf in 1876, zeventig jaar oud, en was haar hele leven bejaardenverpleegster geweest.Toen haar medezusters er vervolgens achterkwamen dat het dat saaie, stille, grofgebouwde werkpaard was geweest dat ze de miraculeuze medaille had bezorgd, waren ze stomverbaasd. Toen ze voor haar zaligverklaring werd opgegraven bleek haar lichaam nog volledig intact te zijn. Zo ligt ze nu in een glazen schrijn in dezelfde kapel waar ooit de Heilige Maagd aan haar verscheen. Ze schijnt haar ogen open te hebben en die schijnen niet eens gebroken te zijn. Gelukkig kun je dat van de zijkant niet zien, want dat lijkt me een beetje griezelig. Maar ook wel wonderlijk.Dat dit hele sprookjesachtige verhaal heel moeilijk te plaatsen is als je er dieper over na gaat denken, spreekt vanzelf. Eigenlijk ligt het tegen het gênante aan. Daarom zal ik er op paterhugo.nl nog eens dieper op ingaan. Kunnen wij als moderne mensen met een gezond verstand nog iets met dit soort feeërieke religieuze ervaringen? Zou je je voor kunnen stellen dat je zo’n ‘miraculeuze medaille’ zou gaan dragen, en wat voor waarde zou je daar dan aan hechten? Ik zal daar ook vertellen hoe dit fenomeen een grote rol speelde in mijn eigen jonge jaren als frisbekeerde katholieke puber. En hoe ik daardoor bevriend raakte met een moderne ‘Catharina Labouré.’ This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
2
Inleiding op het Christendom III
Het christendom bloeide op uit het jodendom door het optreden van één Man, die in eerste instantie niet eens zo bijzonder leek te zijn. Het is makkelijk in Hem een apocalyptische prediker te herkennen, dus iemand die het einde der tijden verkondigde. Daarvan gingen er op dat moment wel dertien in een dozijn. Uiteindelijk stierf Hij een afschuwelijke en in eerste instantie roemloze dood.Toch schoof zijn schijnbaar erbarmelijke mislukking het wereldbeeld van heel het Romeinse Rijk volkomen van de fundamenten. Ideeën die in het jaar 100 n. Chr. nog volkomen krankzinnig zouden hebben geklonken waren rond 400 n. Chr. gemeengoed geworden. De heiligheid van het menselijke leven is daar de meest opvallende van. De ene God in drie Personen blijft ook bijzonder. Het primaat van de barmhartigheid was voor de Romeinen in eerste instantie ook geen gesneden koek. De maagd die een Kind baart. God die godverlaten is. Allemaal volkomen nieuw. Het leek wel alsof de hele beschaving in een soort psychose of drugsroes terecht was gekomen. Iets gesnoven had. En zo zullen velen er ook lange tijd over gedacht hebben.Maar laten we even bij de les blijven en beginnen bij het begin…Jezus Christus leefde in een tijd dat het Joodse volk voor de zoveelste keer in zijn geschiedenis in onvrijheid leefde, deze keer onder de Romeinen. Die mogen dan meesters zijn geweest in het inpassen van andere volken in hun immense rijk, maar juist met de Joden lukte dat eigenlijk nooit.1. Israël onder de RomeinenDe Romeinse inmenging in Israël was begonnen in 63 v. Chr. Er was een opvolgingscrisis bij de op dat moment heersende Hasmoneeën, de dynastie die was ontstaan uit de priesterlijke familie van de Makkabeeën. Die crisis gaf de Romeinse veldheer Pompeius een voorwendsel om zich ermee te bemoeien. Hij nam Jeruzalem in en stelde één van de Hasmonese troonpretendenten, Hyrkanus II als hogepriester aan, maar weigerde hem de koningstitel. Ook werd het Joodse grondgebied verkleind tot alleen Judea, Samaria, het zuiden van Galilea en het oosten van Idumea. Deze situatie bleek allesbehalve stabiel te zijn. Toen de Romeinen dan ook thuis in Rome verstrikt raakten in burgeroorlogen verzwakte hun greep op – onder andere – dit gebied. De Parthische oosterburen buren vonden dat wel een leuke gelegenheid om hun invloed westwaarts uit te breiden. Zij steunden een andere Hasmonese troonpretendent, Antigonus, die zij in 40 v. Chr. Op de troon wisten te zetten.De aanhangers van Hyrcanus II vluchtten gedeeltelijk naar Rome, waaronder de latere Herodes I, de zoon van een van de partijgangers van de afgezette hogepriester Hyrcanus. Hij werd daar, in Rome, door de Romeinse senaat benoemd tot “koning van de Joden.” Met Romeinse steun veroverde hij vervolgens het land in 37 v. Chr. Hij zou er regeren tot 4 v. Chr. Herodes was een wreed bestuurder die zich in de loop van zijn bewind ongelooflijk gehaat wist te maken. Wat ook niet hielp was dat hij geen Judeër was, maar een Edomiet, een lid van een van de buurvolken. Bovendien was zijn moeder een Arabische.Dat is van belang omdat de Joodse identiteit – niet alleen etnisch, maar ook religieus – via de moeder wordt geërfd, wat in dit geval dus niet werkte. In feite had zijn familie zich nog maar een generatie eerder tot de joodse godsdienst bekeerd.Herodes probeerde zich dus verwoed als Jood te afficheren. Zijn klapstuk daarbij was het herbouwen van de tempel van Jeruzalem met meer majesteit dan die ooit had gehad. Echt helpen deed het niet. Hij is de geschiedenis ingegaan als een van de klassieke schurken, wat zeker niet onverdiend was. Hij leed aan paranoia, en liet zowel zijn vrouw als een van zijn dochters en twee zonen vermoorden. Zijn wreedheid wordt echter vooral herinnerd door het verhaal dat de evangelist Mattheüs vertelt over de kindermoord in Bethlehem. Het is wrang, maar waarschijnlijk is dat ongeveer het enige gruwelverhaal over hem dat níet op waarheid berust. Er is in ieder geval in geen enkele bron buiten het Mattheüsevangelie iets over te vinden. Na zijn dood in 4 v. Chr. Werd zijn rijk verdeeld onder drie zoons die zijn emotionele buien wél hadden overleefd. Galilea en Perea gingen naar Antipas, Iturea en Trachonitis gingen naar Filippus. Idumea, Samaria en Judea - met dus ook Jeruzalem - gingen naar Archelaüs. Nou is een dergelijke regeling een klassiek recept voor verval en instabiliteit, en zo zou het ook nu weer gaan. Archelaüs maakte er al vrijwel onmiddellijk een potje van en werd al in 6 na Christus afgezet door de Romeinen. Die zouden vanaf dan Jeruzalem en Judea rechtstreeks regeren. Tijdens Jezus’ leven zat daar steeds een Romeinse prefect, een soort gouverneur. Pontius Pilatus, die Jezus ter dood zou veroordelen en laten kruisigen, bestuurde de streek tussen ongeveer 27 en 37. In het noorden bleven de Herodianen veel langer aan de macht, zij het net zo goed ondergeschikt aan de Romeinen. De Herodiaanse vorst van het noorden tijdens het grootste deel van Jezus’ leven was Herodes Antipas.In de decennia na Jezus’ dood zou het tussen de Romeinen en de Joden volledig uit de hand lopen. Een deel van het onbegrip tussen beide volkeren was religieus van aard. De Romeinen waren gewend aan een heel ontspannen vorm van heidendom. Goden kwamen en gingen, werden aan elkaar gelijkgesteld of met elkaar vermengd. Dat was het zogenaamde ´syncretisme.´ De enige momenten dat godsdienst aanleiding gaf tot gewelddadigheden was wanneer de staatscultus niet werd gerespecteerd. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de goden het rijk zouden kunnen straffen, hoewel het de vraag is hoe serieus de Romeinse heersers een dergelijke dreiging tegen die tijd nog namen. Belangrijker was dat disrespect jegens de Romeinse goden gelijk stond aan disrespect jegens de Romeinse natie en haar instituties, in het bijzonder de keizer. De streng monotheïstische Joden, die ook nog eens geneigd waren tot onderling religieus geharrewar over de zuiverheid van de leer, werden door de Romeinen met hun fluïde religie gewoon niet begrepen. Die maakten zich weliswaar over de godsdienst als zodanig niet zo druk, maar wel over de politieke instabiliteit die dergelijke neigingen konden veroorzaken. Dit bleek terecht. In de tweede helft van de eerste eeuw brak de ene na de andere opstand uit. Uiteindelijk verwoestten de Romeinen Jeruzalem met tempel en al, in 70 n. Chr. Om eens en voor al van het gedoe af te zijn.Dat bleek nog niet afdoende, en in 135, na de zoveelste opstand (die van Bar Kochba) werd de oude stad volledig begraven onder het nieuwbouwproject van een volledig Romeinse stad, die Aelia Capitolina werd genoemd, met een tempel ter ere van Jupiter op de tempelberg. Joden mochten daar niet eens komen.Zoals vijfhonderd jaar eerder, tijdens de Babylonische ballingschap, ook al eens gebeurd was hielden de joden vast aan hun identiteit, maar verloren hun land. Ze raakten vanaf 135 meer dan ooit over de hele wereld verspreid.2. De geboorte van ChristusHet gaat ons hier om Jezus Christus, dus we spoelen de geschiedenis een stukje terug, naar ongeveer 6 vóór Christus, wanneer Christus geboren wordt. (Inderdaad: onze kalender vergist zich dus een paar jaar). Eerst maar even kijken waar we onze informatie precies vandaan gaan halen. Gegevens uit het leven van Jezus hebben we vrijwel exclusief uit de boeken van het Nieuwe Testament. Aan het einde van de eerste eeuw wordt Hij wel summier genoemd in het werk van de joodse historicus Flavius Josephus, en in de tweede eeuw door Tacitus, Plinius en Suetonius. Al die vermeldingen leveren verder niks op wat we niet al wisten. De oudste geschriften die we over Hem hebben zijn de brieven van de apostel Paulus. Die houdt zich vooral bezig met het lijden en de dood van Jezus en de theologische betekenis daarvan. Hij heeft het nauwelijks over Jezus’ eigen leer en ook niet - op een enkele uitzondering na - over zijn daden en wonderen. Daarover lezen we dan weer in vier biografische geschriften die we Evangeliën (uit het Grieks “Goede aankondiging”) noemen. Ze heten naar de figuren die ze geschreven zouden hebben, namelijk Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. De Evangelieën golden lang als een genre op zichzelf, maar worden tegenwoordig vrijwel algemeen als typisch klassieke biografieën beschouwd - zij het dan ook met een joods tintje. Die klassieke biografieën - βίοι - zijn geen biografieën zoals wij die gewend zijn. Ze focussen zich niet op het hele leven van hun hoofdpersoon, maar vrijwel altijd geheel op diens publieke optreden en de uitwerking daarvan. Ook beschrijven ze zijn woorden, maar daar zit een addertje onder het gras. Toespraken werden in die tijd zelden stenografisch opgetekend, en zelfs de meest wereldberoemde redevoeringen lieten vaak niet meer dan een vage herinnering aan hun inhoud achter. De antieke biografen vonden dat geen probleem. Ze schreven eenvoudigweg wat iemand had kunnen of moeten zeggen (τὰ δέοντα). Zo schrijft de Griekse auteur Thucydides in zijn voorwoord bij de ‘Peloponnesische oorlog’ dat hij toespraken weergeeft ‘zoals de sprekers naar mijn oordeel in de gegeven situatie hadden moeten spreken.’ Dit betekent niet dat hij maar wat wegfantaseerde, want hij had wel degelijk een grondige studie gemaakt van de beschreven persoonlijkheid. Maar in onze huidige tijd zouden we ons bij een dergelijke workflow evengoed weinig kunnen voorstellen. We zouden het eindresultaat van zoiets een ‘historische roman’ noemen, in plaats van een biografie. Dit gegeven heeft grote consequenties voor hoe we aan moeten kijken tegen de uitspraken van Jezus, en zeker de langere toespraken (voornamelijk uit Mattheüs en Johannes). Dat wil trouwens niet zeggen dat er vanuit katholiek theologisch oogpunt daardoor ook iets verandert aan de canoniciteit, dus het gezag van die woorden. Toch is het als modern mens lastig om - met deze wetenschap in het achterhoofd - op dezelfde manier tegen de teksten aan te kijken. Vooral als ze elkaar ook nog eens tegenspreken, wat ze af en toe doen.De geboorte van Christus wordt door twee van de vier evangelisten beschreven, Lucas en Mattheüs. Lucas doet dat zeer uitgebreid, Mattheüs iets meer gestileerd. Beide verhalen staan stijf van de symboliek. Ze onderstrepen vooral hoe heel de geschiedenis van God met zijn volk al vanaf het begin was uitgelijnd op de komst van de Verlosser. Hij is het hart van heel de geschiedenis en de vervulling van de voorspellingen van de profeten. Opvallend is dat beide verhalen nauwelijks elementen gemeenschappelijk hebben, behalve dat Jezus geboren is in Bethlehem en opgroeit in Nazareth. Ook wordt Jezus bij beiden geboren uit een maagd. Ze komen alleen wel op totaal verschillende manieren tot die gegevens. Bij Mattheüs komen Jozef en Maria uit Bethlehem. Maria wordt spontaan zwanger van de Heilige Geest, voor dat zij gemeenschap heeft gehad met haar aanstaande man, Jozef. Die denkt erover om daarom van haar te scheiden, maar krijgt een droom waarin een engel hem zegt haar trouw te blijven. Jezus wordt er in een gewoon huis geboren, en de heilige familie woont er nog meer dan een jaar. Het is ergens in dat jaar dat de wijzen uit het oosten verschijnen. Pas daarna, als Jezus al een peuter is, vluchten ze naar Egypte en vestigen ze zich als ze terugkomen in Nazareth in Galilea. Mattheüs heeft de typische neiging oudtestamentische profetieën en voorafbeeldingen vervuld te zien in het leven van Jezus. Bij elk van deze elementen weet hij dus wel een schriftpassage te geven die nieuwe betekenis krijgt door Jezus’ vervulling ervan.Bij Lucas begint het verhaal juist in Nazaret. Hij vertelt hoe een engel verschijnt aan Maria, die vanaf dat moment wonderbaarlijk zwanger is omdat ze is overschaduwd door de Geest van God. Ongeveer negen maanden later vindt er een volkstelling plaats, waarvoor Jozef en Maria van Nazareth in Galilea (het noorden van Israël) naar Bethlehem in Judea moeten reizen. Dat komt omdat Jozef tot het huis en het geslacht van de oude koning David behoort, die van daar afkomstig was. Dit plaatst Christus dus automatisch in de lijn van de oude koningen van Israël. Het maakt Hem ook, en dat is veel belangrijker, tot een mogelijke kandidaat voor de langverwachte “messias.”De messias (met een kleine letter) is in het jodendom een toekomstige redder of verlosser die is voorspeld door de profeten. Hij heeft in het jodendom geen goddelijke natuur (dat zou tegen de joodse opvatting van monotheïsme indruisen) maar is een man uit het geslacht van de koningen (het huis van David). Er zijn twee varianten van de verwachtingen ten aanzien van de messias. De meeste joden verwachtten een messias die op een aardse, politieke manier op aarde Gods gerechtigheid zal herstellen. Er zijn er echter ook die een messias verwachten die aan het einde der tijden op de wolken zal afdalen om Israël wonderbaarlijk te redden en als rechter over de volkeren op te treden. Ook die variant van de messias is trouwens nog altijd geen God. “Messias” betekent letterlijk “gezalfde,” in de zin van gezalfde koning. De traditie van de verwachting van de messias behoort in haar uitgesproken vorm zeker niet tot de alleroudste joodse geloofspunten. Geleerden plaatsen het ontstaan ervan ergens in de derde of hoogstens vierde eeuw voor Christus. Toch is het wel een algemeen aanvaard onderdeel van het moderne joodse geloofsgoed. Net als in het christendom wordt het als onfatsoenlijk sektarisch gedrag beschouwd om te pogen het tijdstip van de komst van de messias uit te rekenen of te voorspellen. Hij komt als de wereld hem het meeste nodig heeft (dus totaal is verworden) of juist als de wereld hem het meest verdient (straalt van perfectie).Jezus wordt bij Lucas precies geboren als Jozef en Maria in Bethlehem overnachten in een grot die als stal wordt gebruikt, omdat er nergens in de stad nog ruimte is in een herberg. Zijn naam betekent “JHWH redt.” De engel die zijn geboorte had voorspeld had opgedragen Hem zo te noemen. Herders die hun schapen hoeden in de velden buiten de stad krijgen een hemels visioen van engelen die Gods glorie zingen en hen vertellen dat de Messias geboren is. Zij gaan naar Bethlehem en vinden daar alles zoals de engelen het verteld hebben. Lucas eindigt zijn relaas over Jezus’ geboorte met een geslachtslijst – een stamboom – die nogmaals Jezus’ koninklijke afkomst onderstreept. Jezus is een rechtstreekse afstammeling van David en dus de rechtmatige Koning van de Joden.Mattheüs heeft precies zo’n geslachtslijst maar die komt niet helemaal (of liever: helemaal niet) overeen met die van Lucas. Men heeft nogal eens geprobeerd dat verschil weg te verklaren, maar dat gaat eenvoudigweg niet. Beide lijsten hebben trouwens bepaalde literaire kenmerken die verraden dat het om louter symbolische lijsten gaat. Vooral Mattheüs ziet er geen been in om nogal wat voorouders van Jezus over te slaan om tot een volmaakte drie keer veertien (veertien is twee keer zeven en dus dubbel volmaakt) geslachten te komen. Heel de geschiedenis van God met zijn volk leidt tot de geboorte van de Verlosser, dat is de clou en portée van beide lijsten.Mattheüs vervolgt met het verhaal over de wijzen uit het oosten (over “koningen” wordt nergens gesproken. Ook waren het er niet persé drie, al hadden ze wel drie geschenken bij zich). Dit waren duidelijk sterrenwichelaars uit de Mesopotamische beschaving, waar de astrologie een ereplaats in de cultuur had. Zij vonden Christus omdat zij zijn ster aan de hemel hadden gezien, en die leidde hen naar de plaats waar Hij was. Zij kwamen om Hem hulde te brengen in de vorm van geschenken, goud, wierook en mirre. Die geschenken hebben een duidelijk zinnebeeldige lading, hoewel de uitleg niet altijd gelijk is. Ze verraden zijn koningschap, zijn priesterschap en zijn sterven of verwijzen naar het drievuldige ambt van het christelijke priesterschap etc. Omdat de wijzen trouwens Christus niet onmiddellijk hebben kunnen vinden hebben zij hem eerst gezocht waar je een koning logischerwijs zou verwachten: in het koninklijke paleis. Zodoende belandden zij bij Herodes. Die laat zijn schriftgeleerden uitzoeken waar de messias geboren zou moeten worden en stuurt hen naar Bethlehem. Ook vraagt hij hen terug te komen als zij de messias eenmaal gevonden hebben zodat ook hij die hulde kan gaan brengen. In werkelijkheid is hij bang van zijn troon gestoten te worden en wil hij de pasgeboren Christus vermoorden. Als de koningen door een engel gewaarschuwd worden naar huis terug te keren zonder Herodes op de hoogte te stellen laat die alle jongetjes van twee jaar of jonger in Bethlehem doden. Dit is de zogenaamde kindermoord van Bethlehem, waarvan Mattheüs zegt dat die door de profeet Jeremia was voorspeld met de woorden:Een stem is te horen in Rama, Een weeklacht en bitter geween: Rachel die weent over haar kinderen, En zich geen troost wil laten toeroepen, Omdat zij er niet meer zijn! (Mt. 2, 17-18.) De kindermoord is trouwens tevergeefs, want op bevel van een engel zijn Maria en Jozef ondertussen met Jezus naar Egypte gevlucht.Al deze verhalen hebben een hoog theologisch gehalte en stellen Jezus duidelijk voor als de voorspelde messias en de vervulling van de profetische geschriften. Of er enige historische werkelijkheid achter schuil gaat – en hoe dan – is onmogelijk nog te achterhalen. Van de kindermoord in Bethlehem is alvast helemaal niets terug te vinden in de bronnen buiten het Evangelie van Mattheüs. Hetzelfde geldt voor de volkstelling van Lucas, die hij beschrijft als een extreem onnozel opgezette logistieke nachtmerrie van epische proporties. Ga in Nederland maar eens alle families terug laten reizen naar de oorden waar hun voorouders duizend jaar geleden vandaan zijn gekomen. Dat zou een chaos opleveren die gegarandeerd in elk geschiedenisboek zou worden vermeld.Als het om Bijbelse verhalen gaat worden we voortdurend gedwongen door twee brillen te kijken. Zijn we op zoek naar kennis die ons geestelijke leven voedt, dan kijken we meer naar de traditie als geheel dan naar de details. Zo zijn we gewend de geboorteverhalen van Mattheüs en Lucas door elkaar te roeren, ook al verdragen ze dat eigenlijk helemaal niet. Dat is geen enkel probleem zolang het doel spiritueel van aard is. Zijn we echter op zoek naar historische gegevens, dan wegen we elke letter en proberen we te achterhalen waar die letter vandaan komt. Om dan meestal tot de conclusie te moeten komen dat we dat nooit meer zullen weten.Vergelijk het met een impressionistisch schilderij. Wie daar met de neus bovenop gaat staan ziet niets dan dikke klodders impasto waar soms de structuur van het canvas nog doorheen te zien is. Dat vertelt veel over de techniek van de betreffende schilder, maar verbergt juist het beeld dat die schilder ons wil laten zien. Dat komt immers pas tot zijn recht als we meer afstand nemen. De klodders en vegen voegen zich dan samen tot een landschap, een portret of een gezelschap dat op het gras zit te picknicken.De Bijbelse geschriften stammen uit een tijd zonder massamedia en internet. Zelfs de boekdrukkunst was nog niet uitgevonden. Openbare archieven of bibliotheken bestonden wel, maar waren zeldzaam en niet makkelijk toegankelijk. Door het vele doorvertellen en overschrijven was de overdracht van kennis veel diffuser dan tegenwoordig. Verhalen spreken elkaar tegen of willen in feite een heel ander verhaal vertellen dan wij eerst dachten, een verhaal dat zij belangrijk vonden maar dat zich totaal buiten onze belevingswereld bevindt.Wij worden dus gedwongen ons bij elke confrontatie met dit soort getuigenissen af te vragen waar wij zelf eigenlijk naar op zoek zijn. Ben ik hier en nu bezig historisch onderzoek te doen of ben ik op zoek naar geestelijke verrijking? Zoek ik een ontmoeting met de geschiedenis, met de schrijver in kwestie, met mijn eigen innerlijk of met God? De antwoorden op die vragen verschillen van persoon tot persoon, en ook nog weer van moment tot moment. Ze bepalen in belangrijke mate wat op dat moment de manier van lezen zal worden.Een helder besef van deze werkelijkheid is telkens opnieuw nodig als het om bijbelse geschriften gaat, omdat ze elkaar nu eenmaal voortdurend tegenspreken. Het Nieuwe Testament is weliswaar niet zo’n oer-chaos als het Oude, maar ook bepaald geen verzameling van goed geordende historische verslagen. We krijgen zelfs te maken met boeken (voornamelijk brieven van zogenaamde “apostelen”) die duidelijk opzettelijke vervalsingen zijn. De brieven aan Timotheüs en Titus zijn daarvan de meest schaamteloze voorbeelden. Toch nemen de christenen die geschriften serieus als bronnen voor hun geestelijke leven, ook al wéten ze dat het vervalsingen zijn (en hebben dat ook al lange tijd geweten.) Dat kunnen zij omdat de clou van hun religie nu juist is dat God werkt in de geschiedenis. Zij geloven dat God hier en nu werkzaam is en zich laat gelden, onder andere door de bemiddeling van mensen uit het verleden. Ook mensen uit het verleden die niet volmaakt waren. “God schrijft recht op kromme lijnen,” zegt het aloude cliché.3 Jezus’ openbare levenNa de verhalen over Jezus’ geboorte horen we een hele tijd niets over Hem. Lucas vertelt nog een anekdote over hoe Hij kwijtraakte tijdens een bedevaart naar Jeruzalem, toen Hij twaalf jaar oud was. Op de terugreis naar Nazareth konden Jozef en Maria Hem nergens vinden. Uiteindelijk reisden zij terug naar Jeruzalem en vonden Hem daar terwijl Hij in de tempel vragen stelde aan de schriftgeleerden, die totaal onder de indruk waren van zijn kennis en wijsheid. Jozef en Maria waren boos dat Hij hen zo ongerust had gemaakt, waar op zijn antwoord was: “wisten jullie dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Dit openbaart Hem weer bij uitstek als Zoon van God, de Messias en de vervulling van de geschriften.Daarna horen we een kleine twintig jaar helemaal niks meer over waar hij mee bezig was. Als we er vanuit gaan dat Jozef, die ‘timmerman’ genoemd wordt, zoiets als een klein aannemertje was, zal er wel flink gebouwvakt zijn in het leven van de jonge Jezus. Het dorpje Nazareth lag vlakbij Sepphoris, een veel grotere, voornamelijk Griekstalige stad. Volgens de traditie zou Maria er oorspronkelijk vandaan zijn gekomen. Sepphoris was volop in ontwikkeling in die tijd. Wellicht hebben Jezus en Jozef daar wat afgetimmerd en gemetseld. Veel geleerden vermoeden zoiets, maar het blijft natuurlijk speculatie. Jezus’ openbare verschijning begint met het optreden van Johannes de Doper, die door de Evangeliën wordt beschreven als zijn neef. Vanaf dat moment beginnen die Evangeliën meer op elkaar te lijken, en een “historischer” toon aan te slaan. Daarom is dit misschien een goed moment om even globaal te schetsen hoe de hedendaagse exegese tegen de wordingsgeschiedenis van die boeken aankijkt.Er zijn, zoals we al hadden vastgesteld, vier canonieke Evangeliën. Daarbuiten zijn er nog een heel aantal meer, maar die zijn over het algemeen aanmerkelijk jonger en meestal sterk gekleurd door specifieke theologische opvattingen. We laten die hier even buiten beschouwing. Wel is het goed te bedenken dat sommige ervan wel degelijk invloed hebben uitgeoefend op onze traditie. Zo komen de heilige Joachim en Anna, maar ook de os en de ezel uit apocriefe evangeliën.We noemen de vier canonieke Evangeliën naar hun traditionele auteurs. Mattheüs en Johannes waren apostelen, Marcus en Lucas medewerkers van de apostel Paulus. Van geen van die mensen is het erg waarschijnlijk dat ze de boeken geschreven hebben die traditioneel aan hen worden toegeschreven. De boeken zelf zijn anoniem, zeggen helemaal niets over wie ze geschreven heeft, behalve dat de auteur van Lucas duidelijk ook de auteur van het boek Handelingen der Apostelen is geweest.Wat wel heel goed zou kunnen (maar ook niet gegarandeerd is) is dat de verschillende boeken op de verteltradities van verschillende christelijke gemeenschappen teruggaan, gemeenschappen die een band zouden kunnen hebben met de genoemde figuren. We blijven ze in ieder geval bij hun traditionele namen noemen, omdat het anders een warboel wordt.Drie van de Evangeliën lopen zodanig parallel dat je ze als het ware naast elkaar in ogenschouw kunt nemen. Die drie evangeliën zijn die van Marcus, Mattheüs en Lucas. We noemen ze de “synoptische” evangeliën, vrij vertaald de “samen-kijk-evangeliën.” Het is duidelijk dat ze op de een of andere manier van elkaar afhankelijk zijn. Hoe precies: daar is natuurlijk weer geen consensus over. We volgen hier maar even de meest gevolgde denkpiste.Verreweg de meeste geleerden beschouwen het Evangelie van Marcus als het oudste. Zowel Mattheüs (46%) als Lucas (41%) ontlenen een groot deel van hun stof aan Marcus. Beide hebben ook unieke passages die nergens anders voorkomen en passages die ze weliswaar beide hebben, maar Marcus niet. Daarom gaan veel bijbelvorsers er vanuit dat er, naast Marcus, nog een andere verzameling heeft bestaan die zowel Lucas als Mattheüs als bron hebben gebruikt. Deze hypothetische verzameling wordt in het onderzoek aangeduid met “Q,” dat verwijst naar het Duitse “Quelle” dat simpelweg “bron” betekent.Het Evangelie van Johannes valt geheel buiten deze discussie en is totaal andere koek. Het is wellicht een jaar of tien tot vijftien na Mattheüs en Lucas geschreven in een christelijke gemeenschap met een heel eigen overdrachtsgeschiedenis. Het is véél filosofischer van aard en vertelt een hoop zaken die de rest niet heeft en mist dan weer nogal wat verhalen die de anderen wél vertellen.Samenvattend: Marcus is waarschijnlijk het oudste (ongeveer 70). Daarna zijn Mattheüs (ongeveer 80-85) en Lucas (80-85) geschreven, die beide gebruik hebben maakt van Marcus en een hypothetische verloren bron die “Q” wordt genoemd. Samen vormen Marcus, Mattheüs en Lucas het corpus van de “synoptische Evangeliën.Johannes (ongeveer 95) vormt een traditie op zichzelf.Goed: terug naar Johannes de Doper en het begin van Jezus’ openbare leven. Zoals al eerder vermeld was het eerste-eeuwse Israël onder het juk van Rome een broeinest van profetische figuren. Ze hadden niet allemaal dezelfde boodschap, maar een aantal elementen kwamen toch regelmatig terug.Oproepen tot bekering omdat het einde der tijden en de komst van de messias eraan zaten te komen was duidelijk in de mode. Oproepen de Romeinen te verjagen om zo de komst van de messias te versnellen ook. Johannes de Doper viel meer in de eerste, meer vreedzame, categorie, als we de evangeliën mogen geloven.Hij doopte mensen in de rivier de Jordaan als een teken van bekering. Daarnaast voorspelde hij dat er na hem iemand zou komen die niet zou dopen met water, maar met de Heilige Geest en met vuur. Die iemand was Jezus, en Jezus’ missie begon precies door zich door Johannes te laten dopen. Op dat moment daalde de Geest als een duif op Hem neer en klonk er een stem uit de hemel die riep: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.” Jezus trekt daarop de woestijn in, en brengt daar veertig dagen en nachten door in vasten en gebed. Hij wordt door de duivel op de proef gesteld, maar overwint door zijn wijsheid en nederigheid.Als Hij weer opduikt straalt Hij een wonderlijk gezag uit. Hij heeft al snel twaalf leerlingen die alles achter zich hebben gelaten om Hem te volgen. Het lijkt erop dat Hij in de drie jaar van zijn prediking een steeds grotere schare volgelingen om zich heen verzamelt waaruit later de vroege Kerk geboren zal worden. Hij begint rond te trekken om “het Evangelie,” dus de “Goede Boodschap” te verkondigen. Die boodschap wordt onderstreept door wonderen.Jezus geneest vooral veel zieken en bezetenen, wekt doden op, brengt een storm tot zwijgen, vermenigvuldigt broden en vissen en verandert één keer water in wijn. Zelfs dat laatste wonder – dat menigeen de wenkbrauwen doet fronsen – is geen frivole circuskunst. Jezus doet geen wonderen om simpelweg te imponeren en zelfs niet om als louter bewijs voor zijn zending te gelden. Al Jezus’ wonderen zijn “tekens:” ze verwijzen naar de verzoening van de mensheid met God, de vergeving van de zonden, de genezing van de gebroken schepping en de overwinning van Gods liefde op de dood. Die worden samengevat onder de uitdrukking “Koninkrijk van God.” Dat Koninkrijk van God is aanstaande, en Jezus zelf – die immers uit het huis en het geslacht van David is – zal er de Koning van zijn.Hij doet trouwens niet alleen leuke en lieve dingen. De “softie-buddy-Jezus” is een moderne uitvinding die een veel ingewikkelder werkelijkheid verbloemt. Ten eerste is Hij soms schreeuwend apocalyptisch. Wij moeten ons bekeren en wakker blijven, want “de Mensenzoon komt op een uur dat gij het niet verwacht.” Gewoon een braaf burgerlijk leventje leiden zonder al teveel schandalen is bovendien niet genoeg. Jezus’ moraal is krankzinnig veeleisend. Dat beseffen wij vaak niet meer, omdat we zijn uitspraken zo vaak hebben gehoord dat de werkelijke inhoud ons nogal eens ontsnapt. In feite eist Jezus van ons echter een overtrokken goedheid die, in ieder geval naar de maatstaven van deze wereld, buitengewoon onverstandig is als praktische handleiding voor het leven tussen mensen. “Als iemand je jas van je vraagt, geef hem dan ook je onderbroek,” zegt Hij ergens. “Als je iets ziet dat je tot zonde verleidt, ruk dan je oog uit.” “Als iemand je op je linkerwang slaat, keer hem dan ook je rechter toe” is nog zo’n beruchte uitspraak die lang niet altijd het gewenste resultaat geeft, niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Probeer zoiets maar eens in de praktijk te brengen als puberjongen op een middelbare school. Een langdurige behandeling bij de psycholoog ligt dan in het verschiet. Zelfs als we dit soort uitspraken als hyperbolen lezen blijven we zitten met grote praktische vragen. Dat merkten ook de apostelen toen ze, na Jezus’ hemelvaart, diens ideeën over geld en goed in de praktijk probeerden te brengen. Dat bleek op deze aarde gewoon niet vol te houden te zijn.Jezus’ moraal is dan ook een ideaal voor een andere wereld: het Koninkrijk waar Hij het zo vaak over heeft. Als wij proberen te leven alsof het er al is zal het zich weliswaar soms inderdaad in ons manifesteren. Het zal alleen in deze gebroken schepping nooit klaar zijn en “werken.” Het Koninkrijk is er al, maar tegelijk is het er ook nog niet. Het is midden onder ons (en ín ons) en tegelijk is het ons ook volkomen vreemd. Dat wordt nergens duidelijker dan in de zogenaamde “zaligsprekingen.”3 zalig wie arm zijn aan de geestesadem* (Ps. 34,19), omdat van hen is het koninkrijk der hemelen; 4 zalig wie treuren, omdat hun troost zal worden toegeroepen (Jes. 61,2-3); 5 zalig de zachtmoedigen, omdat zij de aarde zullen beërven (Ps. 37,11); 6 zalig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, omdat zij zullen worden verzadigd; 7 zalig de ontfermers, omdat zij ontferming zullen ervaren, 8 zalig de reinen van hart (Ps. 24,4; 51,12), omdat zij God zullen zien; 9 zalig wie vrede stichten, omdat zij zullen worden uitgeroepen tot zonen van God; 10 zalig wie worden vervolgd vanwege gerechtigheid, omdat van hen is het koninkrijk der hemelen; 11 zalig zijt ge wanneer ze u zullen beschimpen en vervolgen en al wat boos is zullen zeggen, tegen u vals getuigend vanwege mij; 12 verheugt u en jubelt, omdat uw loon overvloedig is in de hemelen; zó immers hebben ze de profeten vóór u vervolgd! (Mt. 5, 3-12)Iedereen die oud genoeg is om enigszins te hebben geleefd weet dat deze uitspraken zo niet gelden voor deze wereld hier en nu. Jezus weet dat zelf ook, maar doet toch geen water bij de wijn. Hij zal later een andere weg tonen om beide werkelijkheden dichter bij elkaar te brengen, en op de lange termijn te laten samenvallen.Ook in zijn eigen tijd wekte Jezus ergernis op, en niet persé omdat Hij pretendeerde de messias te zijn, en zelfs de Zoon van God. We weten zelfs niet in hoeverre Hij dat deed, en hoe openlijk. Als we op Marcus afgaan wellicht helemaal niet, maar als we Johannes geloven juist uitbundig. Iets anders is wel zeker: Hij irriteerde mensen. Ten eerste was daar de extreme (“supererogatorische”) moraal, waarover we daarnet al hebben gesproken. Daarnaast botste Hij ook uitbundig met de gevestigde orde om verschillende redenen. Die gevestigde orde moeten we misschien van iets dichterbij bekijken. We onderscheiden drie groepen in de Joodse samenleving die zich alle drie op een andere manier verhouden tot zowel de joodse cultuur en godsdienst als de Romeinse overheersers.Even nadat Jezus geboren werd was Herodes de Grote gestorven. Zijn rijk was aanvankelijk verdeeld onder zijn drie zonen, maar dat had niet gefunctioneerd. In het noorden regeerde weliswaar nog een Herodes Antipas, maar Jeruzalem en omgeving vielen al snel direct onder een Romeinse prefect. De tempel stond er echter nog, en de Joodse samenleving kende nog een uitgebreide offercultus en een levendige bedevaartcultuur. De morele leiding van het Joodse volk hing daarmee samen, op een manier die gecompliceerd was. Er was een hogepriester met zijn sanhedrin, een soort religieus-juridisch college. Dat was weliswaar een hoop van zijn macht kwijtgeraakt aan de Romeinen, maar had even goed nog veel gezag, ook omdat de Romeinen er wel degelijk nog rekening mee hielden en ermee samenwerkten. Dat maakte het echter ook verdacht als een werktuig van de bezetter.Bovendien vertegenwoordigde het sanhedrin een specifieke groep binnen de joodse samenleving die toch al niet geliefd was. Dat waren de sadduceeën, een elite van nogal gehelleniseerde (vergriekste) Joden. Zij onderscheidden zich niet alleen sociaal, maar ook theologisch van de rest. Zij accepteerden alleen de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel als heilige schrift, wat in de praktijk allerlei verregaande consequenties had. Zo accepteerden zij geen profeten en geloofden niet in een voortbestaan van de individuele menselijke ziel na de dood (een leerstuk dat pas laat zijn intrede had gedaan in de joodse godsdienst.)Tegenover de sadduceeën treffen we een religieuze beweging aan die veel meer door het gewone volk werd gerespecteerd, de zogenaamde farizeeën. Dit was in feite niet meer dan een groep gewone joden die probeerden zo getrouw mogelijk de joodse wet na te leven en een vroom leven te leiden. Zij plooiden zich minder naar de Romeinen dan de Sadduceeën, maar waren ook niet bezig opstanden te organiseren. Eerder reageerden zij op de bezetting door zich in hun eigen belevingswereld terug te trekken: het streven naar een zuiver leven, trouw aan de wet van God. In het Nieuwe Testament komen de farizeeën er slecht af – als een stelletje zelfingenomen hypocriete idioten – maar dat moet maar ten dele serieus worden genomen. Jezus zelf vertoont in feite veel kenmerken van hun spiritualiteit. Hij kwam met hen in conflict op die momenten dat bij hen de letter van de wet voorrang kreeg op de naastenliefde. Dat is een tendens die zich, vroeg of laat, bij alle vrome gezelschappen laat gelden, en die dan moet worden bestreden. Dat is geenszins uniek voor de farizeeën, maar ze hadden er duidelijk binnen hun gelederen wel last van. Jezus had daar geen consideratie mee. Hij genas mensen tijdens de sabbat (als het verboden was te werken) en liet zijn leerlingen dan ook aren plukken als ze honger hadden. “De sabbat is er voor de mens,” zei Hij, “niet de mens voor de sabbat.” Ook verweet Hij de farizeeën dat ze zich nauwgezet aan allerlei reinigingsrituelen hielden terwijl ze zich innerlijk verontreinigden met slechtheid. Jezus was niet zozeer tegen de farizeese principes als wel tegen de vervorming daarvan tot een stelsel van tirannieke fenomenen.Een derde groep die moet worden genoemd is die van de zeloten (strevers). Zij behoorden zeker niet tot de gevestigde orde, maar wilden die juist omverwerpen. Zij wilden de Romeinen wegjagen of vernietigen en zo de komst van de messias afdwingen. Sommige van Jezus’ leerlingen lijken tot deze beweging te hebben behoord. Zo wordt één van de apostelen “Simon de Zeloot” genoemd. Een aantal geleerden uit de tweede helft van de twintigste eeuw heeft wanhopig geprobeerd te bewijzen dat de historische Jezus zelf ook in deze categorie thuishoorde. In hun boeken komt Hij niet zelden uit de verf als een soort eerste-eeuwse Che Guevara. Die boeken zijn dan ook meer geschikt als bronnen voor een studie over het salonmarxisme van de zogenaamde “babyboom-generatie” dan als materiaal voor een studie over Jezus Christus. Voor een zeloot zei en deed Jezus namelijk best heel ongebruikelijke dingen. In alle bronnen heeft het Koninkrijk der hemelen van Jezus uitgesproken onaardse trekken. Het doet niet alleen apolitiek maar zelfs antipolitiek aan. Natuurlijk zou je daar allerlei theorieën over gepruts van latere redacteurs op los kunnen laten. Dan nog blijft over dat we een berg geschriften over Jezus hebben die allemaal wat anders over Hem roepen, maar geen van alle een geloofwaardige politieke opstandeling of zelfs maar een bevrijdingstheoloog beschrijven. Tenminste niet zonder dat je ze daar zelf met een hoop gepruts toe dwingt. Jezus als zeloot is niet geloofwaardig.4. Jezus’ dood en verrijzenisDat twijfel over de motieven van Jezus’ zich opdringt is op zichzelf niet zo vreemd: het kan haast niet anders of de Romeinen hebben Jezus gedood precies omdat ze ervan overtuigd waren dat Hij politieke motieven had en ze de zoveelste Joodse opstand zou bezorgen. Godsdienstige motieven waren voor hen immers totaal oninteressant zolang die geen politieke consequenties hadden. De Evangeliën suggereren dat Jezus’ Joodse tegenstanders – in het bijzonder de tempelautoriteiten – precies van die omstandigheden misbruik zouden hebben gemaakt. Ze zouden de Romeinen wijs hebben gemaakt dat de religieuze idealen van Jezus in feite politiek gemotiveerd waren. Zelf waren ze niet meer gemachtigd mensen ter dood te laten brengen, dus dat was de eenvoudigste manier om van Jezus af te komen.Deze gang van zaken is recentelijk vaak in twijfel getrokken. Dat had echter in feite weinig te maken met Jezus en zijn tegenstanders als zodanig, en alles met – terechte – schaamte over wat er in de twintigste eeuw met de Joden is gebeurd. De Holocaust was weliswaar geen christelijk fenomeen als zodanig, maar had nooit zo hebben kunnen plaatsvinden zonder de eeuwen van kerkelijk anti-judaïsme die eraan vooraf waren gegaan. Er heeft door de eeuwen heen bijna constant een complete anti-joodse tak van theologie bestaan, die al voor het eerst werd beoefend door verschillende kerkvaders, waaronder een paar zeer belangrijke. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Augustinus en Chrysostomus, wel ongeveer de theologische ikonen van het Westerse en Oosterse christendom. De collectieve schuld van de Joden aan de dood van Christus werd onderbouwd met de uitroep “Zijn bloed over ons en onze kinderen!” van de woedende Joodse menigte bij Jezus’ proces. Die mensen zouden zodoende heel hun nageslacht tot een bestaan als “godsmoordenaars” hebben verdoemd. Inderdaad is die vreemde redenering tot nog niet zo lang geleden door veel christenen voor zoete koek geslikt.Antisemitisme is een heel vreemd maar ook hardnekkig verschijnsel, dat zeker ouder is dan het christendom. Dat neemt niet weg dat er wel een specifieke christelijke variant van is ontstaan. Het ligt voor de hand er vanuit te gaan dat dat is gebeurd in de tijd dat de eerste christenen zich zo van de andere joden begonnen te onderscheiden dat ze in de gewone synagogen niet meer te handhaven waren. Met een beetje inlevingsvermogen is die situatie ook helemaal niet moeilijk na te voltrekken.Stel je voor dat in de parochie van Onze Lieve Vrouwe van de Gulden Breinaalden in Garendamme een substantieel deel van de zondagse kerkgangers zich plotseling laat imponeren door een plaatselijke visionair. Die heeft aan de lopende band verschijningen van de heilige Eufemia van Mostar die bij hoog en laag beweert dat ze deel uitmaakt van de Heilige Drieëenheid, die zodoende in het vervolg de Heilige Viereenheid is. Ze bidden in het vervolg zestien geheimen van de rozenkrans (vier keer vier) in plaats van vijftien en eisen van de pastoor dat die elke Mis begint met “in de naam van de Vader, de Zoon, de Geest en de Vermoorde Onschuld” (want Eufemia is in de veertiende eeuw door de Turken van de beroemde ‘oude brug’ afgegooid, met een aambeeld aan haar bekoorlijke nek geknoopt). Enzovoort, enzovoort. Als die beweging niet uit zichzelf wegebt, zal de parochie onherroepelijk scheuren. De “aambeeldenaars” worden op een gegeven moment de kerk uitgezet en beginnen voor zichzelf. Dat zal niet in een serene sfeer verlopen, en honderd jaar later zijn er twee volledig verschillende bevolkingsgroepen ontstaan die elkaars bloed wel kunnen drinken. Als de nieuwlichters dan ook nog een enorm succes hebben en op een gegeven moment heel de beschaafde wereld domineren is dat slecht nieuws voor de achterkleinkinderen van de brave katholieken die de “eufemisten” destijds de deur hebben gewezen.Anti-judaïsme heeft in de Kerk zonder uitzondering oprispingen gekend die uitdraaiden op onverdund antisemitisme, pogroms, moordpartijen en idiote legenden over joden die weeskindertjes aten en bronnen vergiftigden. Die episoden zijn om je kapot te schamen. Dan nog gaat het wel erg ver om de inschatting van de historiciteit van gebeurtenissen uit de Evangeliën te baseren op trauma’s die pas daarna zijn opgelopen. In feite is de beschrijving van de konkelende Joodse notabelen die van de irritante Jezus af willen en daartoe de nerveuze Romeinse autoriteiten manipuleren heel geloofwaardig. Dit soort gedrag valt nog altijd en overal ter wereld waar te nemen waar er ook maar politiek bedreven wordt, van het onnozelste parochiebestuur tot aan het Europese Parlement en de burelen van de Vaticaanse dicasteriën. Dat heeft niets met joden te maken, en alles met normale menselijke verdorvenheid.Ik hoop dat ik niet hoef uit te leggen waarom het tenenkrommende onzin is de Joodse mensen in het algemeen verantwoordelijk te houden voor het gedrag van een paar sadduceeërs uit het eerste-eeuwse sanhedrin. Nota bene dezelfde Jezus waar het hier om gaat heeft herhaaldelijk gezegd dat kinderen niet schuldig zijn aan de zonden van hun ouders en andersom. Het zelfde geldt in het algemeen voor familie en volksgenoten. Zo voel ik mij als Nederlander op geen enkele manier verantwoordelijk voor de misdaden van de moorddadige watergeuzen, noch ook voor het gedrag van de Hollandse slavenhandelaars op de Antillen, noch ook – als we het dan toch over Antillen hebben – voor de moorden op Stephany Flores en Nattalee Holloway door Joran van der Sloot, ook al is die zo Nederlands als een klomp.De historische mens Jezus is onmogelijk nog historisch te reconstrueren, en voor mijn geloofsleven als christen in de eenentwintigste eeuw ook helemaal niet zo interessant. Ik leef met de Heiland die mij door de traditie wordt aangereikt, en die zich – levend en wel – in mijn leven manifesteert. Voor zover ik soms wetenschap moet bedrijven weet ik dat ik maar weinig met zekerheid over Hem kan beweren. Daar heb ik verder geen last van tijdens het koorgebed of wanneer ik Hem zich voor mijn ogen zie manifesteren als ik de Mis aan het opdragen ben.Juist die dingen maken dan weer wel dat de manier waarop Hij is gestorven hoogst relevant is voor mijn bestaan en zelfverstaan. Maar ook dat geldt weer alleen voor zijn dood en verrijzen zoals ze mij zijn gegeven door de levende God door de traditie. De sapstroom van Gods leven bereikt mij niet door historisch onderzoek, maar uit de handen van mijn voorouders.De meest fundamentele uitingsvorm van die doorgegeven Aanwezigheid is de Eucharistie, nog vóór de Heilige Schrift. Hoe heilig het geschreven woord ook is, het is maar één aspect van het levende Woord (met een hoofdletter) dat zich volledig aan mij toont en zelfs geeft in het heilige Misoffer. Dat Woord spreekt weliswaar met een buitengewone sprankeling in de boeken van de Bijbel, maar zwijgt niet na de laatste punt van de Openbaring van Johannes. Sterker nog: het verhaal gaat gewoon verder in de levens van de heiligen, gekend en ongekend, en in alles wat heilig is in ons leven, van verhalen tot veldkapellen tot onverwachte manifestaties van christelijk gedrag.Daarbij is het zaak door de veelkleurigheid heen te kijken. Want op het eerste gezicht is er nauwelijks eenheid te vinden in die traditie. Zoals ik al te uit en te na heb gezegd begint de verwarring al in de Bijbelboeken zelf. Er duiken alvast een stuk of zeven of acht Jezussen op uit het Nieuwe Testament alleen.Laten we ons voor het gemak even beperken tot de vier evangelisten.De Jezus van Marcus sterft aan het kruis om de zonden van de mensheid uit te boeten na een leven waarin niemand Hem heeft herkend als de gezalfde van God. Zelfs zijn leerlingen niet. Ook aan het einde van zijn getuigenis niet. De vrouwen vinden het graf leeg en zijn in de war.Naar buiten gekomen vluchten ze weg van de gedenkplaats,- want siddering en ontzetting* heeft hen bevangen; en ze zeggen aan niemand iets, want ze zijn gaan vrezen. (Mc.16-8)Daar eindigt Marcus’ Evangelie. Als je dat onbevredigend vindt, ben je niet de enige. In ieder geval één persoon vond het zo onbevredigend dat hij er twaalf verzen bij heeft verzonnen – gebaseerd op andere Evangeliën, schriftelijk of mondeling – waarin de verrezen Jezus verschijnt en ten hemel vaart. De clou van het oorspronkelijke einde is evengoed heel invoelbaar. God manifesteert zich in ons leven vaak zo bescheiden dat wij de helft van de tijd helemaal niet beseffen dat wij in feite met Hem te maken hebben gehad.De Jezus’ van Mattheüs doet precies het tegenovergestelde als die van Marcus. Hij manifesteert zich op elke bladzijde als de vervulling van wat de heilige geschriften van de joden voorzegd hebben. Heel vaak staat er expliciet: Hij deed dit of dat “opdat de Schriften zouden worden vervuld.” Hij is zonder twijfel de joodse messias die al zo lang is beloofd, en kalkt daar voor de helderheid regelmatig een paar vette strepen onder. De Jezus van Mattheüs brengt heel het jodendom tot voltooiing en is zo joods als de tempel zelf.De Jezus van Lucas, daarentegen, overschrijdt juist weer alle grenzen van datzelfde jodendom. Sterker nog: het doorbreken van die grenzen is zijn core-business. Hij is, naast de messias met een kleine letter, ook duidelijk de Messias met een hoofdletter, dus van goddelijke oorsprong. Niet dat de anderen tot nu toe die mogelijkheid uitsloten, maar bij Lucas is er gewoon niet aan te ontsnappen.Jezus is ineens goddelijk op een manier die bij de Joden ongekend was, maar bij de Grieken en Romeinen heel gewoon. De engel die zijn geboorte komt aankondigen bij Maria zegt het heel expliciet: “Heilige geestesadem zal over je komen, kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; daarom zal wat gebaard wordt heilig genoemd worden, Zoon van God.” Jezus is bovendien niet alleen goddelijk zoals de goden van de Grieken en Romeinen, maar ook ook God voor de Grieken en Romeinen. Lucas onderstreept dat Jezus’ heil zich niet beperkt tot de Joden. De Joden hebben Hem niet erkend, maar de heidenen nemen Hem aan. Zijn sterven op het kruis scheurt het voorhang van het heilige der heiligen van de tempel in Jeruzalem, en Gods Aanwezigheid “ontsnapt,” wordt universeel in plaats van particulier.Waar Lucas Jezus’ goddelijkheid al duidelijk laat doorschemeren, schreeuwt Johannes die van de daken. Zijn Jezus spreekt openlijk en veel over zichzelf, in de cryptische woorden die mensen in de oudheid onmiddellijk zouden associëren met profetische teksten, of sibillijnse orakels. “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” “Ik ben het levende Brood, dat uit de hemel is neergedaald.” De meest schokkende van deze uitspraken – tenminste voor de streng-monotheïstische joden uit zijn omgeving – is er een waar wij meestal overheen lezen. Als Jezus na het laatste avondmaal in de hof van olijven is met zijn leerlingen komt Judas, zijn verrader, met een legereenheid om Hem gevangen te nemen. Jezus vraagt: “Wie zoeken jullie?”5 Ze antwoorden hem: Jezus, de Nazoreeër! Hij zegt tot hen: ík ben dat! Ook Judas, die hem heeft prijsgegeven, heeft bij hen gestaan. 6 Met dat hij tot hen zegt ‘ík ben dat!’ deinzen ze achteruit en vallen op de grond. 7 Dan vraagt hij het hun wéér: wie zoekt ge? Maar zij zeggen: Jezus, de Nazoreeër! 8 Jezus antwoordt: ik heb u gezegd: ík ben dat; dus als ge míj zoekt, laat hén dan heen gaan! (Joh. 18, 5-8)Het zinnetje “ík ben dat” wordt drie keer uitgesproken. Alleen dat geeft het al een goddelijke lading. Driemaal is heilig. Daarbij hebben die woorden duidelijk zo’n expliciete lading dat heel de troep van Judas er voor terugdeinst. Ze vallen zelfs over elkaar heen en belanden in een kluwen op de grond. Dat is niet zo’n wonder, want met dat zinnetje openbaart Jezus zich als God zelf. Niet eens als een heidense halfgod of een natuurkracht, maar als de ene God, de God van Abraham Izaak en Jakob, de Schepper en Onderhouder van heel de werkelijkheid. Denk aan de passage in het boek Exodus, waarin Mozes God in de woestijn ontmoet. Die toont zich aan hem in de gedaante van een brandende braamstruik. Hij stuurt Mozes als een profeet naar zijn volk. Als Mozes dan zegt: “Als zij tot mij zeggen, wat is zijn Naam? Wat zal ik dan tot hen zeggen?” Openbaart God zich als volgt:14. Toen sprak God tot Mozes: `Ik ben die is.’ En ook: `Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.’ 15. Bovendien zei God tot Mozes: `Dit moet ge de Israëlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door. (Ex. 3, 14-15, Willibrordvertaling 1975)Het is duidelijk dat God zich noemt met een variant van het werkwoord “zijn” of “er zijn.” Er zit de connotatie van “trouwe aanwezigheid” in, van “niet in de steek laten,” maar ook van loutere presentie en essentie. De manier waarop Jezus zich bekendmaakt als “ík ben dat” maakt voor de goede verstaander onmiddellijk duidelijk dat Hij zich als God manifesteert. Dat blijkt dan ook onmiddellijk uit de kracht van die Naam: Gods vijanden verstuiven. De trouw die door de Naam van God wordt geïmpliceerd slaat trouwens ook weer terug op de Naam van Jezus zelf, die letterlijk betekent: “God redt.” “God is redding.” “De aard van God is dat Hij redt.”Ondanks de meer dan astronomische macht die Hij in zich verbergt laat Jezus zich gewillig gevangen nemen. Zijn goddelijkheid blijft zich nederig en liefdevol verbergen (Marcus) om de Schriften te vervullen, (Mattheüs) Gods heil over de volkeren uit te storten (Lucas) en zich uiteindelijk als openbaring van Gods werkelijke natuur te tonen, verheven op het kruis (Johannes).Wat er vervolgens wordt beschreven is inderdaad bij alle evangelisten min of meer hetzelfde, maar steeds weer vanuit een eigen, uniek perspectief. De gewone gelovigen doen met de getuigenissen over Jezus’ lijden echter precies hetzelfde als met de verhalen over zijn geboorte: ze ervaren ze als één stralende werkelijkheid. Ze gooien alle verslagen op één hoop. En dat is het natuurlijk ook gewoon. Denk aan de stereoscopen uit de negentiende eeuw, die bestonden uit een afbeelding die diepte suggereerde door twee subtiel verschillende plaatjes op een bepaalde afstand achter een brilletje te monteren. Wie er doorheen keek waande zich even ín de “Nachtwacht,” of de tempel van Karnak, of op de tempelberg in Jeruzalem. Zo ook deze verhalen: door hun viervoudige perspectief leveren ze een letterlijk dubbele diepte op. Ook wij zullen ze hier maar even samen nemen.Jezus’ lijdenscyclus begint bij het laatste avondmaal. Op de avond vóór zijn lijden neemt Hij brood, spreekt er een dankgebed over uit, breekt het en geeft het aan zijn leerlingen met de woorden: “Neem en eet hiervan, want dit is mijn Lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.” Na de maaltijd neemt Hij een kelk met wijn, spreekt er een dankgebed over uit en reikt hem aan zijn leerlingen terwijl Hij zegt: “Neem deze kelk en drink er uit, want dit is mijn Bloed van het nieuwe, altijddurende Verbond. Blijft dit doen om mij te gedenken.” Het spreekt vanzelf dat dit de oorsprong is van de Eucharistie, de nucleus van heel het christelijke leven. Merk op dat dit plaatsvindt vóór zijn dood op het kruis en zijn verrijzen. Hij neemt daar als het ware een voorschot op. Tijd en volgorde hebben uiteindelijk voor God geen betekenis. Dat zal later bij het verstaan van het Sacrament een belangrijke rol gaan spelen.Na de maaltijd vertrekken Jezus en zijn leerlingen naar een tuin op de helling tegenover de stad, de Hof van Olijven, Gethsémané. Daar begint het besef van wat komen gaat Jezus volkomen terneer te drukken. Het vliegt Hem naar de keel. Hij trekt zich terug met zijn drie meest vertrouwde leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes. Die vallen echter ter plekke in slaap. In de totale verlatenheid valt Jezus ten prooi aan totale doodsangst. Die krijgt Hem zelfs zó in de greep dat Hij bloed begint te zweten. Tot driemaal toe smeekt Hij zijn Vader dat “deze beker toch maar aan Hem voorbij mag gaan.” Om dan even later toch weer te zeggen: “Maar niet mijn wil, maar uw wil geschiede.”Even later verschijnt Judas met hulptroepen om Jezus gevangen te nemen. Hij wijst aan wie ze moeten hebben door Jezus te kussen. De leerlingen vluchten en laten Jezus in de steek, Jezus wordt weggevoerd.Er volgt een ingewikkelde constellatie van ondervragingen en processen, waarmee de hogepriester, het sanhedrin, Pilatus en zelfs Herodes Antipas gemoeid zijn. Een aantal punten komen in heel Jezus’ martelgang steeds weer terug:* De totale almacht van God manifesteert zich hier als de totale hulpeloosheid. Jezus is van God en mens verlaten. Zijn voornaamste leerling verloochent Hem, de dienaars van de tempel van zijn Vader beschuldigen Hem van godslastering en de valse autoriteit van de Romeinen overwint schijnbaar de enige echte autoriteit die er werkelijk toe doet: die van God, die onzichtbaar is belichaamd in Jezus zelf.* Ook nu weer vervult Jezus de Schriften. De meest aangehaalde teksten zijn Psalm 22 en de profetie van Jesaja over de lijdende dienstknecht, maar de héle Schrift krijgt, door Jezus’ zachtmoedige en nederige offer, een nieuwe inhoud. Dit wordt voortdurend geïllustreerd door allerlei schriftverzen die in allerlei schijnbaar onbeduidende details tot vervulling worden gebracht.* Schijnbaar winnen het schreeuwen van de leugen, de illusie en de angst het van de stille, geduldige Waarheid.Pilatus, die in werkelijkheid net zo’n grove bestuurder schijnt te zijn geweest als Herodes eerder, komt er in deze beschrijvingen eerder af als een soort Marcus Aurelius: een weliswaar harde en cynische, maar ook filosofische persoonlijkheid. Hij probeert Jezus aan zijn lot te onttrekken. Er is duidelijk de gewoonte om ieder jaar ter gelegenheid van het Pesachfeest een gevangene vrij te laten. Pilatus laat het volk kiezen tussen Jezus en een zekere Barabbas, die als een brute moordenaar wordt opgevoerd. Het volk roept – opgestookt door de Joodse autoriteiten, om de vrijlating van Barabbas en de kruisiging van Jezus. Het is deze episode die later als excuus is gebruikt voor allerlei antisemitische moordpartijen.Uiteindelijk geeft Pilatus toe, hoewel hij zijn handen in onschuld wast en verklaart dat hij geen schuld vindt in Jezus. Hij levert Hem aan hen over.Hij wordt eerst gegeseld – wat met een enkel woord wordt afgedaan, maar in de praktijk meestal al een doodvonnis op zichzelf was. Volkomen kapotgeslagen en van al zijn waardigheid ontdaan wordt Hij vervolgens met de loodzware dwarsbalk van het kruis op zij nek door de straten gejaagd terwijl de omstanders Hem uitschelden en bespugen. Volgens de traditie is zijn arme moeder daar getuige van, wat zijn lijden natuurlijk nog ondraaglijker maakt. Uiteindelijk spijkeren ze Hem vlak buiten de stadspoort aan het kruis, waar Hij – volkomen naakt, tot pulp geslagen, een uur of drie hangt te stikken. Dat is ongetwijfeld een veel banaler gebeuren geweest dan wij meestal te zien krijgen op de altaarstukken. Om dit onbeschrijfelijke drama heen ging het leven gewoon verder. De meest bepalende gebeurtenis van heel de mensengeschiedenis vond plaats terwijl vrijwel niemand het in de gaten had. De mensen die hun paasboodschappen gingen doen waren gewend aan dit soort executies, en besteedden er waarschijnlijk nauwelijks aandacht aan. Wel voeren sommige evangelisten aardbevingen en duisternissen op, maar als die al hebben plaatsgevonden heeft vrijwel geen mens die in verband gebracht met die arme mislukte profeet die door de Romeinen te grazen was genomen. Daar hadden ze er immers al zoveel van gezien.Na een uur of drie is Jezus op sterven na dood. Hij roept, met de woorden van Psalm 22: “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” of juist: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.” Dan sterft Hij. De wereld wordt in duisternis gedompeld en het voorhangsel van de tempel scheurt doormidden. De Romeinen zijn verbaasd dat Jezus al na drie uur dood is. Een soldaat steekt daarom zijn lans door Jezus’ Hart. Daar vloeien bloed en water uit. Later zullen die worden geïnterpreteerd als het ontspringen van het leven van de Kerk: doopsel en Eucharistie, Geest en leven, etc.Jezus’ lichaam wordt door een van zijn meer vooraanstaande aanhangers, een zekere Jozef van Arimathea, opgeëist en in een nieuw graf gelegd. Het was een rotsgraf, met een enorme, ronde steen die voor de ingang kon worden gerold.Drie dagen later blijkt het graf leeg. De vrouwen die Jezus’ Lichaam willen zalven treffen in plaats daarvan een of meerdere engelen aan die zeggen dat Hij is verrezen. Het Evangelie van Marcus houdt daar op. De vrouwen rennen verbijsterd weg. In de andere Evangeliën gaan ze hun nieuws aan de leerlingen vertellen, die het in eerste instantie niet willen geloven. Uiteindelijk verschijnt Jezus aan hen, meerdere malen.Jezus is niet onveranderd opgestaan. Het is niet alsof Hij is wakker geworden uit een dutje en nu gewoon weer verder gaat. Uit allerlei details blijkt dat Hij in een verheerlijkte toestand is, dat de Aanwezigheid van God, die eerst in Hem verborgen was, nu onmiskenbaar geworden is. Maria Magdalena herkent Hem in eerste instantie niet eens. Tegelijk is Hij wel fysiek en tastbaar aanwezig. Hij laat de apostel Thomas zelfs zijn vinger in zijn wonden steken. Ook eet Hij met de leerlingen.Na veertig dagen vaart Hij ten hemel voor hun ogen. Na vijftig dagen wordt de Heilige Geest over hen uitgestort en wordt de Kerk geboren.Over die Kerk en de vorming van de christelijke orthodoxie zullen we het in deel IV hebben. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
1
Inleiding op het christendom II
Het jodendomZoals we in de vorige aflevering al zagen importeerden de Romeinen hun goden voor persoonlijk devotioneel gebruik doorgaans uit het oosten. Het heidendom dat daar werd beleefd was niet persé zo heel verschillend van de westerse variant, maar misschien wel wat verfijnder en ontwikkelder. Twee oeroude beschavingen schuurden daar eeuwen lang tegen elkaar aan, de Egyptische en de Mesopotamische. Het gebied waar ze elkaar raakten – en waar daardoor zoiets als een voortdurend cultureel statische lading ontstond – was de Levant, zeg maar het oostelijke Middellandse-zeegebied. Die streken lagen meestal in de invloedssfeer van Egypte, maar regelmatig ook in die van de Babyloniërs, de Assyriërs of de Perzen. Op de één of andere manier zorgde dat voor stormachtige ontwikkelingen op religieus terrein in het laatste millennium voor Christus.Het Bijbelse verhaal van de Ene God en zijn volkHet klassieke verhaal zoals het in de Bijbel wordt beschreven luidt ongeveer als volgt:God schiep de hemel en de aarde en alles wat daarop is en als laatste de mens. Man en vrouw schiep Hij hen. Hij schiep de mensen om Hem te beminnen en te dienen en daardoor gelukkig te zijn. Daarom liet Hij hen wonen in een prachtige tuin, die Hij speciaal voor hen gemaakt had. Maar een slang verleidde de mensen om partij te kiezen tegen God door ze wijs te maken dat ze aan Hem gelijk konden zijn. Ze aten van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad, die God hen verboden had. Daarom werden zij door God verbannen uit het paradijs dat God voor hen gemaakt had. In het vervolg moesten ze zwoegen voor hun levensonderhoud en uiteindelijk sterven. Door hun daad kwam de erfzonde over de mensheid. Die erfzonde voorkwam dat ze met God verzoend konden worden en zette hen bovendien aan tot steeds weer nieuwe zonden: ze verloren hun onschuld en werden tot het kwade geneigd.De mensen vermenigvuldigden zich, en hun ene zoon sloeg gelijk al de andere dood omdat hij jaloers op hem was. Daarna ging het van kwaad tot erger met de mensheid, generatie op generatie, zodanig dat God spijt kreeg dat Hij ooit mensen had geschapen. Hij droeg een zekere Noach op een enorme boot te bouwen waarin hij van alle levende dieren een mannetje en een vrouwtje bij elkaar moest brengen, en waarin hij ook zelf met zijn familie toevlucht moest zoeken. Daarna verdronk God de rest van de wereld in een enorme vloed, waarbij de ark van Noach bleef drijven. Toen de vloed weer wegtrok strandde de ark op de berg Ararat en werd de aarde opnieuw bevolkt met het nageslacht van Noach en de dieren die hij in de ark had meegenomen. God sloot met Noach een verbond. Hij beloofde nooit meer alles en iedereen te verdrinken. Als teken daarvan maakte Hij de regenboog. Daarnaast gaf Hij Noach voor de eerste keer toestemming om dieren te eten (Daarvoor was de mensheid vegetarisch geweest.) Met dat verbond sluit de eerste grote verhalencyclus van de Bijbel.De volgende cyclus gaat over Abraham, die door God wordt weggeroepen uit het land Haran om in het land te gaan wonen dat God hem wil geven. Abraham vertrouwt op God en gehoorzaamt Hem. God sluit daarom met hem een verbond en belooft hem tot een groot volk te maken, talrijk als de sterren aan de hemel. Het teken van dat verbond wordt de besnijdenis van al Abrahams mannelijke nakomelingen.Abrahams nageslacht verdeelt zich door de twaalf zonen van zijn kleinzoon Jakob in twaalf stammen, die – verdreven door een hongersnood – in Egypte belanden. Daar groeien ze uit tot een groot volk, waardoor de Egyptenaren bang voor ze worden. Ze maken hen tot slaven en vermoorden hun mannelijke zuigelingen. Eén van die zuigelingen – Mozes – wordt gered door hem in een waterdicht gemaakt mandje weg te laten drijven. Hij wordt gevonden door een dochter van de farao en door haar geadopteerd. Hij groeit dus op aan het Egyptische hof. Later identificeert hij zich weer met zijn eigen volk. Hij slaat een Egyptenaar dood en moet vluchten. Hij komt in Midjan terecht, het noorden van Arabië. Daar, in de woestijn, ontmoet Hij God die aan hem verschijnt in de gestalte van een brandende braamstruik. God draagt Mozes op zijn volk uit Egypte te bevrijden door, met zijn broer Aäron, naar de farao te gaan en hun vrijlating te eisen. De farao weigert dat, waarna God de Egyptenaren slaat met allerlei vreselijke plagen. Hij slaat ze met duisternis, al het water verandert in bloed en ze worden door allerlei ongedierte geplaagd en kaalgevreten. Dat alles is niet genoeg om farao te dwingen de Israëlieten te laten gaan. Hij doet dat uiteindelijk pas als God alle Egyptische eerstgeborenen laat sterven. Zijn engel des doods slaat de huizen van de Israëlieten over, die hij herkent aan het bloed van het paaslam dat zij geslacht hebben. Dat hebben zij op bevel van God op hun deurposten gesmeerd. Dit gegeven zal later in het christendom een diepe symbolische lading krijgen.De Egyptenaren laten nu dus eindelijk het volk Israël vertrekken, dat op weg gaat in de richting van de Schelfzee. De farao krijgt echter al onmiddellijk weer spijt, en stuurt zijn strijdwagens achter het volk aan. Dat komt zo klem te zitten tussen de zee en het leger van de farao. Hier volgt nu de beroemde passage over het splijten van de zee. Het water wijkt uiteen en laat het volk ongedeerd passeren. Zodra het door de zee is getrokken vloeit het water terug en verdrinkt de legermacht van farao.Wie denkt dat het volk nu wel voldoende door Gods wonderen was overtuigd van zijn macht en zijn trouw komt bedrogen uit. Er volgt een lange passage waarin het volk voortdurend klaagt en mort en God zelf heen en weer wordt geslingerd tussen woede en medelijden.Regelmatig begint Hij het volk te vermoorden en te slaan, maar wordt steeds weer door Mozes gekalmeerd. De verhouding tussen God en zijn uitverkoren volk wordt niet voor niets regelmatig vergeleken met een bar slecht huwelijk. Deze soap begint ermee dat het volk bij de berg Sinai belandt, die hier dienstdoet als “godenberg,” een motief dat uit veel heidense culturen bekend is (denk bijvoorbeeld aan de Olympus in Griekenland.) Mozes gaat alleen die berg op, die bedekt is met de wolk van Gods aanwezigheid. Daar krijgt hij van God de tien geboden, die God zelf op twee stenen tafelen graveert. In feite zijn die het teken van een nieuw verbond tussen God en zijn volk, dat verder gaat dan dat van Noach (dat voor heel de mensheid was) en zelfs dan dat van Abraham, dat persoonlijk was. Nu gaat het om een verbond tussen God en heel het volk. Dat moet zich aan Gods wetten houden en dan zal God hen naar een land van melk en honing leiden en hen in dit leven (een hiernamaals bestaat er nog niet!) geluk, voorspoed en gouden bergen geven. Ondertussen is datzelfde volk onderaan de berg alweer ongeduldig geworden en heeft zich een gouden kalf laten maken om als god in plaats van God te aanbidden. Als Mozes naar beneden komt en daar achter komt gooit hij woedend de stenen tafelen kapot. Uiteindelijk gaat hij opnieuw de berg op en krijgt nieuwe stenen tafelen, die in het vervolg in een heilige tent (de “Tabernakel”) in een heilige schrijn (de “Ark van het Verbond”) worden meegedragen. Een bijzonder condense vorm van Gods aanwezigheid reist met die ark mee, en bevindt zich consequent tussen twee engelenbeelden op het deksel ervan. God manifesteert zich overdag als een wolkkolom, en ’s nachts als een vuurzuil.Even goed is de toon gezet. Door de ontrouw en het gemor van het volk zweert God dat pas de volgende generatie zal genieten van het land dat Hij heeft beloofd. Dat land, dat steevast “land van melk en honing” wordt genoemd, is het latere Israël. Van de mensen die uit Egypte zijn weggetrokken zal er dus niet één op de plaats van bestemming aankomen, zelfs Mozes zelf niet. In plaats daarvan laat Hij ze veertig jaar door de woestijn ploeteren, waarbij Hij voortdurend ruzie met ze maakt en ze regelmatig bestookt met dodelijke plagen en beesten.Uiteindelijk sterft Mozes op de berg Nebo, met uitzicht op het beloofde land. Zijn opvolger als leider van Israël is een zekere Jozua, zoon van Nun. Die krijgt van God de opdracht het beloofde land te veroveren op de Kanaänieten die er tot dan toe vredig hebben gewoond en er zich met hun eigen zaken hebben bemoeid. Hun onzuivere bloed mag vooral niet vermengd raken met dat van het volk van God, dus moeten ze met wortel en tak worden uitgeroeid.Tenminste: in sommige passages van het boek Jozua. In andere wordt de soep een stuk minder heet gegeten, in ieder geval in de praktijk. Dit soort details verraden precies de ingewikkelde wordingsgeschiedenis van de meeste boeken van het Oude Testament. Er lopen verschillende zienswijzen, redacties en theologieën door elkaar.Hoe dan ook: het land Israël wordt veroverd, zij het niet helemaal zo volledig als de bedoeling was, en Gods volk vestigt zich daar. Vervolgens worden ze een tijdje geregeerd door figuren die ze “rechters” noemen in een periode van de geschiedenis die duidelijk erg chaotisch en bloederig verliep. Die periode loopt uit op de tijd van de koningen.Op een gegeven moment eist het volk van de profeet Samuël dat hij voor hen een koning zalft. Dit vat hij op als een belediging voor God zelf, die tot dan toe Israëls enige Koning was geweest. Toch stemt God toe, en Samuël zalft Saul tot eerste koning van Israël. Die bevalt een tijdje goed, maar vervalt op den duur in gekte en paranoia. Hij wordt vervangen door David, die het symbool zal worden van een rechtvaardige koning en een voorafbeelding van Christus. Dat is vreemd, want David stuurt een van zijn onschuldige onderdanen de dood in om er met zijn vrouw vandoor te kunnen gaan. Dat mag als slordig worden beschouwd. Hij schrijft wel prachtige Psalmen en is op zijn manier erg vroom. Hij belooft voor God een tempel te bouwen als waardige plaats voor de Ark van het Verbond en de verdichting van Gods Aanwezigheid die daaraan verbonden is. Hij sterft voordat het zover is, maar zijn zoon Salomo, die hem opvolgt, brengt de belofte van zijn vader in vervulling. Weliswaar aanbidt hij ook een hele reeks andere goden, maar, enfin, je kan ook niet alles hebben.Na Salomo is het alleen alweer gedaan met het verenigde koninkrijk van Israël. Zijn opvolging verloopt rommelig en het rijk scheurt in 922 v. Chr. In tweeën. Het grootste deel vormt het koninkrijk Israël in het noorden, met als hoofdstad Samaria. Twee stammen, Juda en Benjamin, vormen het koninkrijk Juda met als hoofdstad Jeruzalem.Het is in die tijd dat de grote profeten Elia en Elisa optreden, en wel in het noorden. Ook de andere Bijbelse profeten moeten grotendeels in de tijd van de twee koninkrijken worden gesitueerd, deels in het noorden, deels in het zuiden. Het koninkrijk van het noorden werd in 722 v. Chr. onder de voet gelopen door de Assyriërs, het koninkrijk Juda in 586 v. Chr. Door de Babyloniërs. Vlak daarvoor had daar de vrome koning Josia geregeerd, waarover we later nog zullen moeten spreken.De Babyloniërs slepen de elite van de Israëlieten naar Babel. Uit wat er achterblijft ontstaan in het noorden de Samaritanen, die God in een variant op de joodse godsdienst aanbidden op de berg Gerizim bij de oude noordelijke hoofdstad Samaria. Zij zullen later door de joden ernstig worden geminacht, wat terugkomt in verschillende evangelieperikopen. Wat er in het voormalige koninkrijk Juda gebeurt is niet helemaal duidelijk.In 515 v. Chr. Hebben de Perzen ondertussen het Babylonische Rijk in elkaar laten storten, en zij laten de joodse elite terugkeren naar Israël. Het zal daarna nooit meer echt zelfstandig zijn, maar er zal in ieder geval een joodse cultuur kunnen bestaan, met een tempel in Jeruzalem en de vrijheid om de joodse wet na te leven.Dit alles komt voor het eerst weer sterk in het gedrang als de opvolgers van Alexander de Grote, vooral Antiochus Epiphanes, proberen het volk te “Helleniseren,” dat wil zeggen, vergrieksen. Daarbij snapten ze werkelijk helemaal niets van waar ze mee bezig waren. Ze probeerden het volk varkensvlees te laten eten en zetten godenbeelden in de tempel. Zo haalden ze zich de gloeiende haat van het joodse volk op de hals. Er ontstond een opstand onder leiding van de Makkabeeën, beschreven in de gelijknamige twee bijbelboeken. De Makkabeeën waren een priesterlijke familie. Zij verdreven de Griekse vorsten en uit hen werd de koninklijke dynastie van de Hasmoneeën geboren, die over een deel van het land zou regeren tot de Romeinse verovering in 63 v. Chr. Daarna regeerden de Herodianen over een deel van Judea onder Romeinse overheersing. Uiteindelijk werd heel het gebied gewoon een Romeinse provincie. Maar dan zitten we al volop in Nieuw-Testamentische tijden.De historische ontwikkeling van de Ene GodAls we willen weten hoe de joodse godsdienst tot zo’n afwijkend fenomeen in de oudheid kon uitgroeien hebben wij aan het eerste stuk van de historie hierboven, dus de geschiedenis van het volk Israël zoals die in de eerste boeken van het Oude Testament wordt geschetst, vrijwel niets. Dat relaas is (tenminste gedeeltelijk) van grote geestelijke waarde, maar niet van grote historische waarde. Uit zowel literair als archeologisch onderzoek is ondertussen wel duidelijk geworden dat het joodse volk niet plotseling als een invasieve macht het land Kanaän is binnengevallen. In hoeverre er ook maar iets uit het boek Exodus op historische gebeurtenissen is gebaseerd is volkomen onduidelijk. Het hele Oude Testament is trouwens zoiets als een rommelig archief waarvan verschillende redacteurs in verschillende tijden lopende verhalen hebben proberen te maken. Dat is best aardig gelukt, tenminste voor wie bereid is de details te negeren. Wie secuurder kijkt ziet de ene tegenstrijdigheid na de andere.Om maar met een boek te beginnen dat fundamenteel problematisch is vanuit historisch perspectief: De verhalen uit het boek Jozua, waarin het volk Israël het land verovert op de Kanaänieten, zijn zo mogelijk nog moeilijker te plaatsen dan die uit Exodus. In de tijd waarin het zou moeten spelen waren verschillende steden die met grof geweld door Jozua en het volk veroverd zouden zijn niet eens bewoond. Zo waren de muren van Jericho al lang ingestort voordat de Israëlieten er zeven keer omheen getrokken zouden zijn en op hun bazuinen zouden hebben geblazen. Wat belangrijker is: er is archeologisch en ook uit geschreven bronnen van buurvolkeren helemaal niets terug te vinden van wat toch een politieke gebeurtenis van belang zou moeten zijn geweest als het zo had plaatsgevonden als het staat beschreven. Als de Friezen zich aan het Nederlandse juk zouden hebben ontworsteld, veertig jaar door de Biesbosch zouden hebben gesopt en daarna België zouden hebben veroverd (en heel Antwerpen, Gent en Brugge zouden hebben uitgemoord om het bloed van hun nakomelingen zuiver te houden) zou dat hoe dan ook sporen hebben achtergelaten, literair, maar ook materieel.Als we tot nog vóór Exodus terug gaan wordt het er niet beter op. De verhalen over de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob hebben hun samenhang zoals wij die kennen pas op zijn vroegst gekregen tijdens de Babylonische ballingschap, dus pas na de val van beide koninkrijken, in de zesde eeuw voor Christus. Ze zijn – in ieder geval in hun tegenwoordige samenhang – jonger, niet ouder dan de verhalen over Mozes. Er zijn sterke aanwijzingen dat de aartsvaders – als ze al gebaseerd zijn op historische personen – niet allemaal familie van elkaar waren en niet eens in dezelfde streek woonden. Zo schijnt, om maar eens iets te noemen, Jakob een West-Jordaanse achtergrond te verraden die de rest mist.Omdat dit soort informatie schokkend kan zijn voor sommige luisteraars hecht ik eraan op te merken dat archeologie en bijbelexegese een ander soort wetenschap zijn dan wiskunde of formele logica. Ze zijn aan modes en opschuivende inzichten onderhevig. Dit soort details zou dus over twintig jaar weer anders in de handboeken kunnen staan. Ze mogen dus best een beetje gerelativeerd worden. Aan de andere kant moet je er als gelovig mens ook op kunnen vertrouwen dat God wel tegen een stootje kan. Een God die voortdurend moet worden beschermd tegen de realiteit en jouw nieuwsgierigheid daarnaar kan nooit de werkelijke, absolute God zijn. Tegelijkertijd is de essentie van dit stuk niet het vaststellen van allerlei historische details die al of niet overeenkomen met de catechismus. Wat je moet onthouden is dat de boeken van het Oude Testament geen geschiedenisboeken zijn. Ze dienen je gebedsleven, niet je kansen om ‘De slimste mens’ te winnen.We gaan verder met de beroemde twee koninkrijken, Israël en Juda. Ook dat waren niet de glorieuze politieke entiteiten die onze cultuur er later van heeft gemaakt. Het lijkt erop dat Egypte en Mesopotamië rond 1000 v. Chr. een tijdje beide zo zwak waren dat ze ruimte overlieten voor Jeruzalem om een zekere zelfstandigheid te ontwikkelen en zelfs een aantal van haar buren te koeioneren en schatting van ze te eisen. Er zijn trouwens geleerden die zelfs dat niet zien zitten. Wat wél algemeen geaccepteerd is, is dat er iets later in de geschiedenis een tijdje twee koninkrijken waren met een min of meer vergelijkbare religie en cultuur, die elkaar regelmatig in de haren zaten. Die koninkrijken, en dus ook álles wat eraan voorafging, waren vrijwel zeker net zo polytheïstisch als hun buren, en ook ongeveer op dezelfde manier. De godsdienst van de Israëlieten was lange tijd de Kanaänitische religie van de oppergod El, de Baäls, hemelse godinnen en de plaatselijke cultussen van offerhoogten en palen. Elke stad zijn eigen God met zowel particuliere als algemene trekken.Als er dus gesproken wordt over vorsten en helden die door God gestraft werden omdat ze nog andere goden aanbaden dan Hem alleen is dat een interpretatie achteraf vanuit een nieuwe – veel later gegroeide – spiritualiteit. Saul, David en Salomo zouden niet op het idee zijn gekomen om maar één God te aanbidden. Dat zouden ze net zo’n malle ketterij hebben gevonden als de priesters van Amon en Isis een jaar of achthonderd eerder in Egypte. Toen sloeg farao Amenhotep de vierde op hol en veranderde zichzelf in koning-priester Achnaton. Hij verklaarde een obscuur aspect van de zonnegod tot enige echte God en liet de tempels van alle andere Egyptische goden sluiten. Toen ging hij dood en draaiden de mensen alles wat hij bij elkaar had geknutseld weer terug. Ook probeerden ze hem zo snel mogelijk te vergeten. Mensen vragen zich wel eens af of er enig verband is tussen die gebeurtenissen en de veel latere ontwikkeling van het monotheïsme in Israël. Chronologisch liggen die gebeurtenissen daarvoor wel erg ver uit elkaar, maar geografisch is enig verband juist wél weer goed voor te stellen. Ook is er natuurlijk het wonderlijke feit dat de joodse mythologie uitdrukkelijk beweert dat Egypte een hoofdrol speelde in de wording van de bijzondere relatie tussen Israël en zijn God. Wij zullen het precieze hoe en waarom wel nooit meer aan de weet komen.Hoe dan ook: terug naar Jeruzalem. De tempel die koning Salomo volgens de Bijbel bouwde voor de ene God was in werkelijkheid vrijwel zeker bedoeld als woning voor een heel gezin. Naast God zelf woonden daar ook zijn vrouw, die waarschijnlijk Ashera heette. Ook hadden die twee zeker en vast nog een heel stel kinderen. Als we kijken naar de gewoonten van de streek zullen dat minstens de maan en de sterren zijn geweest, wellicht in de vorm van dochters. Ook zullen er wel één of twee herrieschoppers in de trant van Baäl tussen hebben gezeten. Dat waren goden die met rukwinden en stormen op zee werden geassocieerd. Daarmee aardden ze naar hun Vader, want de God van Israël zelf, JHWH, was oorspronkelijk ook zo’n stormgod geweest, maar dan uit de Edomitische woestijn. Op den duur was Hij een soort fusie aangegaan met de Kanaänitische oppergod El. Dat was een veel rustigere, wijzere, tolerantere en vriendelijkere God. Een grootvadertje, eigenlijk, met een grijze baard. Het lijkt wel gek dat goden aan fusies en overnames doen, maar dat was vroeger de normaalste zaak van de wereld. En eigenlijk is dat nog altijd niet helemaal voorbij. Zo is Onze Lieve Vrouwe van Tienray in het noorden van Limburg nog niet zo lang geleden een fusie aangegaan met Onze Lieve Vrouwe van Lourdes. Enfin, dat is een ander verhaal, dat een andere keer maar eens moet worden verteld.Dat JHWH in eerste instantie geen wijze oude Vader was, maar eerder een jonge, strijdlustige onweersgod, vinden we overal in rudimentaire vorm terug in de Bijbel. Lees de Psalmen er maar eens op na. Bijvoorbeeld Psalm 67 (68).Psalm 67:8–9O God, toen Gij uittrok voor uw volk,toen Gij voortschreed door de woestijn, beefde de aarde,ook de hemel droop voor het aanschijn van God,deze Sinaï beefde voor het aanschijn van God, de God van Israël.Hij is wild en Hij kwam uit het Zuiden, uit Sinaï, zeggen die verzen. Teksten in de Bijbel die nog veel ouder zijn, winden er al helemaal geen doekjes om. Zo bevat het boek Deuteronomium, dat zelf verhoudingsgewijs jong is (4e of 5e eeuw v. Chr) een veel oudere kern (33:2-5, 26-29, uit c. 10e of 9e eeuw v. Chr.) waarin de volgende verzen voorkomen:Deut. 33:2JHWH kwam van Sinaï,Hij rees voor hen op uit Seïr,Hij straalde van het gebergte Paran,en kwam uit de tienduizenden van heiligheid;aan zijn rechterhand bliksemstralen voor hen.Seïr en Paran zijn beide gebergten in Edom, dus het zuidelijke buurland van Israël. En dan hebben we nog het boek Rechters. Dat gaat over de tijd van vóór de koningen. Als je kijkt naar de geschiedenis van de tekst zélf is het een soort laagjestaart van oudere en jongere elementen. Het bevat wat wellicht de alleroudste Hebreeuwse tekst in heel de Bijbel is, het zogenaamde ‘Lied van Deborah.’ Daar heet het:“HEER, toen Gij uittrok uit Seïr, toen Gij voortschreed uit het veld van Edom, beefde de aarde, druppelden de hemelen...”Dus alweer uit het zuiden, uit Edom. Dat JHWH in eerste instantie jong, snel en wild was, blijkt ook wel uit het feit dat teksten die oorspronkelijk voor één van de Baäls waren gemaakt moeiteloos voor Hem konden worden gekopieerd. De Baäls waren immers net als Hij ook goden van het noodweer, maar dan van noodweer veel verder naar het Noordwesten. Een voorbeeld van zo’n ‘geleende’ tekst is Psalm 28 (29):Psalm 29:9De stem van JHWH doet de hinden werpen,en ontbloot de wouden;en in zijn tempel roept alles: Ere!Dat de de God JHWH van Israël op den duur een veel wijzer en grootvaderlijker karakter heeft gekregen komt omdat Hij, zoals we al hadden gezien, geleidelijk aan samensmolt met El, de oppergod van de Kanaänieten. Gods bij tijd en wijle moordzuchtige driftbuien en vooral zijn competitiedrang en jaloezie heeft Hij alleen duidelijk nooit helemaal afgelegd tot Hij de Vader van Jezus Christus werd. En zelfs daarover valt zeker nog te twisten. Godsdienst is nou eenmaal niet voor halfzachte eitjes.Stadia van ‘monotheïsering’Hoe komen we nou van heel die verwarrende godenboel tot de Ene God van Israël? Het lijkt er op dat de ontwikkeling van een heel pantheon naar de aanbidding van één enkele God met uitsluiting van alle andere zich geleidelijk heeft voltrokken in Israël. De godsdienstwetenschap deelt een dergelijke ontwikkeling in stadia, die alleen zelf ook lang weer niet altijd helemaal helder zijn. Ik zet ze toch maar even op een rijtje.* Hard polytheïsme – er zijn veel verschillende goden die op geen enkele manier een eenheid vormen, behalve dan op de manier zoals ook mensen dat doen: door familie van elkaar te zijn of clubjes en kliekjes te beginnen. Soms vinden ze elkaar aardig of gooien het met elkaar op een akkoordje. Soms vechten ze elkaar de tent uit. De mensen zijn overgeleverd aan hun gemarchandeer. Je kiest partij voor een aantal van hen en paait die met offers. De vijanden van jouw god zijn ondertussen ook jouw vijanden en andersom. Zie bijvoorbeeld het verhaal van Odysseus van Homerus. De Griekse goden in hun meest primitieve vorm zijn dan ook een schoolvoorbeeld van dit soort goden, maar ook de Germaanse komen in de buurt. Daarbij organiseren ze zich, zoals we al eerder zagen, ook plaatselijk. Er is duidelijk sprake van stads- en streekgoden die bij oorlog tussen hun bevolkingen dus ook kunnen verliezen of winnen. Soms vallen ze letterlijk samen met hun beelden of fetish-voorwerpen. In dat geval kunnen ze zelfs gestolen worden. Het lijkt erop dat dat met de God van Israël JHWH ook aan de hand was toen de Filistijnen er vandoor gingen met de Ark van het Verbond. “Ichavod! Geen glorie meer! Glorie is uit Israël weggevoerd, omdat de ark van God is meegenomen!” (Cf. 1Sam, 4). Dit verhaal wijst erop dat Israël in ieder geval nog vlak voor de tijd van de eerste koningen in dit uiterst primitieve stadium van ontwikkeling zat.* Zacht polytheïsme – Er zijn vele goden, maar die zijn in feite facetten van één God of goddelijke Kracht of Werkelijkheid. Er zijn signalen dat sommige culten uit de oudheid bezig waren zich in die richting te ontwikkelen vóór ze door het christendom of de islam onder de voet werden gelopen (denk aan het syncretisme waar we al in de eerste aflevering van deze serie over spraken.) Als we in onze huidige tijd naar deze vorm op zoek gaan vinden we die bij sommige van de godsdiensten die wij in het westen samenvatten onder de term Hindoeïsme. Wij laten zacht polytheïsme hier verder buiten beschouwing omdat het in onze contreien nooit de kans heeft gekregen dominant te worden. Wel zijn er de nodige neo- paganistische nieuwe religieuze bewegingen die er dergelijke ideeën op na houden. Die zijn alleen pas in de twintigste eeuw ontstaan uit de ideeën van onder andere Gerald Gardner en typisch Britse esoterische genootschappen als de Golden Dawn. Andere verhalen voor een ander moment.* Henotheïsme – deze term en het monolatrisme dat erop volgt doen soms een tikkeltje kunstmatig aan. Het zijn dan ook typisch academische aanduidingen die proberen orde te scheppen in processen die in werkelijkheid heel diffuus verlopen. Henotheïsme doelt op het vereren of aanbidden van vele goden, waarbij er echter één duidelijk dominant is en in de praktijk verreweg de hoofdrol speelt.* Monolatrisme – men accepteert dat er vele goden bestaan, maar dient er slechts één. Die Ene is bovendien erg jaloers en slaat je met dood en verderf als je je met de buren inlaat. Waarschijnlijk moeten wij in deze categorie de mislukte innovatie van Achnaton in Egypte plaatsen. Ook is dit waarschijnlijk een stadium in het ontstaan van het jodendom geweest, op de een of andere manier.* Monotheïsme – Er is slechts één God, de rest bestaat eenvoudigweg niet. Jodendom en islam vallen in hun moderne vorm in ieder geval onder dit kopje. Het christendom ook, wanneer je bereid bent de Drievuldigheidstheologie als monotheïstisch te aanvaarden (wat niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt.) Ook een aantal kleinere godsdiensten, zoals de Sikh-religie en die van de Jehova’s Getuigen hebben deze denktrant.* Pantheïsme en monisme – Verschillende scholen in de Griekse filosofische traditie gingen nog verder dan het monotheïsme en kwamen uit bij het absolute monisme of pantheïsme. Daarin is God niet alleen de enige God die bestaat, maar zelfs het Enige dat überhaupt bestaat. Elke vorm van meervoudigheid is op de één of andere manier een illusie. Die vorm vinden in India nog terug in de Advaita Vedanta en in het westen in het denken van sommige filosofen, zoals Spinoza. In het christendom is het nooit een breed geaccepteerde theologie geworden. Sterker nog: menig mysticus is in de problemen gekomen omdat hij of zij van pantheïsme werd verdacht.De definitieve doorbraak in Israël van het idee dat er slechts één God bestaat moeten we veel later plaatsen dan wij doorgaans geneigd zijn te denken. Ook is die doorbraak veel geleidelijker verlopen dan de huidige redactie van onze Bijbelboeken suggereert. De eerste keer dat het zich vrijwel zeker in de geschiedenis laat gelden – en niet alleen in de verhalen die er achteraf over werden verteld – is in de tijd van de twee koninkrijken, Israël en Juda. Het is in die tijd dat de beroemdste profeten zich manifesteren. Een aantal van hen is minstens streng monolatrisch en sommigen van hen misschien zelfs wel monotheïstisch. De twee meest uitgesproken “JHWH-alleen-profeten,” zoals ze in de academische wereld soms worden genoemd, zijn Elia en Elisa. Dat zijn profeten uit het noordelijke koninkrijk. De profeet Elia was in een soort persoonlijke vete verwikkeld met de uit het buitenland afkomstige koningin Izebel. Die probeerde de goden van haar thuisland in Israël te introduceren. De zo ongeveer kosmische botsing tussen die twee heeft de transformatie van de Israëlitische religie misschien wel een soort nerveuze spanning bezorgd en zo versneld.Vanaf Josiah’s theocratische regimeEnorm belangrijk voor de ontwikkeling van het jodendom als monotheïstische godsdienst is de regering van de eerder al even genoemde koning Josia geweest. Hij was koning in Jeruzalem, dus van het zuidelijke koninkrijk Juda, toen het noordelijke al lang door de Assyriërs was vernietigd. (Hij regeerde van 648 v. Chr. Tot 609 v. Chr.) Hij heeft in de Bijbel een heel goede naam, maar tegenwoordig zouden we zijn bewind waarschijnlijk theocratisch, bekrompen en tiranniek hebben gevonden: te vergelijken met de Taliban of zo. Tijdens zijn regering werd een soort oerversie van het boek Deuteronomium zogenaamd “ontdekt,” of – waarschijnlijker – geënsceneerd (zoals meestal in die tijd met behulp van ouder materiaal.) Dat boek, het vijfde van de Thora, is een soort samenvatting van de mentaliteit die wij nog altijd heel goed kennen en typisch associëren met de logica van het semitische monotheïsme. En tegenwoordig ook met een bepaald soort stijf calvinisme. Het bestaat voornamelijk uit wetten en regels en is sterk gericht op het bestrijden van enige vorm van afgoderij, dus het aanbidden of zelfs maar serieus nemen van enige god anders dan JHWH. Het is bij uitstek dit boek dat uiteindelijk als een soort toetssteen zou gaan gelden voor wie al of niet rechtgelovig zou zijn. De latere redacteurs van de Bijbelboeken deden hun werk dan ook over het algemeen met het filter van Deuteronomium als een soort bril op de neus. Daarom noemen we dergelijke redacties ‘deuteronomistisch.’Het is ook vanuit die mentaliteit dat we het ontstaan van het grote verhaal van de geschiedenis van God met het volk Israël moeten begrijpen. Men begon de verhalen opnieuw te vertellen, maar nu vanuit het perspectief van de spiritualiteit van de profeten zoals vertolkt door (de eerste variant van) Deuteronomium. Daar kwam bovendien nog één element bij dat als een katalysator voor dat hele proces fungeerde: de Babylonische ballingschap.Josia was niet alleen de meest vrome koning van Juda, hij was ook de laatste met enige echte macht. Hij sneuvelde in een veldslag tegen de Egyptenaren, waarna het met de echte zelfstandigheid van Jeruzalem gedaan was. In 587 werd de stad uiteindelijk door de Babyloniërs verwoest – inclusief de tempel – en werd de elite van het volk weggevoerd naar Babylon.Die nare gebeurtenissen hadden het tegenovergestelde effect van wat de Babyloniërs in feite beoogden: het assimileren van Israël in het Babylonische rijk en het laten verdwijnen van de Israëlische identiteit. In plaats daarvan beten de weggevoerde edelen zich in het verre Babylon helemaal vast in het joods-zijn en in het bijzonder in hun deuteronomistische monotheïsme, dat zich juist daar verder ontwikkelde. Hun ballingschap duurde ongeveer één generatie. Daarna werden ze vrijgelaten door de Perzen, die Babylon ondertussen hadden veroverd. Ze kwamen terug in hun land met een geestelijke weerbaarheid die ze waarschijnlijk zonder de deportaties nooit zouden hebben gehad.De tempel werd herbouwd (zie de bijbelboeken Ezra en Nehemia) en de offers werden hervat. Die tempel bevatte toen waarschijnlijk al geen Ark van het Verbond meer, maar kreeg ook geen beeld of een vervanging daarvan. Het heilige der heiligen was in het vervolg leeg: niets dan ruimte voor de onzichtbare en onkenbare God.Langzamerhand worden de boeken van het joodse volk verzameld en samengesteld uit oude verhalen, wetten en wijsheden. Sommige passages liggen min of meer klaar, andere behoeven herziening en sommige moeten worden toegevoegd. Redacteurs smeden het geheel min of meer tot een eenheid – met de aanbidding van de ene ware God JHWH in het achterhoofd. De eerste vijf van die boeken heten de Thora en worden als bijzonder heilig en maatgevend beschouwd, maar ook de rest – profeten, geschiedenissen, wijsheden, liederen – worden gekoesterd en gevierd. Er ontstaat voorzichtig een schriftgeoriënteerde godsdienst zoals het nog niet eerder in de geschiedenis is waargenomen. De volle bloei daarvan moet trouwens nog wachten tot ook de tweede tempel er niet meer is, maar dat is pas vanaf het jaar 70 na Chr, zover zijn we nog niet.Eerst komt en gaat nog Alexander de Grote, en ook de Seleuciden, de Makkabeeën en latere Hasmoneeën.Dan verschijnen de Romeinen op het toneel, en hun marionettenvorst, Herodes de Grote. Het land heeft dus wéér geen zelfstandigheid, er is wéér onderdrukking en voortdurende spanning.Het is in die context dat Christus geboren wordt. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
0
Zinnen van de Ziel 1 - Wakker Dier!
Deze eerste aflevering van de serie ‘Zinnen van de Ziel’ bestaat uit een lange, tedere mijmering over ons bewustzijn, onze zinnelijke natuur, beestjes en onzichtbaar licht. Deze eerste aflevering krijgen jullie cadeau. De volgende zes afleveringen zullen vanaf nu maandelijks verschijnen voor mijn betalende abonnees. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
-
-1
Inleiding op het christendom I
* Ten geleideHet christendom is wellicht één van de meest ontwikkelde – en daarom ook complexe – religieus-culturele stelsels uit de hele geschiedenis van de mensheid. Het zou dan ook buitengewoon stompzinnig zijn te denken dat je over zoiets een “vijf-minuten-inleiding” zou kunnen schrijven, of zelfs maar een “twee-weken-stoomcursus.” Wie ooit een christelijke opvoeding van enige soort kreeg, of wie in een agnostische omgeving is opgegroeid maar gewoon een goede algemene kennis heeft opgebouwd, zou deze tekst als een opfrisser kunnen gebruiken. Daarmee zijn de meeste mensen die nu (2025) ongeveer vijftig jaar of ouder zijn wel ongeveer geholpen. Ben je jonger en heb je verder geen kerkelijke achtergrond, dan zou het voor heel je verdere leven van grote waarde kunnen zijn om één van de klassiekers op dit terrein te lezen.Mystieke theologie is immers géén randverschijnsel van religie, maar het absolute hart ervan. Wij gaan het hebben over de directe ontmoeting tussen de ziel en degene die wij doorgaans “God” noemen. Die is de Absolute uiterste werkelijkheid waaraan al het andere zijn bestaan en eventueel leven ontleent, niet in de laatste plaats ons eigen bewustzijn. Alle religieuze stelsels zijn gebaseerd en gefundeerd op dit soort ontmoetingen, en in tweede instantie de interpretatie daarvan.Omdat de ervaring dus voorafgaat aan de theorie- en traditievorming van de godsdiensten zou je de verkeerde conclusie kunnen trekken dat je makkelijk mystieke theologie kunt lezen zonder veel kennis van religieuze taal. Waarom zou je immers de blaadjes moeten bestuderen als je eigenlijk in de stam geïnteresseerd bent?De getuigen van godservaringen die wij aan het woord laten leefden alleen in een tijd dat de boom al een weelderige kroon had, en zij drukken zich uit in een volgroeid religieuze taal. Je zult minstens de hoofdstructuur van die taal moeten kunnen plaatsen om hun getuigenissen te kunnen verstaan.In feite zijn religies (onder andere) talen om het onuitsprekelijke niet alleen te kunnen zeggen, maar ook te kunnen delen, gezamenlijk te kunnen beleven. Met elkaar en met God.De taal die wij op deze site (hoofdzakelijk) zullen beluisteren en proberen te verstaan heet christendom. Dat christendom heeft wortels. Over die wortels gaat deze tekst.* Religie in het algemeenHet is nog geen enkele godsdienstwetenschapper gelukt om een bevredigende definitie te geven van wat religie eigenlijk überhaupt is. Het eerste gevolg daarvan is dat alle indelingen van verschillende soorten religies relatief en soms ronduit willekeurig zijn. Toch loont het, volgens mij, de moeite om een paar ruwe contouren te schetsen.Voordat mensen dingen begonnen op te schrijven waren ze al lang aan het bidden en het offeren, dus zich religieus aan het gedragen. Op de een of andere manier meenden ze een Grond achter hun dagelijkse werkelijkheid te kunnen ervaren en wilden ze zich daartoe verhouden. Het is voor ons moeilijk hun gedrag precies te interpreteren, want wij hebben geen teksten, alleen voorwerpen en soms voorstellingen waarvan wij met enige zekerheid durven vast te stellen dat ze religieus van aard zijn. De vraag blijft alleen steeds hoe precies? Ik denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde Rode Dame van Paviland, een graf uit ongeveer 30.000 v. Chr. Ondanks de feeërieke benaming gaat het in feite om de stoffelijke resten van een jonge man. Het werd ontdekt in een grot aan de kust van het schiereiland Gower, in het zuiden van Wales, in 1823. De botten waren met oker rood gekleurd, en begraven met de nodige sieraden en gebruiksvoorwerpen, wat wijst op, ja, wat precies, eigenlijk? Op de status van de overledene? Op een geloof in een leven na de dood bij de nabestaanden? Wij weten het niet, en dat geldt in feite voor alle begravingen die wij terugvinden uit de periode vóór wij begonnen te schrijven.Een berucht moeilijk te interpreteren voorbeeld zijn verder ook de vele prehistorische grotten met geschilderde scènes van dieren, en soms mensen. Het is helder dat die voorstellingen niet zomaar gezellige decoraties zijn waar je naar kunt kijken terwijl je je geroosterde bison zit weg te kauwen. Dat weten we bijvoorbeeld omdat wij die schilderingen aantreffen op plaatsen waarvan we zeker weten dat mensen er niet gewoond kunnen hebben, bijvoorbeeld omdat ze onpraktisch diep in de aarde liggen.Een plaats waar je alleen met de grootste moeite kunt komen is heel geschikt om je toewijding en doorzettingsvermogen te testen en ook om levensveranderende ervaringen op te wekken, maar niet om je potje te koken en je kindertjes op te voeden. Ook tegenwoordig kennen wij nog bedevaarten die juist bevredigend zijn omdat ze je dwingen je grenzen te overschrijden. Elk jaar beklimmen duizenden Ieren op blote voeten een enorme berg losse stenen in county Mayo (Cruach Phádhraig) waarop de heilige Patrick veertig dagen zou hebben gevast. Dat duurt uren, schuurt het vel van je zolen en is ook nog gevaarlijk: elk jaar vallen er wel een paar bedevaartgangers naar beneden en breken verscheidene botten. Dat houdt ze ondertussen niet tegen, want ze worden gedreven door een diepgevoelde, religieuze motivatie die ze zelf geenszins begrijpen, maar alleszins beleven. Geen van hen komt ondertussen op het idee een bungalow op die berg te zetten en er te blijven wonen of er een knaagdierenpension (“Bunny’s Holiday”) te beginnen. Dit soort oorden zijn niet om te wonen of voor ander praktisch gebruik, maar duidelijk gereserveerd – apart gehouden – om God of de goddelijke wereld te kunnen ontmoeten. Ze zijn “heilig.”Iets dergelijks geldt duidelijk voor de beschilderde grotten. De voorstellingen van onze voorouders in de grotten van Lascaux en Altamira tonen de werkelijkheid zoals zij die zeventienduizend jaar geleden beleefden. Vooral de dieren die ze kenden, en die onmisbaar waren voor hun voortbestaan, worden er zichtbaar in gevierd. Het kernwoord dat weergeeft waarom die schilderingen relevant zijn in een tekst over mystieke ervaring is ontzag. De bril waardoor de prehistorische mens naar die beesten keek was niet dezelfde als die van een Drents boertje op de Zuidlaarder paardenmarkt. Die kan weliswaar allerlei hartstochtelijke gevoelens koesteren voor de majesteit van een Fries trekpaard van zijn gading, maar religieus zijn die gevoelens niet. De grotschilderingen uit het late paleolithicum ademen niet alleen bewondering, maar ook eerbied. Ze stammen niet alleen uit de oertijd, maar bemiddelen ook een oerervaring, een ervaring van hoe die mensen hun eigen wezenlijke essentie in de natuur zagen oplichten. Bepaalde aspecten van die natuur waren duidelijk “heilig.”Ik besef dat ik hier aan het schetsen ben in grove streken. Veel verder kom ik ook niet, want we hebben het over mensen die niets hebben opgeschreven. We interpreteren dingen, geen verhalen.Waar dat toe kan leiden werd aan het einde van de jaren zeventig koddig geïllustreerd door de Amerikaanse illustrator David Macaulay in zijn boek “Motel of the Mysteries.” Daarin stelt hij zich voor hoe in het jaar 4022 een Californisch motel wordt opgegraven door een stelletje archeologen. Ze denken dat ze een religieus complex hebben opgegraven. Een WC-bril wordt het ‘Heilige Halssierraad,’ een gootsteenontstopper een sacraal muziekinstrument enzovoort.Wellicht is dit überhaupt een goed moment voor een terzijde over de wetenschappelijke traditie op dit terrein. Het is belangrijk om te beseffen dat die niet waardenvrij is, en dat de resultaten ervan dus in hun context moeten worden gezien. Het is geen groot geheim dat vakken als geschiedenis, antropologie en sociologie aan de universiteit gegeven worden in een atmosfeer die sterk politiek geladen is. Als we de klassiekers van de godsdienstwetenschappen op één grote hoop gooien eindigen we met een prak die nogal marxistisch gekruid aandoet, ook als dat zeker niet het hele verhaal is. Er spreekt in ieder geval een zekere motivatie uit om religie als dragende kracht van de samenleving te diskwalificeren en te degraderen tot een voetnoot bij de politiek, de biologie of, vooral, de economie. Omdat godsdienstwetenschappelijke faculteiten lijden aan dezelfde generatiekloof als de kerkelijke wereld wordt deze vooringenomenheid ook niet op de natuurlijke wijze gecorrigeerd door verjonging van het personeelsbestand en de bijbehorende schuivende panelen. Dat zal in de toekomst waarschijnlijk schoksgewijs gebeuren, maar daar gaan wij hier niet op wachten. Wij laten evolutionisme, diffusionisme en, vooral, functionalisme daarom hier verder buiten beschouwing.Hoe dan ook: We weten zeker dat er in de loop van de tijd personificatie optreedt. Aspecten van de natuur – en later ook de cultuur – die als fundamenteel ervaren worden veranderen in personen, in goden. Die ontwikkeling begint heel plaatselijk en specifiek en wordt dan in de loop van de tijd steeds algemener en bestrijkt een steeds groter gebied. Wellicht wordt het iets minder abstract als ik het in een vertelseltje giet.* In het donkere bos achter ons dorp is een bronnetje waaruit een beekje ontspringt. Als je daar komt valt het zonlicht door de bladeren op het water en maakt er sterretjes in. Het ruikt er naar mos en groeiende dingen en al die dingen bij elkaar maken dat je je klein voelt en toch welkom. Je wordt er vanzelf stil van. Die bron luistert naar je, maar je moet wel eerbiedig zijn als je daar bent, anders word je ziek.* Achter het dorp ligt een heilig bos waarin een nimf woont die de behoedster is van de bron die ons het water geeft dat wij nodig hebben. Twee keer per jaar brengen wij daar bloemen of vruchten zodat zij blijft stromen en ervoor zorgt dat het water niet bederft. Zo heeft elk dorp wel een geest in het bos of het water of op een berg of zo.* De Godin Beleria heeft in het heilige woud een tempel waarin een bron ontspringt met genezende krachten. Alleen dochters uit de meest nobele families mogen daar priesteres worden, en uit heel het land reizen mensen er naartoe om gouden sieraden in haar heilige bron te offeren.* Onze stad is groot geworden omdat het een heilige plaats is voor de godin Venus in haar gestalte van Beleria-Gasselternijeveenensis. Zowel de Romeinen als de Saksen komen daar offeren en baden in haar heilige bron om te genezen van reuma.En zo verder, en zo voort. Eerst heeft elk dorp wel een heilige bron, of een steen, of een kloof die een numineuze aanwezigheid ademt. Die numineuze aanwezigheid verzelfstandigt zich tot een kracht, de kracht tot een geest, de geest tot een plaatselijke godheid. Een paar van die goden worden internationale grootheden, adopteren plaatselijke goden en maken daar aspecten of manifestaties van zichzelf van. Wij noemen dat syncretisme, en in onze contreien waren het vooral goden uit het Grieks-Romeinse pantheon die als etiketten op onze eigen plaatselijke goden werden geplakt.Eén aspect moeten wij moderne mensen goed in de gaten houden als wij kijken naar dit soort klassieke vormen van religiositeit. Dat aspect is de ethische instelling – of het eventuele gebrek daaraan – van de heidense ‘goddelijke wereld,’ zoals we die voor nu maar even zullen noemen. Wij zijn gewend – of we nu een kerkelijke achtergrond hebben of niet – dat God zich bij uitstek met de ethiek bemoeit. Wij associëren religie per definitie met deugdzaamheid (zelfs met “braaf zijn.”) Heidense goden hadden niet de uitgesproken ethische aard die God in de christelijke godsdienst (als erfenis van de joodse) later wel zal krijgen. Let wel: het is ook weer niet zo dat de goden van de oudheid volledig amoreel waren. Extreem kwaad werd wel degelijk bestraft, daar waren zelfs in verschillende pantheons gespecialiseerde godinnen voor, zoals de Griekse Furiën waar wij nog ons woord “furieus” aan hebben overgehouden, en de Keltische Morrigan. De lijst zou nog even door kunnen gaan. Net zo werd een extreem filantropisch leven wel degelijk beloond (hoewel niet zo rijkelijk als een extreem vroom leven, gewijd aan het offeren aan de goden). Toch waren de meeste heidense goden lang niet zo door goed en kwaad geobsedeerd als de God van Abraham, Isaak en Jacob, laat staan de Vader van Jezus Christus. We zullen verderop trouwens nog zien dat ook die een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt totdat Hij was zoals wij Hem nu kennen, maar daarover later meer.Het meest bont maken het de goden van het Grieks-Romeinse pantheon. De verhalen over hen lezen regelmatig welhaast als een soap. Venus heeft een geheime affaire met Mars, Vulcanus, haar echtgenoot, vangt de twee terwijl ze met elkaar aan de gang zijn onder een net en stelt ze voor de rest van de goden tentoon. Die krijgen de slappe lach en laten de zo de bergen schudden. De Grieks-Romeinse goden zijn een intrigerend gezelschap, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin, maar erg veel devotie inspireren ze niet. Ze zijn regelmatig kinderachtig, vraatzuchtig, geil, jaloers en wraakzuchtig. Ze werden dan ook op een gegeven moment nauwelijks meer serieus genomen als numineuze werkelijkheden. Ze waren “uitgeëvolueerd” of “opgebruikt” of hoe je dat bij goden ook maar wilt noemen. In de praktijk speelden ze op een gegeven moment alleen in de staatscultus nog een werkelijk religieuze rol. Voor de devotie van het volk waren ze al lang vervangen door andere goden, nogal eens geïmporteerd uit het oosten of uit Egypte. Zo werd de Egyptische godin Isis bijvoorbeeld fanatiek aanbeden in het Romeinse keizerrijk. Ook werden de zogenaamde “mysteriecultussen” populair, godsdienstige organisaties waarin je moest worden ingewijd door middel van allerlei indrukwekkende (en soms waarschijnlijk ook geestverruimende) rituelen. Het Romeinse keizerrijk in de laatste eeuwen voor het christelijk werd was een religieus pluriforme samenleving met verschillende lagen. De staatscultus hield de klassieke goden in ere – zonder veel emotionele lading, maar wel ernstig in de zin dat die goden als constitutief voor het voortbestaan van de maatschappij werden gezien. Daar werd uiteindelijk ook nog de cultus van de keizers aan toegevoegd. Bepaalde gestorven keizers werden als vergoddelijkt aanbeden in speciale tempels, en daarnaast was er nog de cultus van de zogenaamde “genius van de keizer,” de personificatie van zijn gezag en daarmee van het hele rijk. Naast de staatscultus was er de volksdevotie die, zoals al besproken, veelkleurig en zeer persoonlijk werd beleefd in de hartlanden van het Romeinse Rijk, met behulp van de import van exotische spirituele elementen. Daarbuiten, in gebieden als Gallië, Dalmatië, Germania en Brittannia mogen we er vanuit gaan dat de voor- romeinse godsdiensten gewoon bleven voortbestaan en door middel van syncretisme aan de klassieke goden werden gekoppeld. Onze eigen Nehallennia is daar een voorbeeld van. We hebben heel wat wijstenen ter ere van haar uit de Zeeuwse wateren gehaald die uitgesproken Romeins aanvoelen, maar zij was in feite gewoon een Germaans verschijnsel. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
No matches for "" in this podcast's transcripts.
No topics indexed yet for this podcast.
Loading reviews...
ABOUT THIS SHOW
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
HOSTED BY
Pater Hugo
CATEGORIES
Loading similar podcasts...