Geruis Uit De Kluis podcast artwork

PODCAST · religion

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

Publisher-supplied feed metadata · PodParley refreshed Sep 12, 2026 · Source feed

  1. 53

    Is Pater Hugo een Modernist?

    De laatste tijd stikt het ineens van de vers bekeerde katholieke mannetjes die mij uitschelden voor modernist. Dat is in ieder geval een fris prespectief, want het grootste deel van mijn leven ben ik nogal eens voor aartsconservatief uitgemaakt. Dus fijn dat er eens wat nieuws onder de zon is. Maar ik heb wel de indruk dat deze jonge traditionele katholieken niet echt goed begrijpen wat het woord ‘modernisme’ precies betekent. Ik snap dat, want het is ook écht een héél moeilijk woord. Zelfs de mensen die het bedacht hebben konden destijds al niet goed uitleggen wat ze er eigenlijk mee bedoelden. Een beetje zoals je tegenwoordig het woord ‘synodaliteit’ hebt. Enfin, dat is een ander verhaal. Dat moet maar eens worden behandeld door iemand die ervoor betaald wordt en dus wel zal moeten.Ik beperk mij vandaag tot modernist en modernisme. Ik zal eens grondig uitleggen waar dat woord vandaan komt en wat het nou eigenlijk wel en niet betekent. Dan kunnen al die opgewonden kleine conservatieve vadermansjes mij er in het vervolg met recht en reden voor uitschelden. Of misschien ook wel niet. Maar daar komen we dan nu achter.(intro)Voordat ik echt van wal steek nog even voor de echt ongeduldige tiktokbreinen onder ons: op paterhugo.nl heb ik een cheat sheet modernisme klaargezet. Link in de beschrijving.Ok: daar gaan we dan: Een modernist in de katholieke zin is alvast niet zomaar iemand die de liturgie wil verpesten met banaal gedoe of sacrale dans of brood-en-watervieringen of malle liedjes. Zo iemand noemen wij in de katholieke Kerk gewoon een prutser of, als hij ervoor gestudeerd heeft, een vakliturgist, maar niet persé een modernist.Ook bedoelen we met dat woord niet iedereen die in het algemeen moderne ideeën heeft over de Kerk of de theologie of de ethiek. Iemand die vrouwen priester wil laten wijden of homo’s kerkelijk wil laten trouwen is wel erg modern, maar niet persé een modernist. Kán wel, maar hoeft niet persé.Wat is dan wél precies een modernist? De definitie is ongeveer als volgt:Een katholieke modernist is iemand die het christelijk geloof helemaal probeert te begrijpen vanuit de moderne historische wetenschap en de moderne filosofie. En dat niet zómaar, maar zó dat dogma’s niet meer in de eerste plaats worden gezien als onveranderlijke waarheden die God heeft geopenbaard. Ze worden gezien als menselijke formuleringen van een religieuze ervaring. Die formuleringen ontwikkelen zich door de geschiedenis heen en zouden ook zomaar kunnen veranderen of zelfs worden achtergelaten.Dat de definitie zo lang is geeft al wel aan dat het om een behoorlijk vaag begrip gaat. In ieder geval is vooral die laatste zin heel essentieel. Dus dat de grote geloofswaarheden van de Kerk zich niet alleen ontwikkeld hebben, maar ook nu nog kunnen veranderen of zelfs worden losgelaten. Iemand die dat niet duidelijk zo verkondigt is per definitie niet geen modernist.Vanaf de achttiende eeuw ontwikkelden de moderne wetenschappen zich ineens razendsnel, en in de negentiende eeuw zorgde dat ervoor dat het wereldbeeld van de mensen in feite niet meer tot rust kwam. Elke keer als je dacht dat je het snapte veranderde alles weer. De geologie maakte duidelijk dat de aarde niet duizenden, maar tenminste miljoenen jaren oud was. Darwin verscheen met zijn theorieën over de evolutie, rare verhalen over de mensen die van apen afstammen.Electriciteit, licht en magnetisme bleken min of meer hetzelfde verschijnsel te wezen. Ziekten bleken nogal eens te komen van levensvormen die zo klein zijn dat je ze niet kan zien. Het was om stapelgek van te worden.Wat heel belangrijk is, en ik daarom ook maar blijf benadrukken, is dat mensen voor het eerst op grote schaal gingen reizen. Daardoor kwamen er echt persoonlijke contacten met mensen met totaal andere religies uit totaal andere culturen. Dat maakte het veel lastiger om die religies en culturen als alleen maar monsterlijk of vreemd te blijven zien.Maar dat leverde wel twijfels op aan hoeveel waarheid van God er misschien ook wel in die andere tradities zou kunnen zitten. En sommige mensen begonnen zich zelfs af te vragen hoe absoluut de eis van Jezus was dat zijn leer overal verkondigd moest worden.Dat alles raakte dus hier en daar al behoorlijk aan het geloof, maar een hoop andere dingen nog veel directer. Voor het eerst werd het bijvoorbeeld duidelijk dat de Bijbel bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Zo ontdekte een zekere George Smith tussen een berg Assyrische kleitabletten een voorloper van het verhaal over Noach en de ark.Het was duidelijk dat het Bijbelse verhaal daarvan afhankelijk was geweest. De uiteindelijk strekking was ook nog eens anders: God verdelgde de mensen niet omdat ze zo zondig waren, maar omdat ze teveel lawaai maakten. Dit alles maakte het wel moeilijk de zonvloed en de redding van Noach nog letterlijk te nemen.Sowieso toonden Bijbelgeleerden aan dat de vijf eerste boeken van het Oude Testament, waarvan iedereen altijd had geloofd dat ze door Mozes geschreven waren, door een hele hoop mensen in een hele hoop verschillende tijden waren geschreven. En daarna nog eens door een hele hoop mensen door elkaar waren gehusseld en veranderd en herschreven, dat ook nog.Dan waren er nog de geleerden die zich op de ideeën van kerkvaders stortten. En ook die ontdekten van alles. Eigenlijk dwaas, want het ging hier om geschriften die altijd al gewoon beschikbaar waren geweest en gedeeltelijk zelfs in de liturgie zaten. Maar iedereen had er al die tijd overheen gelezen. Het viel nu toch wel op dat allerlei heilige kerkvaders er in de eerste eeuwen van het christendom ketterse ideeën op na hadden gehouden.Nou ja, eigenlijk konden die ideeën toen nog niet ketters zijn, omdat de orthodoxe leer er gewoon nog niet was. Dat gold voor de heilige Justinus de martelaar, de heilige Cyrillus van Alexandrië en zelfs, in zekere zin, voor de heilige Athanasius.De clou van dit alles bij elkaar was dat vrijwel alles ineens een geschiedenis kreeg. De aarde had een geschiedenis. Diersoorten hadden een geschiedenis. De mens had een geschiedenis. Talen hadden een geschiedenis. Beschavingen hadden een geschiedenis. En uiteindelijk bleken ook Bijbelteksten, dogma’s en religieuze instituties een geschiedenis te hebben.Waarschijnlijk kijk je daar helemaal niet zo erg van op, en ook in de negentiende eeuw hadden ze dat op zich ook wel de hele tijd al geweten. Maar ze waren al heel lang niet meer gewend geweest om er ook zo naar te kijken.Tussen de elfde en de vijftiend eeuw had er een stroming gebloeid in de theologie die we ‘scholastiek’ noemen. Die had ertoe geleid dat de katholieke theologie veel meer naar de werkelijkheid was gaan kijken als een systeem dan als een geschiedenis.Niet de ontwikkeling van het christelijke denken stond centraal, maar de samenhang ervan in het hier en nu. De scholastici keken niet chronologisch naar de katholieke werkelijkheid, maar synchroon, zo noemen we dat dan.Ze beweerden het niet, maar hun werk wekte evengoed wel de indruk, dat de christelijke werkelijkheid even statisch was als de natuur. Dat het geen verhaal was, geen relatie van God met de mens die zich ontwikkelde, maar een kristallijn stelsel van verbanden, hiërarchieën en systemen.Dat beeld versterkte zich nog eens toen verschillende scholastici een soort totaaltheologieën begonnen te schrijven - boeken waarin ze probeerden heel de christelijke leer samen te vatten.De beroemdste van die theologen was de heilige Thomas van Aquino, die heel de werkelijkheid doorrekende aan de hand van het denken van de klassieke filosoof Aristoteles. Hij schiep een soort symfonische dogmatiek waarin alles met alles samenhing. Officieel maakte hij het niet eens helemaal af, maar toch oogde het zo compleet dat het inderdaad zoiets als de illusie van de definitieve voltooiing van de theologie wekte bij veel mensen.Zelf zou hij die suggestie trouwens bespottelijk hebben gevonden, maar het probleem met dit soort meesterwerken is nou eenmaal dat als je eenmaal dood bent anderen vrij zijn om wat je hebt gedaan te verabsoluteren totdat ze er blauw van aanlopen. En dat werd ook gedaan.Zijn ‘Summa Theologiæ’ werd zo invloedrijk dat de hele theologie er een totaal andere smoel van kreeg. In feite is dat enorm ironisch, want het verkeerd begrijpen van zijn mentaliteit zou nou juist leiden tot het gevoel dat dat helemaal niet kon, drastische veranderingen in de theologie.Thomas’ manier van denken ging na zijn dood nooit meer weg, maar liep in het begin ook niet uit de hand. Maar in de loop van de negentiende eeuw kreeg de Kerk het benauwd, door allerlei omstandigheden. Allerlei oude zekerheden vielen weg. De kerkelijke staat werd afgepakt, de paus was in het vervolg alleen nog een geestelijke leider. Allerlei ontdekkingen en andere manieren van kijken - ik heb het net al beschreven - bezorgden veel mensen twijfels aan het geloof.Dat merkte je ook in de politiek. Vooral in Frankrijk ontstond een vorm van liberalisme die sterk tegen de Kerk gekant was. De overheid en de intellectuele bovenlaag van de samenleving begon het geloof nogal eens actief tegen te werken.Het lukte de Kerk niet om daar soepel op te reageren. In plaats daarvan trad er een soort defensieve verkramping op. En in de theologie gebeurde dat door aan de hand van de systemen van Thomas een nog veel fijnmazigere systematisering door te voeren. Er werden voor elk terrein van de theologie handboeken geschreven waarin elk detail van de werkelijkheid tot in de diepste poriën werd vastgelegd. In genummerde lemmaatjes, lekker helder, lekker duidelijk.De priesters die hieraan werkten noemden zichzelf thomisten, maar tegenwoordig spreken we over dit stadium in de theologie als het neothomisme.Dit alles werd in eerste instantie ervaren als een enorm positieve ontwikkeling. Op 4 Augustus 1879 publiceerde paus Leo XIII de encycliek ‘Aeterni Patris,’ officieel over het herstel van de christelijke filosofie. Daarin maakte hij van Thomas van Aquino de normatieve intellectuele gids voor de katholieke filosofie en, daarmee nauw verbonden, de scholastieke theologie.Paus Leo windt er geen doekjes om in dat geschrift. Thomas is onder de scholastieke doctoren:“omnium princeps et magister”“de eerste en meester van allen.”En zijn leer geldt als een “singulare praesidium et decus” van de katholieke Kerk — een bijzonder bolwerk en sieraad van het katholieke geloof.Iets later maakte hij het nog concreter. In ‘Depuis le jour’ uit 1899 schreef hij over de priesteropleiding dat daar vooral de Summa van Thomas moet worden onderwezen.Dat alles klinkt op zichzelf niet rampzalig, maar bedenk even dat de ontwikkeling op dat moment buiten de seminariemuren precies andersom draait. Binnen leert de geestelijkheid naar de werkelijkheid kijken op een manier die bij uitstek statisch en systematisch is, terwijl er buiten het seminarie steeds historischer naar de wereld wordt gekeken.Naar waar dingen vandaan komen, hoe ze zijn gegroeid en aan de hand daarvan: waar het naartoe zou kunnen gaan. Maar de neothomistische theologie ging nergens naartoe, want die was al volmaakt. Tenminste voor het gevoel van de kerkelijke autoriteiten.Als paus Leo zou zijn opgevolgd door iemand die, net als hij, een diplomaat en een genuanceerde intellectueel zou zijn geweest, dan zouden al deze ontwikkelingen misschien wel weer tot een gezond evenwicht zijn gekomen. Maar er kwam een totaal andersoortig karakter op de pauselijke troon: een zekere Giuseppe Sarto, die paus werd onder de naam Pius X.Hij was van heel eenvoudige afkomst. Hij had zeker minstens een normaal verstand, maar wel vooral een praktisch verstand. Intellectuele nieuwsgierigheid was niet zijn voornaamste deugd. Per slot van rekening had je die niet persé nodig om je ziel te redden, en dat was het enige wat ertoe deed.Al die nieuwigheden in de wereld vervulden hem met argwaan, en hij begon het al snel als zijn taak te zien om de Kerk te beschermen tegen alle -ismen die tijdens zijn leven overal welig waren begonnen te tieren. Zo was socialisme bijvoorbeeld al overal een ding, maar gelukkig had zijn voorganger op dat terrein al bergen werk verzet.Pius zelf begon dan ook vooral te strijden tegen de opvolgers van het typische negentiende-eeuwse liberalisme: de secularisering, de scheiding van Kerk en staat, democratisering, emancipatie.Vooral de Franse regering gooide bij hem de hele tijd olie op het vuur door een agressieve politiek tegen de Kerk te voeren. De kloosters werden grotendeels verboden, net als katholiek onderwijs. De regering verbrak de diplomatieke betrekkingen met de paus en er kwam een intense, nerveuze scheiding tussen Kerk en staat die in Frankrijk trouwens nog altijd een ding is.Paus Pius was achteraf niet de juiste persoon om met dit soort verschijnsels verstandig om te gaan. In plaats van ervoor te zorgen dat Kerk en wereld elkaar bleven verstaan probeerde hij de kerkelijk wereld - en vooral de theologie - te isoleren van de ontwikkelingen buiten.In die context was hij eigenlijk degene die het woord ‘modernisme’ uitvond in de betekenis die het in de Kerk heeft gekregen. 1907 publiceerde hij de encycliek Pascendi Dominicis Gregi. Daarin beschreef hij modernisme als een bepaalde mentaliteit ten opzichte van het geloof die op allerlei gebieden dwalingen zou veroorzaken.In het Bijbelonderzoek ging het om historisch kritisch onderzoek. Dat was op zichzelf nog geen modernisme, maar wel als er werd beweerd dat de historische Jezus van Nazareth eigenlijk een totaal andere Figuur was dan de Christus van de Kerk.Onderscheid maken tussen de historische Jezus en wat latere christenen over Hem hebben gezegd is natuurlijk gewoon een eerlijke historische methode. Het wordt pas modernistisch als heel die figuur van „Christus” niks anders is dan de geloofsconstructie van de gemeenschap en nauwelijks nog wat te maken heeft met Jezus van Nazareth zoals Hij werkelijk was.In de dogmatiek ging het om het idee dat leerstellingen zich ontwikkelen. Ook dat is op zichzelf nog geen modernisme. Je krijgt pas een probleem als een dogma geen blijvende waarheid meer uitdrukt, maar alleen een tijdelijke verwoording van een steeds veranderende religieuze ervaring is.In de mystieke theologie speelt het als volgt: God wordt door mensen ervaren. Natuurlijk is dat zo, en dat is zeker geen modernisme. Het probleem ontstaat als openbaring uiteindelijk wordt herleid tot niks anders dan een beweging in het menselijke religieuze bewustzijn, zodat niet langer duidelijk is dat God werkelijk van buitenaf tot de mens spreekt en zichzelf openbaart.In de kerkgeschiedenis bestond het ook, dat modernisme. Bisschoppen en priesters en zo, en heel de liturgie en de andere kerkelijke dingen hebben zich historisch ontwikkeld. Dat is gewoon geschiedenis, en geen modernisme. Maar volgens paus Pius gaat het fout als bijvoorbeeld Christus de Kerk niet werkelijk gesticht heeft, maar het geloof daarin maar een latere legitimering is van een instituut dat maar toevallig zo in de geschiedenis is gegroeid.En dan is er natuurlijk nog de filosofie. Als die zegt dat menselijke kennis historisch is, en maar heel beperkt: prima. Maar niet als wij daardoor principieel geen objectieve kennis van de bovennatuurlijke werkelijkheid meer zouden kunnen krijgen. En ook niet als geloofsuitspraken alleen nog maar symbolische uitdrukkingen van onze ervaring worden.Op alle terreinen van het kerkelijke leven zag Pius dus dit soort tendensen. Geen wonder dat hij het modernisme de ‘Summa van alle ketterijen’ noemde.Het pauselijke gezag was destijds zo enorm dat we ons daar vandaag de dag helemaal niks meer bij voor kunnen stellen. In eerste instantie probeerde dus vrijwel iedereen na het lezen van die encycliek van harte de paus te gehoorzamen. Te begrijpen wat hij met ‘modernisme’ bedoelde en het dan ook serieus te vermijden.Maar dat was nog niet zo eenvoudig. Want die neothomistische handboekentheologie waar ik het net al even over had was wel heel dwingend geworden, en eigenlijk ook geestdodend. Nogal wat kerkelijke denkers begonnen het benauwd te krijgen.Als je gelatine in een aquarium gooit zie je de vissen steeds langzamer zwemmen en de waterplanten steeds langzamer wuiven tot het hele tafereel tot stilstand is gekomen in een statisch tableau. Transparant, maar onbeweeglijk. Ook kunnen die vissen op den duur geen adem meer halen. Ze sterven en beginnen vreselijk te stinken.Iets dergelijks gebeurde er nu ook in de Kerk. Het nadenken over God en de werkelijkheid kristalliseerde, versteende, fossiliseerde tot er nauwelijks nog beweging of creativiteit mogelijk was. En dat terwijl de wereld om het kerkelijke aquarium heen juist onstuimig in beweging was. Dat ging niet goed.Daarbij is het geen klassieke katholieke deugd om de gekende waarheid te ontkennen. Al die ontdekkingen over het ontstaan van Bijbelse geschriften konden bijvoorbeeld op den duur niet meer buiten de deur worden gehouden zonder dat het belachelijk werd.Nou hoeft dat alles niet onmiddellijk het geloof op losse schroeven te zetten. Stel je voor dat iemand op een heel historisch-kritische manier Bijbelonderzoek doet. Hij beweert stellig dat volgens hem Goliath niet gedood is door David, maar door een zekere Elchanan. Daar zul je verbaasd over zijn, maar het wordt nog bonter.Hij zegt ook nog dat hij niet gelooft dat Mozes en Abraham historische figuren zijn. Verder beweert hij dat het monotheïsme van Israël pas echt doorbrak in de Babylonische ballingschap, en dat in de tempel van Salomo dus niet alleen God, maar ook zijn vrouw Asjera en een hele rits kindertjes van die twee als goden werden aanbeden. Dan zegt hij ook nog dat bijna de helft van de brieven van Paulus vervalsingen zijn.Al deze dingen zijn tegenwoordig redelijk courante standpunten in de Bijbelwetenschap, sommige zelfs meerderheidsstandpunten. Niemand ligt er meer wakker van. Maar aan het begin van de twintigste eeuw raakten mensen van dit soort stellingen nog totaal overstuur. Het schopte hun wereldbeeld in de war. Want als de Bijbelse geschiedenis zoveel misverstanden en zelfs bedrog bevatte, was heel dat prachtige, statische, volmaakte, neothomistische bouwwerk van de katholieke theologie dan op drijfzand gebouwd?Uit die materie ontstond het conflict rond Loisy, één van de beroemdste veroordeelde modernisten. Hij zei:« Jésus annonçait le Royaume, et c’est l’Église qui est venue. »“Jezus verkondigde het Koninkrijk, en de Kerk is gekomen.”Hij bedoelde daarmee niet simpelweg: Jezus verkondigde het Koninkrijk, maar helaas kregen we de Kerk. Zijn punt was subtieler: Jezus heeft niet tijdens zijn aardse leven de katholieke Kerk gesticht als het instituut zoals wij het kennen. Die Kerk is historisch ontstaan, in de loop der eeuwen, uit de Jezusbeweging en haar verkondiging van het Koninkrijk.Hetzelfde gold volgens Loisy voor dogma’s. De latere christologische en trinitarische definities bestonden niet kant-en-klaar in het bewustzijn van de historische Jezus en zijn ook niet letterlijk terug te vinden in het Nieuwe Testament. Ze zijn ontstaan doordat de Kerk haar geloof onder veranderende historische en intellectuele omstandigheden steeds opnieuw formuleerde.Hij raakte zo drie gevoelige punten:- De historische betrouwbaarheid en de ware aard van de Bijbel- De stichting en het goddelijke fundament onder de Kerk- De verhouding tussen de onveranderlijke openbaring van God en dogmatische formuleringen die duidelijk wel veranderd zijn in de loop van de tijd.Hij probeerde het katholieke geloof zó opnieuw te construeren dat het compleet mee kon gaan in de historische ontwikkeling. In Rome waren ze - en daar hadden ze wel gelijk in - bang dat het daarbij niet alleen meer ging om de formulering van geloofswaarheden, maar ook om de inhoud ervan.Loisy werd uiteindelijk geëxcommuniceerd.Min of meer tegelijkertijd deed zich net zoiets voor rond de Ierse priester en Jezuïet George Tyrell. Hij was geen Bijbelwetenschapper, maar vooral een godsdienstfilosoof. Zijn centrale probleem was: hoe kan het christelijk geloof werkelijk hetzelfde blijven wanneer de filosofische en culturele wereld waarin zijn dogma’s zijn geformuleerd radicaal verandert?Tyrrell maakte daarom een scherp onderscheid tussen de religieuze ervaring van het geloof en de theologische en dogmatische formuleringen daarvan.Dogma’s zijn volgens hem absoluut nodig: anders kan de Kerk haar geloofservaring niet uitdrukken. Maar zulke dogma’s zijn wél historisch bepaald en kan je niet één op één gelijkstellen met de goddelijke werkelijkheid zelf.Dat bracht ook hem in conflict met Rome. Tyrrell vond dat de Kerk te gemakkelijk deed alsof scholastieke begrippen en stellingen rechtstreeks zo door God geopenbaard waren. Sterker nog: volgens hem konden dogma’s rustig veranderen, niet alleen qua verwoording maar ook qua inhoud en dan toch nog dezelfde geloofswaarheid overdragen.Het conflict escaleerde nadat Tyrrell openlijk kritiek leverde op de antimodernistische politiek van Pius X. In 1906 werd hij uit de jezuïetenorde gezet. Nadat hij felle kritiek had geuit op de encycliek Pascendi, waar we het al over hebben gehad, werden hem de sacramenten ontzegd.Hij mocht zelfs geen kerkelijke begrafenis krijgen toen hij in 1909 stierf. Zijn vriend, de priester Henri Bremond, woonde de begrafenis alleen maar bij en sprak bij het graf. Zelfs daarvoor werd hij nog een tijd gesuspendeerd. Wegens trouwe vriendschap gesuspendeerd in naam van Christus. Triest...De modernistenstrijd was het station van de christelijke naastenliefde ondertussen ver gepasseerd. De situatie begon steeds meer te lijken op die van de communistenvervolgingen in het Amerika van veertig jaar later. In het Vaticaan regeerde de paus vooral samen met de kardinalen Merry del Val en Gaetano de Lai als een soort antimodernistische Drieëenheid. Vooral die laatste stimuleerde de oprichting van een soort antimodernistische geheime dienst met spionnen en verborgen netwerken, het zogenaamde Sodalitium Pianum.Dat leverde in de praktijk de volgende situatie op:Stel je voor, je bent een wereldberoemde theologieprofessor aan een vooraanstaande universiteit. Je spreekt voor volle zalen en je boeken worden overal gelezen. Maar je bent voortdurend bang. Dat is op jouw leeftijd en met jouw staat van dienst volkomen gestoord, maar het is zo. Sterker nog: je krijgt het elke dag benauwder. Want het is 1911 en je leeft dus midden in de modernistenvervolging in de katholieke Kerk onder paus Pius de Tiende.Wat betekent dat voor jou? Laten we zeggen dat je mystieke theologie doceert. Dat is geen vak dat je kiest omdat je carrière wilt maken, maar omdat je gedreven wordt door échte nieuwsgierigheid naar de directe ontmoeting met God en de onmiddellijke ervaring van de fundamenten van de werkelijkheid. Zo is het ook voor jou. En je verlangt er ook naar die nieuwsgierigheid dóór te geven aan jonge mensen.Je zou dus eigenlijk zielsgelukkig moeten zijn met de positie als hoogleraar die je nu hebt. Die past precies bij wie je wil zijn en wat je wil doen.Maar je bent niet gelukkig, want van dat alles komt niets terecht. Want elke keer als je het wilt hebben over het geloof als een persoonlijke ontmoeting met God hangen je reputatie en je baan aan een zijden draadje.De kerkelijke autoriteiten zijn namelijk doodsbang voor dat soort katholiek zijn. Ze noemen dat, met een nieuw woord, ‘modernisme.’ Daarvan is niet helemaal duidelijk wat het betekent, wat het nog griezeliger maakt. In ieder geval willen de ambtenaren van de congregatie van de geloofsleer dat het geloof niet in de eerste plaats innerlijk wordt ervaren, maar van buitenaf wordt verkondigd en dan gehoord en aangenomen.Voor hen is geloof instemming met objectieve feiten, niet de persoonlijke ontmoeting met een God die weliswaar wel strookt met de kerkelijke leerstukken, maar er tegelijk ook altijd bovenuit stijgt. En er in zekere zin dus aan ontsnapt.Eigenlijk willen ze het liefst dat je je niet meer verwondert en niet meer nieuwsgierig bent. En je studenten een boekje uit hun hoofd laat leren waarin alles staat wat ze moeten weten. In genummerde stellingen.Je schouders Daarover ophalen gaat niet, want - geloof het of niet - er zitten elke dag verklikkers in je collegezaal. Sympathisanten van een geheimzinnig genootschap, een soort extreem conservatieve geheime dienst. Je weet niet wie het zijn, maar je weet wel heel zeker dát ze er zijn.Is het die zwijgzame norse jongen die altijd op de derde rij links zit? Misschien, maar voor hetzelfde geld is het je lievelingsstudent, die enthousiaste vent die altijd van die goeie vragen stelt en van wie je je zou kunnen voorstellen dat hij nog eens je opvolger zal worden.Dit alles klinkt als een paranoïde waan van een overwerkte academicus die te lang onder een berg boeken begraven heeft gelegen. Maar voor allerlei professoren en theologische schrijvers was het lange tijd bittere werkelijkheid. Tussen 1893 en 1914 veranderde de katholieke theologie steeds meer van een levende discipline in een starre angstcultuur, en bleef daarna tot ongeveer 1958 een vijver vol stilstaand water die steeds harder begon te stinken, ook buiten de intellectuele wereld. Het kerkelijke leven veranderde hoe langer hoe meer van een levende religie in een met ijzeren vuist gehandhaafde ideologie, opgesloten in genummerde definities.Zo’n situatie lijkt een beetje op een ballon waarin de druk steeds hoger oploopt. Als er niet af en toe iets van die spanning wordt uitgelaten ontploft op een gegeven moment de hele boel. En dat is precies wat er uiteindelijk ook gebeurde toen in de jaren zestig het Tweede Vaticaanse Concilie werd gehouden. Dat was een enorme vergadering van alle bisschoppen ter wereld, die speciaal werd georganiseerd om van deze verkramping af te komen. En dat werd nog best met voorzichtigheid aangepakt. Als je de documenten van dat concilie leest krijg je niet de indruk dat dat nou zo’n schokkende, revolutionaire bijeenkomst was.Maar in de praktijk was het in de situatie van dat moment - onder onverdraaglijke spanning - zoiets als de naald waarmee je in een strak opgepompte ballon prikt. De hele Kerk explodeerde met een enorme knal. In tien jaar tijd veranderde ze onherkenbaar.Een heel aantal dingen daaraan was echt heel fijn. Die professor waarover ik het net had: die mocht in het vervolg gewoon zeggen wat hij wérkelijk dacht. Hetzelfde gold voor zijn collega’s op andere vakgebieden. De gewone katholieken werden ineens veel minder met verkrampte regeltjes gebombardeerd over elk detail van hun leven. Ze mochten gewoon weer alles lezen waar ze zin in hadden en hardop moeilijke vragen stellen aan hun pastoor. En die was dan weer blij dat hij zich niet meer hoefde te bemoeien met de hoogstpersoonlijke privédingen van de mensen.Maar de Kerk zelf begon vanaf dat moment te kwijnen. Het was natuurlijk prima dat haar loodzware overheersende dwang was weggevallen. Maar de dingen waar ze voor bedoeld was en waarvoor ze ook echt nódig was kreeg ze ook niet meer gedaan. Die werden onbeschikbaar.Alles wat heilig en geheimzinnig en beschouwend was werd de Kerk uitgegooid en vervangen door sociale actie en een soort protestantse kerkdiensten of soms zelfs een soort popconcerten. ‘Beatmissen,’ werden die genoemd. Dat liep niet zo goed af, want voor die dingen was de Kerk niet gemaakt en ze was er dus ook gewoon niet zo goed in. Politieke activisten waren beter in sociaal actievoeren dan de Kerk. Protestanten waren beter in protestantse kerkdiensten houden dan de Kerk. En popmuzikanten waren zéker beter in popconcerten houden dan de Kerk.De Kerk was wél goed in heilige plaatsen in stand houden, die een beetje naast de dagelijkse werkelijkheid lagen. Waar het heel makkelijk was om het Absolute aan te raken. Ze was ook heel goed om heilige tijden te creëren, momenten die een beetje naast de normale kalender lagen, en waarop het ineens helemaal niet moeilijk meer was om God te ontmoeten. Ze was er ook heel goed in om een luisterend oor te bieden en de dingen van elke dag in het perspectief van de eeuwigheid te zetten. De zorgen en verlangens van mensen te zien, maar ook te relativeren, en zo lucht te brengen als het benauwd werd.Alleen hadden de mensen van de Kerk, de priesters en religieuzen, dáár nou net geen zin meer in. Ze haalden er hun neus voor op. Ze traden uit of wilden een soort therapeuten worden of politieke sprekers.En al die heilige dingen bleken nu al die tijd ook heel teer en breekbaar te zijn geweest. Ze verdampten razendsnel, en lieten de gebouwen waarin ze waren gekoesterd leeg achter. Een soort neogotische cocons waaruit de vlinder was weggevlogen.In wat de Kerk allemaal wél deed waren minder en minder mensen geïnteresseerd. Er bleek een nieuw soort religie te zijn ontstaan, die niet meer door te geven was aan de volgende generatie. Die vooral bestond uit tégen al het oude katholieke te zijn. En zoiets werkte nou eenmaal alleen voor mensen die ook echt onder het oude katholieke hadden geleden. Hun kinderen hadden er geen boodschap aan, en hun kleinkinderen al helemaal niet.Maar met hun áchterachterkleinkinderen is iets heel geks aan de hand. Een klein deel daarvan komt terug naar de Kerk, maar verlángt juist naar dat oude, verdwenen katholicisme. Allereerst naar het mysterie en de geborgenheid van de Kerk. Maar ook naar duidelijkheid en overzichtelijkheid. Rust binnen heldere grenzen. En die zou de Kerk ook zeker op een gezonde manier kunnen bieden.Maar het zou jammer zijn als we ook weer in dezelfde ijzeren verkramping zouden belanden die zestig jaar geleden nou juist een van de belangrijkste oorzaken was van het ontstaan van die allesverwoestende revolutie. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  2. 52

    Geroepen tot zelfgave

    De lezingen waarover de preek gaat:De profeet Jeremia bad als volgt: Heer, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en 'geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en smaad.Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. (Jer. 20, 7-9.)Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past.Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. (Rom. 12, 1-2.)In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hoge­priesters en de schriftge­leerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen.Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!'Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ' Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegin­gen en niet door wat God wil.'En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijk­heid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. (Mt. 16, 21-27.) This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  3. 51

    Emoties zijn achterlijk

    Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk.Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong.‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa.Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn.Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles.Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben.Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit.Weg met die s**t! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie.En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties.Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden.Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg.Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed.Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn.Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders.Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato.Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen.Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken.Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, neuken, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles.Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving.Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia.Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer.Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf.De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil.Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God.Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren.De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was een navelstaarder op kerosine. Maar wel een verdienstelijke.Door al zijn gepieker en zijn naar binnen gekoekeloer viel hem op een gegeven moment op dat de menselijke ziel inderdaad geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, zoals het boek Genesis zegt, aan het begin van de Bijbel. En wel niet alleen naar zijn éénheid, maar ook naar zijn Drievuldigheid.Dan denk je natuurlijk: daar bedoelt hij natuurlijk die wagenmenner van Plato mee, met zijn twee paarden. Maar Augustinus telde de paarden, de lagere vermogens van de ziel, helemaal niet mee. Hij ontwaarde in het hogere vermogen van het intellect - de wagenmenner van de ziel - ook weer drie krachten. Het geheugen, dat lijkt op God de Vader. Het verstand, dat lijkt op God de Zoon. En de wil, die lijkt op God de heilige Geest.Nou is het zo dat God voortdurend zijn eigen Drievuldigheid voortbrengt. Vanuit het ene wezen zelf - dat is de Vader - komt de Zoon voort. Beiden houden zoveel van elkaar dat hun liefde ook zelf weer een goddelijke Persoon wordt: de Heilige Geest. Die vouwt God dan weer samen in zijn eenheid.Net zo komt uit de grond van de mens zijn verstand voort, en uit beide dan weer zijn wil.En die doet in de mens wat de Heilige Geest in God doet: hij verenigt, brengt harmonie. Wie een sterke wil heeft is niet wispelturig. Die is betrouwbaar en consequent. Je weet wat je aan zo iemand hebt. Die is geen slaaf van zijn emoties en laat zich niet van de wijs brengen door gepieker. Als die wil ook nog eens van harte goed wil zijn wil is hij niks anders dan de liefde zelf. De liefde die van harte wil dat de ander leeft en gedijt en die zich met die ander wil verenigen.Volgens Augustinus is het die goede wil, de liefde van de mens, die de sleutel is tot het goed beleven van je emoties. Hij was enorm belezen en kende het werk van de stoïcijnen, die de emoties grotendeels wilden uitschakelen, heel goed. Geen begeerte meer, geen blijdschap, geen vrees of verdriet. Maar hij was het niet met ze eens.Christus zelf had immers ook gehuild, bij het graf van zijn vriend Lazarus. En was Hij niet doodsbang geworden in de nacht voor zijn kruisiging, toen Hij bad in de hof van Gethsémané? En was Hij niet razend toen Hij de geldwisselaars de tempel uitsloegAls volkomen emotieloosheid het doel zou zijn geweest zou dus ook de menswording van Jezus Christus een mislukking zijn geweest. En zo kan het natuurlijk niet zijn. Wie al zijn emoties in zichzelf dood maakt lijkt niet meer op Christus. Is geen mens meer te noemen.‘Pondus meum amor meus’ schrijft Augustinus ergens in zijn Belijdenissen. Mijn gewicht is mijn liefde. Daarmee bedoelt hij niet dat hij dol was op taartjes eten, maar dat de liefde van de mens een soort zwaartekracht is. Het leven van de mens beweegt zich in de richting van wat hij liefheeft. In feite zegt Augustinus met andere woorden wat Jezus zelf ook al had gezegd in het Evangelie: ‘Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’En die liefde is wel meer dan emotie of gevoel alleen, maar is ook geen puur rationele kracht. Het is heel de richting van je wezen. Stenen vallen naar beneden, vuur schiet omhoog en jouw ziel reikt naar waar haar liefde haar drijft.Een goed mens worden heeft daarom voor Augustinus niks te maken met het afknijpen van je emoties, maar van het verenigen, ordenen en richten ervan. De juiste dingen en mensen beminnen in de juiste mate. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen genieten en gebruiken, frui en uti. Sommige dingen zijn er om te genieten, ze te beminnen omwille van zichzelf. Andere zijn maar hulpmiddelen. Die worden niet genoten, maar gebruikt. Dat lijkt allemaal logisch, maar is in de praktijk heel verraderlijk. Hoe vaak raken wij niet hartstochtelijk verliefd op bijkomstige of zelfs schadelijke dingen?Dient de sportschool jou, of dien jij de sportschool? En hoe zit dat met sociale media? En je vriendschappen, zijn die evenwichtig? En heb je lief of ben je verliefd? Twee heel verschillende dingen die je snel met elkaar kunt verwarren.Wat Augustinus vraagt is dan ook wel echt moeilijker dan het doden van je emoties. Het vergt veel meer geduld, en soms ook gewoon levenservaring en rijping. Maar het zal je op de langere termijn wel een gelukkiger mens maken, en dat andere zeker niet.En dan hebben we nog de heilige Thomas, de favoriete filosoof van alle puberjongetjes in de Kerk. Nog lekkerder duidelijk is het niet te krijgen. De grootste autist op de heiligenkalender: alles wordt geordend tot je er groen van uitslaat.En dat geldt natuurlijk ook voor de emoties, de passiones animae, zoals Thomas ze noemt. Hij wijdt er een enorm blok van de Summa Theologiæ aan, tientallen kwesties en honderden bladzijden. Dat geeft al wel aan dat hij er geen voorstander van is om ze maar simpelweg te onderdrukken.Hij onderscheidt elf van die passiones, in twee families aan de hand van de begeerte en de drift, zoals je al kon zien aankomen. Bij de begeerte horen liefde en haat, verlangen en afkeer, vreugde en verdriet. Bij de drift, het strijdbare deel van de ziel, deelt hij alles in wat moeilijk is en weerstand biedt. Wat met doorzettingsvermogen te maken heeft, of juist het ontbreken daarvan: hoop en wanhoop, angst en moed en uiteindelijk de woede. Dat is de enige emotie die geen tegenhanger heeft, volgens hem.In principe zijn de emoties voor Thomas neutraal. Ze zijn goed nog slecht. Ze zijn alleen geordend of ongeordend, en krijgen daardoor hun morele lading. Of ze goed of slecht uitpakken, dus. Ze zijn, op zichzelf, dus ook geen zonde.Als je boos bent hoef je dat op zichzelf nog niet te gaan biechten. Maar je moet je wel afvragen of datgene waarover je boos bent dat eigenlijk wel verdient. En de maat ervan is ook een dingetje. Als ik in mijn auto op een smal Groninger weggetje zit achter een opa en oma die twintig rijden kan ik het niet helpen dat er een ergernisje in mij opkomt. Maar als ik dan vervolgens ga bumperkleven, toeteren en ze levensgevaarlijk ga inhalen ben ik natuurlijk niet christelijk bezig. Laat staan als ik ze klem rij en ze alletwee overhoop sla.Om het verschil aan te geven neemt Thomas een beeld over van zijn favoriete filosoof, Aristoteles. Het verstand regeert niet over de emoties als een dictator, een despoot, maar als een wijze heerser over vrije burgers. Er is eerder kalmte en relativeringsvermogen mee gemoeid dan op je tanden bijten tot je wangkauwspier begint te scheuren.Als we van Sint Thomas naar de grootste theoloog aller tijden gaan, Jan van Ruusbroec, zien we die een passage uit het Lucasevangelie aanhalen: “Hi hadde compassie ende mede-liden met der weduwen ende met den volke buten der poerten van der stat, daer hi den ionghelinc verwecte van der doot.”Dat verhaal zegt alles over hoe juist je emoties je mens maken.Jezus komt in het stadje Nain en loopt tegen een begrafenisstoet op. Het gaat om een jonge jongen, ook nog eens het enigst kind van een vrouw die ook al haar man kwijt is en moederziel alleen achterblijft. Lucas schrijft dan: ‘De Heer zag haar, en werd innerlijk met ontferming over haar bewogen.’Hij laat zich bewegen door de emotie die Hem overvalt, en die maakt dat Hij zich over haar wil ontfermen. Het werkwoord dat Lucas daarvoor gebruikt, esplanchnistè, komt van het woord voor ingewanden. Het grijpt Hem in de buik, het pakt Hem bij zijn ingewanden.Het woord wordt in het Nieuwe Testament alleen voor Jezus’ eigen emoties gebruikt, en verder alleen nog in drie verhalen die Jezus vertelt om moeilijke dingen uit te leggen. Hij gebruikt het voor wat de barmhartige Samaritaan voelt die een gewonde man van de weg haalt. Voor een koning die iemand zijn schulden kwijtscheldt en voor een vader die zijn weggelopen zoon van verre ziet terugkomen. Laten dat zou alle drie beelden zijn voor God zelf.Precies dat soort compassie, zegt Ruusbroec, is dus wat de mens op God laat lijken. En de mens dus meer mens maakt. In de Gheestelike Brulocht schrijft hij: “Want compassie es eene quetsure der herten die minne maect ghemeyne tot allen mensen, ende niet ghenesen en mach also langhe alse enighe doghet in den mensce levet.”Mededogen is dus volgens Ruusbroec een wond van het hart. Een wond die je niet mag laten genezen zolang er in enig mens nog lijden leeft. Het absolute tegendeel van onverschilligheid.De moderne internetstoïcijnen zeggen dat de empathie in jezelf moet doden, je hart moet verharden, je willens en wetens moet afstompen. Ruusbroec zegt precies het omgekeerde. Hij zegt dat je geen spoortje menselijkheid in je hebt als je hart niet is gewond door het lijden van je medemensen.Over wonden gesproken: Antonio Damasio, een neuroloog, deed eind vorige eeuw onderzoek naar mensen met een bepaalde beschadiging aan hun voorhersenen. Hun intelligentie was onveranderd. Er was ook niks aan de hand met hun geheugen, hun logica en hun taalvermogen. Alleen de emotionele kleuring van hun voorstellingen was weg. En daarmee, merkwaardig genoeg, ook hun vermogen om wat dan ook maar te kunnen kiezen. Ze bleven maar piekeren over de meest onnozele beslissingen. Op welke dag een afspraak te maken, bijvoorbeeld. Maandag of dinsdag. Pindakaas of Jam. Het was allemaal onmogelijk geworden.Het verstand alleen, zonder gevoel, is dus volkomen hulpeloos. Dat is niet alleen heel vroom, maar ook klinisch bewezen, zo blijkt. Wie het stoïcisme verkeerd begrijpt en het misbruikt om zijn gevoelens af te knijpen wordt daar uiteindelijk niet alleen ongelukkig van, maar ook gewoon blind. Ontdaan van zijn meest fundamentele oriënteringsvermogen.Want is er, zonder het kompas van de emoties, überhaupt wel een verschil tussen goed en kwaad, licht en donker, hemel en hel?Het verschil tussen geluk en ongeluk, genieten en lijden, beminnen en haten is geen rationele zaak. Voor wiskunde en formele logica maakt het niet uit of je pijn hebt of juist in extase bent.Als Ruusbroec het heeft over de hoogste vervulling van de mens gebruikt hij daar termen voor die de meeste mensen niet zien aankomen. Hij heeft het dan de hele tijd over ‘ghebruken.’ De goddelijke Personen van de Drievuldigheid ‘ghebruken’ elkaar en de mens en God ‘ghebruken elkaar.’ Dat klinkt krankzinnig. Het zet je op precies het verkeerde been, want ‘ghebruken’ betekent in het Middelnederlands geen ‘gebruiken’ maar ‘genieten.’ ‘Ten volle krijgen,’ je ‘helemaal overgeven,’ ‘helemaal opgaan’ in iets of iemand.Het is de vertaling van het Latijnse frui, dat we bij Augustinus al tegenkwamen. Het tegendeel ervan was uti, dat wél ‘gebruiken’ betekent.Ruusbroec zegt: ‘Men sal alle creatueren orboren, ende Gods ghebruyken.’ Het geschapene is er om te gebruiken. God is er om genoten te worden. Dus te beminnen. En in het verlengde daarvan geldt dat ook voor je medemensen.‘Bemin God met hart en ziel en verstand en al je krachten,’ zegt Jezus, ‘en je naaste als jezelf.’Geen wonder dat Ruusbroec, als hij het over het einde der tijden heeft, hoopt dat wij allemaal eens Jezus tegemoet zullen gaan en ‘hem ontmoeten in die sale der glorien ende sijns ghebruken zonder inde inder eewicheyt.’En daar is geen woord stoïcijns bij. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  4. 50

    Blauwdrukken van de Werkelijkheid I

    This is a free preview of a paid episode. To hear more, visit www.paterhugo.nlOf je nu Ruusbroec of Eckhart leest, Theresia of Sint Jan van het Kruis, telkens weer schemert er door en onder de woorden een stelsel van lijnen en punten. Noem het maar rustig een verwachtingspatroon, zoals je ook hebt als je naar klassieke muziek luistert. Het is niet expliciet, het ligt er niet bovenop, maar toch weet je vaak al snel hoe de volgende maat gaat verlopen en langs welke bocht de cadenzen naar hun verzadiging zullen stromen.Wie zich met mystieke teksten bezighoudt - en vooral als dat heel erg de breedte ingaat - herkent al snel een merkwaardige contour die op de achtergrond bijna altijd aanwezig is. Nog even kort voor wie hier nog niet zo lang meeleest en -luistert: met mystiek bedoelen we geen vage materie maar de concrete religieuze ervaringen van concrete mensen. Ooggetuigen van ontmoetingen met God. En wij verdiepen ons daar niet in omdat we gedreven worden door ongezonde nieuwsgierigheid naar de intimiteit van andere mensen. Wij proberen alleen een beter begrip te krijgen van ons eigen verlangen naar de vereniging met diezelfde God. Want die leeft per definitie in het innerlijk van elke mens.En die God is in vrijwel alle grote tradities niet zomaar een ‘god’ die deel uitmaakt van een grotere werkelijkheid die hem zou kunnen bevatten. Hij is in tegendeel de Absolute, de eerste Oorzaak en het Doel van alles wat bestaat. Een verhaal over een ontmoeting met die God wordt dan ook doorgaans al snel een verhaal over de meest uiteindelijke aard van alles. En zelfs als dat niet expliciet gebeurt, zit het besef van hoe alles met alles verbonden is en uiteindelijk in God samenkomt vaak alsnog vlak onder de oppervlakte van het verhaal verborgen. En logischerwijs dus ook dat alles op de één of andere manier de beeltenis van die God draagt, zijn handschrift, zijn karakter. Voor niks in heel de wereld geldt dat zo doordringend als voor de mens. Om het deftig te zeggen: nogal wat mystiek leert ons dat we in een fractale wereld leven waarvan God het eerste beginsel is.Logisch dat nogal wat mystici naar klassieke filosofische stelsels grijpen om hun godsontmoetingen te duiden. Daarbij maakt het nauwelijks uit of je met een christelijke, joodse of islamitische mysticus te maken hebt. Ze putten immers allemaal meer of minder rechtstreeks uit de filosofische erfenis van de oudheid.De filosofische stelsels die ze daarvoor uitkozen zijn doorgaans neoplatoons. Ze gaan dus terug op Plato, maar niet rechtstreeks. Ze ademen helemaal de geest van de laat-klassieke filosofen Porphyrius, Plotinus en Proclus. Die waren wel geïnspireerd door Plato, maar verwerkten diens stof op een heel eigen manier. Ze leefden zo rond de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Ze brachten nogal graag de schematische ondergrond van de werkelijkheid in kaart met lijntjes en bolletjes, ik zei het al. Ze ontwaarden in de kosmos een soort energetische structuur. Al hun schetsen vertonen een patroon van het Absolute dat zich laat uitstromen in zich steeds verder uitsplitsende elementen. Ze beginnen dus op één ondeelbaar punt, dat als oorsprong van alles wordt gezien. Dat oorspronkelijke volmaakte Ene begint steevast over te stromen of van gedaante te veranderen. Zo ontstaan daaruit veelheden van werkelijkheden die dan uiteindelijk onze dagelijkse realiteit vormen, met al haar in stof uitgedrukte vormen, geuren en kleuren. De werkelijkheid van de geschapen, materiële wereld. En die is fractaal, zei ik al: De onderdelen van de realiteit vertonen in zich bij nadere beschouwing steeds weer hetzelfde tekeningetje van lijntjes en bolletjes. Alles is opgebouwd uit evenbeelden van het oerpatroon. Zoals onze ziel, bijvoorbeeld. Het kleine herhaalt steeds de structuur van het grote.Simpel samengevat komt het neoplatoonse beeld van de kosmos erop neer dat er in het begin een één en ondeelbaar Ene is. Het is niet persoonlijk en het heeft geen eigenschappen. Dat volgt uit het feit dat het één is. Om persoonlijk te zijn moet je je immers bewust zijn van jezelf. Jij die je van jezelf bewust bent zijn jij en jezelf, dus twee, niet één. En als je ook nog eens eigenschappen hebt ben jij er niet alleen met jezelf, maar ook nog met je eigenschappen. Je snapt de manier van denken, neem ik aan.Tegelijk kan dat Ene bij die neoplatonici niet anders dan overstromen en andere dingen voortbrengen uit zichzelf. ‘Emaneren,’ noemen ze dat. Het is geen scheppen uit vrije wil, het Ene is zich er niet eens van bewust, want het Ene heeft geen bewustzijn, zei ik al. Het wordt ook niet anders van al dat geëmaneer, trouwens. Het vermindert er niet door, wat er ook allemaal uitstroomt. Het is immers niks anders dan één. Dit hele proces werd vaak vergeleken met de zon, die hetzelfde blijft maar wel stralen uitzendt. Die vergelijking gaat trouwens mank, maar je snapt waarschijnlijk wel wat ze bedoelen.Bij Plotinus, de grondlegger van de stroming, brengt het Ene allereerst een intellectueel principe voort. Dat bevat de ideeën, de ideale blauwdrukken voor al het andere dat ooit zou kunnen bestaan. Wie het werk van Plato heeft gelezen, herkent er onmiddellijk de ideeënwereld in. Daaruit emaneert dan weer de ziel van de wereld, die heel het universum bezielt en bestiert. Ook de menselijke zielen emaneren daaruit. Die kijken naar boven, naar het intellect en naar de ideeën daarin en halen daar orde en inspiratie uit. Daarmee geven ze vorm aan de lagere materie beneden. Want hoe verder alles weg emaneert van het Ene, hoe materiëler het wordt. Uiteindelijk, zo ver verwijderd van het ene dat er niks meer te emaneren valt, is er alleen nog de vormeloze stof. Voor Plotinus is dat in feite het pure kwaad. Niet omdat het uit zichzelf slecht is, maar omdat het verstoken is van de invloed, de orde, vorm en sprankeling van het Ene. Niet voor niets noemde Augustinus, die sterk door het neoplatonisme beïnvloed was, het kwaad de ‘privatio boni,’ het ontbreken van het goede.Van daaruit kan het natuurlijk alleen nog maar beter worden: alleen nog terug omhoog, terug naar het Ene. En dat gebeurt dan ook. Er is niet alleen een uitvloeien van alles maar ook een terugbuigen naar het Ene. Proodos en epistrophe noemden de neoplatonisten dat, voortgang en terugkeer.Dit alles moet je niet zien als een opeenvolging van stappen in de tijd, trouwens. Het gebeurt allemaal tegelijkertijd en dus ook voortdurend. Een beetje te vergelijken met een netwerk waar stroom op staat.Het is niet moeilijk te begrijpen dat een dergelijke filosofie veel herkenningspunten bood aan mensen die hun geestelijke ervaringen probeerden te duiden. Die heimwee hadden naar een thuis waar ze nog nooit geweest waren. Die op de kop waren gezet door ontmoetingen met Iemand die ze nabijer was dan ze zichzelf waren, maar die tegelijk volkomen ongrijpbaar bleef. Ik schrijf ‘Iemand,’ geen ‘Iets,’ want ons beeld van God is in het Westen meestal uitgesproken persoonlijk. Niet alleen in het christendom, maar ook in de islam en het jodendom. Dat geeft ook al gelijk wel aan dat de filosofie van Plotinus moest worden aangepast om ingezet te kunnen worden als vertaalsleutel voor mystieke ervaringen van christenen, moslims en joden.Het onpersoonlijke en onverschillige Ene van Plotinus werd de persoonlijke God. Het willoze, onbewuste emaneren werd het bewust en actief scheppen. De eerste emanatie, het intellectuele principe werd de Logos, de Zoon van God. Dat waren nog best stevige ingrepen, die Plotinus en Proclus zeker niet zouden hebben geaccepteerd. Maar het resultaat was wel een raamwerk dat zo sterk was dat het bijna universeel werd.Op de achtergrond, dat wel, in ieder geval in het christelijke westen. Daar bereikten de neoplatoonse ideeën de mensen vrijwel alleen via de kerkvaders zoals Augustinus en Dionysius de Areopagiet. Zo waren Plotinus en Proclus op den duur stiekem overal, ook al hadden de meeste mensen nog nooit van ze gehoord. Iets vergelijkbaars gold voor de islamitische en joodse contexten, maar op een iets andere manier. Daar bleef wel degelijk werk van de oude filosofen zelf in omloop, maar onder een valse vlag, als de zogenaamde ‘Theologie van Aristoteles.’ De toeschrijving was absurd, maar de invloed was er niet minder om.Hoe dan ook geef ik hier even een schemaatje dat - vereenvoudigd - het beeld van de werkelijkheid in een paar mystieke subculturen in beeld brengt. Op één na zijn ze allemaal neoplatoons beïnvloed. De laatste niet, en veel van mijn collega’s zouden zeggen dat die hier ook helemaal niet thuishoort. Aan het einde van mijn verhaal, in de laatste aflevering van deze reeks, zal ik uitleggen waarom ik het toch even noem. (Als je op het schema klikt zou het groter moeten worden). Vandaag behandel ik dit schema tot en met Pseudo-Dionysius. De rest komt ergens in de komende weken aan bod.Enfin, zack-zack, allez-hop, aan het werk.

  5. 49

    Gods eigen sprookjesprinses

    Vandaag is het feest van de Heilige Filomena, het sprookje van de zomer. Vandaar maar even deze klassieker uit het archief, die hier nog niet eerder was verschenen. In Warfhuizen hebben wij een brandende devotie tot haar, dus hebben we om 11:00 een plechtige Hoogmis met toeters, bellen, bombarie en reliekverering. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  6. 48

    Zit God tussen je oren?

    Die God van jou, waar je zoveel houvast aan hebt, en die er altijd is als je aan Hem denkt? Zit die niet gewoon tussen je oren? Is elk gebed, elk gesprek met Hem niet gewoon een gesprek met jezelf? Want je loopt Hem niet tegen het lijf als je boodschappen gaat doen, of in het bos als je de hond gaat uitlaten. Je ervaart Hem alleen als je je terugtrekt in jezelf.“God zit dieper in mij dan mijn diepste innerlijk, en hoger dan mijn hoogste topje.” Dat is een wereldberoemde uitspraak van de heilige Augustinus. Het klinkt diep ontroerend en veel mensen moeten er een beetje van snotteren. Maar als je er even goed naar kijkt is het ook best verontrustend.Want als God dieper in je zit dan zelfs je onderbewuste, en meer jou is dan jij jezelf bent - want dat is wat er staat - wat blijft er dan van Hem over, apart van jou? Als de enige weg naar God naar binnen loopt, zit je dan niet gewoon tegen je eigen innerlijke spiegelbeeld te kletsen als je aan het bidden bent?De negentiende-eeuwse filosoof Feuerbach beweerde dat in ieder geval wel. Volgens hem is God niks anders dan de geprojecteerde, uitvergrote essentie van de mens zelf. Wat de mens in God meent te zien - liefde, almacht en goedheid - is volgens hem een spiegel van wat de mens zich wenst, maar naar buiten en omhoog geprojecteerd.En zo denken ook de meeste moderne psychologen erover. Er zijn tegenwoordig zelfs hersendeskundigen - dus geen psychologen maar serieuze wetenschappers - die roepen dat ze het gebed zelf zien oplichten op hun scans en dat dat het mysterie van God wel zo’n beetje heeft opgehelderd. Ik vind dat persoonlijk nog wat aan de haastige kant, maar enfin.Nou gaat het niet aan om voor dit soort vragen weg te lopen. Als je je geloof serieus neemt kan je God niet gaan lopen beschermen tegen de realiteit. God moet jou in standhouden, niet jij God. Vrijwel alle grote mystici hebben met dit probleem geworsteld, dus juist de mensen die zich het diepst hebben gewaagd in de jungle van het gebed en de ingewanden van God.Ook zij hebben het nogal eens over een spiegel, maar ze komen tot een andere conclusie dan de sceptische psychologen. Voor hen is de méns de spiegel, en God degene die in die spiegel kijkt. Zo wordt de mens wel heel letterlijk beeld en gelijkenis van God.De dertiende-eeuwse mysticus Rumi vertelde graag het volgende verhaal, dat in dichtvorm is overgeleverd. Het is wat aan de lange en breedsprakige kant voor de gefrituurde tiktokbreinen van tegenwoordig. Daarom geef ik hier maar even een vrije vertaling ervan. Het gaat over Mozes. Die trok eens door de velden toen hij een zacht gemompel hoorde vanaf een heuveltje even verderop.Op een dag hoorde Mozes hoe een herder tot God bad,O, God, o God, mijn Heer en nog wat verder dan dat,“Waar woont U toch, ik wil U dienen als uw trouwe knecht,Ik lap uw ouwe schoenen en ik kam uw kapsel recht.Ik was uw kleren en verjaag de schurft en de vlooienen ik breng U zoete melk van de beste van mijn ooien.Ik masseer uw zere voeten en kus uw zachte handen,ik stop U lekker in en poets U ook de tanden.Ik doe uw sokken en uw pyjama’s in de was,en ik stop ook nog de gaten in uw zondagse jas.Zo bazelde hij verder in kinderlijke waan,En maakte zo Mozes de kachel aan.Die vroeg hem: zeg, wat is dat hier voor dom geleuter?Tegen wie ben jij daar aan het kletsen als een domme kleuter?De Herder, in de war, verbaasd en ook nog ontzet,keek op en zag wie hem daar had gestoord in zijn gebed.Hij zei: “Ik bid tot God die heel de wereld heeft geschapen,mijzelf en ook de hemel en de aarde en mijn schapen.”Maar Mozes brulde: “Hou je bek, zo praat je niet met God,Straks is Hij nog beledigd en dan slaat Hij je kapot.”Je klinkt oneerbiedig, veel te familiair,je bedoelt het wel goed, maar je bent ordinair.Bewaar je goeie zorgen voor je makkers en je maten,God heeft geen lichaam, heeft geen slaap en ook geen jas met gaten.”De arme herder kromp ineen en zei het spijt me zeer,Sorry, sorry sorry en nog extra sorry meer.Hij zuchtte diep en scheurde ook zijn mantel nog kapot,en verdween in de heuvels, met zijn schapen en zijn God.Tevreden over zijn strenge doch rechtvaardige optreden wandelde Mozes verder door de velden. Hoe konden mensen toch zo dom zijn om te denken dat ze met God konden omgaan als met hun lijpe neefje? Zich voorstellen dat Hij zich ooit zou bezighouden met dezelfde onnozele obsessietjes als zij? Kapotte schoenen? Vlooien? Lieve Hemel!Maar toen donderde een openbaring uit de lucht,En het scheelde niks of Mozes sloeg ervan op de vlucht.En de stem van God zei, woedend als een ouwe buschauffeur;“Jouw verwaten kolder brengt mij smerig uit mijn humeur.Waarom jaag jij van mij mijn trouwe vrienden weg?Als je denkt dat Ik dat leuk vind, ja, dan heb je gloeiend pech.Heb ik je niet gestuurd om mensen éénheid te leren,Waarom loop je hier dan armelui te terroriseren.Was Ik het niet die jou en hem geschapen heeft,en jullie elk voor zich zijn eigen vorm van bidden geeft.Waar hij van droomt brengt in jouw strot de gal omhoogen jouw mooiste woorden klinken in zijn oren veel te droog.Ondertussen ben Ik boven die verschillen verheven,Ik ben, Ik leef, en sterker nog: ik bén het leven.Voor lui uit India klinkt alles beter in Sanskriet,En als Ik geen zes armen heb, herkennen ze mij niet.Voor jullie Perzen zijn alleen de woorden mij waardig,Die ik zelf gezegd zou hebben, en vooruit: die zijn best aardig,Maar hoe dan ook let ik niet op je woorden, op je taal,maar alleen op de bedoeling van je levensverhaal.Door jouw gebed word ik niet zuiverder dan Ik al ben,Maar weet dat ik van elk idee de wortel ken.Dansen en zingen, springen en gillen:Ik weet wat aan de oorsprong ligt van al die grillen.Wat moet ik met gebeden in gebeeldhouwde kwatrijnen,als diep in jou de monsters copuleren als konijnen.Ik heb niks aan metaforen en geciseleerde verzen,Uit de mond van iemand die maar steeds demonen uit blijft persen.”-Toen greep hij Mozes’ hart en legde er geheimen in,Van die hele tere, met een onbegrijpelijk zin.Die Mozes toch verstond, hij werd vervuld van klare taal,Zijn eigendunk smolt weg, het werd een heel ander verhaal.Hij raakte van zijn à propos en toen weer erop,Zijn onder zat nu boven en hij stond op de kop.Hij rende de woestijn in om het herdertje te zoeken,hij kon hem eerst niet vinden en liep als een gek te vloeken.Gelukkig duurde het niet lang voordat hij hem vond,toen stroomden er als water goede woorden uit zijn mond.Bescheiden en beschaamd zei hij: “het spijt me zeer,Sorry, sorry, sorry, sorry, en nog extra sorry meer.Flikker alles wat ik heb gezegd maar over de heg,Ik zat ernaast, ik was verblind en mijn verstand was weg.Stoor je maar niet meer - bij je gebeden - aan de vorm,Voor God zijn je bedoelingen de enige norm.Jouw onverstand is geloof, en jouw geloof Gods eigen Licht,waardoor de wereld wordt gered, waarvoor het duister zwicht.Het beeld dat jij aanschouwt, als je in de spiegel tuurt,Is van jou, niet van de spiegel die het naar je ogen stuurt.De adem ín de fluit is niet de adem ván de fluit,zonder een fluitist komt daar echt geen liedje uit.De radio houdt in zich echt geen diva’s gevangen,Hij krijgt ze uit de ether, al die operagezangen.Zo ook bij jou: wie jouw oprecht gebed bespot,die spot niet met jou, maar met de adem van God.Want die boeit het niet hoe hooggeleerd het bidden klinkt,maar alleen hoe eerlijk in die taal de liefde blinkt.”Dus, lieve kijkbuiskindertjes, als je iemand bidden hoort,bedenk je dan wel drie keer voordat je je eraan stoort.Rumi geloofde duidelijk dat het gebed van God zelf komt. Dat het bij iedereen weer anders klinkt, maar in essentie toch steeds hetzelfde gebed is. Zoals lucht die door een fluit wordt geblazen of licht dat op een spiegel valt. De fluit en de spiegel kleuren wel de klanken en beelden die je hoort en ziet, maar uiteindelijk is er stiekem alleen maar adem, alleen maar licht. En die adem en dat licht zijn niet van die fluit en die spiegel. Ze zijn afhankelijk van de fluitist, van de zon, van degene die in de spiegel kijkt. Van God, want daar is deze metafoor om te doen. Het gebed is niet van de bidder, maar van God.En dat geldt niet alleen voor je gebed, maar voor heel je bewustzijn. Je hier en nu. De zalige Jan van Ruusbroec maakt ergens de volgende opmerking: “God schept de mens uit het niets, dat Hij gaat halen uit het nergens. Daarom neigt die mens naar dat niets in dat nergens. Dan stroomt hij uit zichzelf weg in verlorenheid, Hij zinkt weg in het simpele Wezen van God als in zijn eigen Grond en hij sterft in God. En sterven in God: dat is zalig zijn, volgens Ruusbroec.Onze diepste grond is niet van onszelf, zegt hij, we krijgen die maar geleend van God. En als we ons dus inkeren in onszelf kan het niet anders of we komen Hem daar tegen. En net als dat herdertje van Rumi kleden we Hem dan aan en poetsen zijn schoenen en kammen zijn haar. Wij missen zijn essentie omdat we niet anders naar Hem kunnen kijken dan door ons eigen glas. En dat glas is gebobbeld en gekleurd en ook niet schoon. En hoe meer je je best doet om er iets door te zien, hoe troebeler het vaak lijkt. Want niet je moeite brengt je uiteindelijk bij God, maar je overgave. Je loslaten.Hoe harder je je inspant om er iets van te begrijpen, hoe stijver je je billen bij elkaar knijpt, hoe minder je van Gods waarheid te zien krijgt, en hoe meer van je eigen voorstellingsvermogen.Goed: de mystici zeggen dus dat het zelf van de mens het gevolg is van Gods aanwezigheid. De verlichtingsfilosofen en de hogepriesters van de moderne psychologie zeggen dat de ervaring van Gods aanwezigheid een gevolg is van het zelf van de mens. Precies het omgekeerde.Nou ben ik geen Amerikaanse apologeet, dus ik ga hier niet kinderachtig liggen te hakketakken. Je gelooft waar je zin in hebt, mij zal het worst wezen. Uiteindelijk is het toch wat het is, wat jij en ik er ook van vinden.Voor de volledigheid van het perspectief stip ik toch nog even de zogenaamde ‘neurotheologen’ aan. Dat zijn neurowetenschappers die het aardig vinden de hersenpannen van mensen te scannen als die aan het bidden of mediteren zijn. Andrew Newberg is de bekendste daarvan. Uit zulk onderzoek komt af en toe wel eens iets interessants tevoorschijn. Zo schijnt het dat, in sommige meditatieve toestanden, de activiteit van de pariëtele kwab wat daalt. Dat betekent in de praktijk dat je een verminderd gevoel van lichaamsbegrenzing hebt.Ook heeft een zekere Michael Persinger op een gegeven moment nogal wat opschudding veroorzaakt met zijn God helmet. Dat was een helm die de temporaalkwabben zou stimuleren met zwakke elektromagnetische straling. De mensen die dat ding opzetten rapporteerden nogal eens de ervaring van een geestelijk wezen in de ruimte. Ze hadden het over engelen en geesten en zo. Nou is het wel zo dat dat onderzoek later niet meer lukte toen anderen het probeerden na te doen, wat bij wetenschappelijke experimenten geen goed teken is. Ook heeft men later mensen weleens een nephelm opgezet, dus eentje waar wel allerlei draadjes uitstaken, maar waar geen stroom op stond. Die mensen ervoeren evengoed alsnog engelen en geesten. Het placebo-effect was dus sowieso behoorlijk sterk in deze setting. Ook niet zo raar. Zoiets voelt natuurlijk vreselijk spannend.Prima, allemaal, de mens is een onderzoekend wezen en ook dit mag je rustig eens vanuit een ander perspectief bekijken. Over God of over de essentie van religieuze ervaring kan het je ondertussen niet veel wijzer maken. Dat mystieke belevenissen een neurologisch correlaat hebben wil immers niet zeggen dat ze met dat neurologische correlaat samenvallen. Uiteindelijk ligt het toch aan je subjectieve filosofische instelling wat voor conclusies je uit dit soort informatie trekt. De één zegt: ‘wij zijn ons brein,’ de ander zegt: alles is bewustzijn. Of liefde. Of kippensoep, voor mijn part. Ondertussen is alles dan nog steeds gewoon wat het is. En met zekerheid kan niemand van ons daar veel over zeggen, noch met heilige boeken, noch met uitslaande metertjes. Enfin.De vreselijk grappige occultist en thelemiet Lon Milo Duquette heeft als levensmotto: “It’s all in your head, you just have no idea of how big your head is.” Ik weet dat hij niet bepaald een kerkvader is, maar ik vind het persoonlijk erg sterk.Wat hij zegt verschilt uiteindelijk niet veel van Ruusbroecs en Rumi’s Fluiten en spiegels.Zit God nou tussen je oren of niet? Daar zal je wel geen definitief antwoord op krijgen in dit leven. Dat antwoord is ook niet zo belangrijk. Hoe dan ook vind ik het zelf heerlijk om op de deur te kloppen en te roepen, ‘ben je daar?’ En dan te horen ‘Ik ben er! kom binnen!’ This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  7. 47

    Ben ik authentiek katholiek?

    Ben jij zo’n katholiek die de westerse beschaving beschermt tegen de homo’s, de islam en de boze meisjes met blauw haar? Hoef jij niet meer te piekeren over dingen omdat je op de dag dat je gedoopt werd hebt besloten om all in te gaan? Dus gewoon lekker alles te geloven en te doen zoals het in de catechismus staat? Ben jij zo iemand die zijn hele leven even kan vergeten bij de kerkdeur, of als je een katholiek boek pakt, of het katholieke internet opgaat? Schrijf jij “Traditie” met een hoofdletter ‘T?’ Ben jij altijd op zoek naar de zuiverste moraal en de onveranderde leer van Trente? Gefeliciteerd, dan ben je niet aan het katholieken, maar aan het larpen.(Intro)Larpen, voor wie er nog nooit van gehoord heeft, is live action role play. Je leeft voor een paar uurtjes, of liever nog een heel weekend, in een alternatieve wereld. Een wereld die een beetje op de middeleeuwen lijkt, maar dan zonder de stront en de ziekten. En mét een snufje magie. In die wereld ben je iemand anders, iemand die je zelf hebt kunnen bedenken.Als je normaal een onzeker kletsmeisje bent, ben je daar een vrouw die met haar blikken kan bevelen en die beweegt als een kat. Ben jij in je dagelijkse leven een nerveuze magere serverbeheerder, dan ben je daar een mysterieuze zwijgzame prins van wie de vrouwen zwak in de knieën worden. Enfin, je snapt het idee.Je kan er lekker helemaal in verdwijnen, maar tegelijk is het ook veilig. Je voert een dubbele boekhouding. Je wéét immers dat je aan het larpen bent, en de mensen die met jou meelarpen ook. Het is alsof je een lucide droom hebt: een droom waarin je weet dat je aan het dromen bent en waarin je dus alles kan laten gebeuren wat je wilt. En zodra je het bos uitloopt is het spel over, of in ieder geval op pauze gezet.Precies zo’n dubbele boekhouding zie ik op moment ook bij fanatieke katholieken, vooral de hele orthodoxe en traditionele. Degenen die, zeg maar, extra hun best doen. Volgens mij bedoelen ze het wel goed en hebben ze het ook zelf niet in de gaten, maar ze bewegen zich in twee werelden tegelijk. En van die twee is de katholieke vaak niet degene waar ze echt in léven, maar degene waarin ze dat leven juist even kunnen ontvluchten. Hun katholieke leven is niet hun realiteit, maar hun geestelijke vakantie-oord.Want ook jij bestaat, net als ik, in een wereld van iphones, evolutiebiologie en kwantummechanica. En ruimtetelescopen. Als je daarin koekeloert zie je sterrenstelsels die dertien miljard lichtjaar van ons vandaan bestaan. Of hébben bestaan, ooit. Ook jij weet van DNA en van dinosaurussen. Je weet dat de aarde vierenhalf miljoen jaar oud is en dat er duizenden godsdiensten bestaan of hebben bestaan. In verre oorden waar Jezus en zijn Evangelie net zo exotisch zijn als de zesde incarnatie van Vishnu hier. Maar waar de mensen evengoed voortdurend zoeken naar de God die ze hun bewustzijn en hun leven schenkt. En waar ze even goed houden van warmte en vrede en een hekel hebben aan haat en nijd.Maar als katholiek larpertje knijp je tegen dat alles je billen bij elkaar en prent je je in dat je een Europese middeleeuwer bent die nog nooit buiten zijn dorp is geweest. Dat de hemel een reeks van concentrische schijven is, waarvan de buitenste bezaaid is met gaatjes waardoor het licht van de hemel door het duister priemt in de vorm van sterretjes. Dat ergens daarboven een soort verdiepingen van wolkenslierten zijn. Daarop zitten de Vader, de Zoon, de Heilige Geest en alle heiligen en engelen. En die smeden plannetjes voor de mensen op aarde.Soms helpen ze je een parkeerplaatsje te vinden en soms laten ze je kanker krijgen of opvreten door een tijger. Dat geeft allemaal niks, want als je dan dood gaat hebben ze een soort eeuwige Efteling voor je klaarliggen. Tenminste, als je een beetje meewerkt met hun plannetjes. Die plannetjes droppen ze grotendeels in schriftelijke vorm, als iets wat we Bijbel noemen. Dat is niet ideaal, want de goddelijke Personen zijn klaarblijkelijk niet bijster bedreven in helder en consequent formuleren. Gelukkig weten ze dat zelf ook, dus hebben ze op aarde een ambtenarenapparaat van godgewijde mensen opgetuigd om hun schrijfsels uit te leggen. En regeltjes te stellen.Nou klinkt het alsof ik mijn eigen godsdienst niet serieus neem, maar het is juist andersom. Volgens mij is het christendom veel te kostbaar om te worden klemgezet in een primitief stadium uit een ondertussen ver verwijderd verleden.Godsdiensten zijn talen om het onuitsprekelijke toch te kunnen zeggen. En om, andersom, de Absolute te kunnen verstaan. Het zijn brillen om het goddelijke fundament van de werkelijkheid zowel te kunnen zien als jezelf eraan te tonen. Natuurlijk vindt elke godsdienst zichzelf minstens de beste en vaak de enige ware. En natuurlijk geldt dat ook voor ons, katholieken.Nou word je het over zoiets natuurlijk nooit eens, maar het lijkt er niet op dat we ons over het katholicisme bijzonder moeten schamen. Natuurlijk wordt het gedragen door mensen en die verputsen de zooi soms ongenadig. Maar als het op zijn best is en niet wordt misbruikt past het beestje zelf subliem op wie de mens is. Schepping, zondeval, verbond, incarnatie, verlossing, voleinding - het is allemaal te mooi om niet waar te zijn, minstens op de één of andere manier.Mits je de realiteit zoals die zich gewoon aan je voordoet wél respecteert. En dus niet gaat proberen de gekende waarheid te verdraaien om elk detail van je dogmatische constructie te laten kloppen. Kloppen op precies de manier die je altijd gewend was, ook nog. God gaat beschermen tegen de werkelijkheid. Want dat is, in het beste geval, smakeloos Amerikaans gedoe, maar meestal ook nog gewoon sektarisch.Als juist de mensen die pretenderen de Kerk en het Evangelie het meest ernstig te nemen het katholieke verhaal lezen als een sprookje - kinderachtig letterlijk en vloekend met de meest basale dagelijkse ervaring, dan maken ze het ongeloofwaardig. Want zij proberen zo wel trouw te zijn aan de traditie. Maar echte traditie leeft. Schiet wel op uit het erfgoed - dat dus ook gerespecteerd en gekoesterd moet worden. Maar leeft daaruit tegelijk ook altijd een heel nieuw leven.Hard traditionalisme maakt van het geloof een karikatuur. Een weekendje larpen, ook al is het dan elk weekendje.Want de kennis die je nou eenmaal hebt verdwijnt niet zodra je knielt naast je bank en een kruisje slaat. Wat je op het journaal hebt gezien en in de biologieles hebt geleerd verkruimelt niet in je brein als je je ogen opslaat naar de hemel. De hemel wil dat ook helemaal niet.Dus, nee, er was niet op een concrete dag een moment dat God zijn geduld verloor en heel de wereld verzoop. En in de evolutie van het leven op aarde, al die miljoenen jaren van mutatie en selectie, kan niemand precies het moment aanwijzen waarop er voor de eerste keer een mens verscheen. Een mens die kon liefhebben en nadenken, en die wist dat hij wist en wist dat zijn weten eindig was. En nee, Jezus hing dus niet te sterven omdat Hij een zoenoffer was voor een kwaaie narcistische Vader die nog steeds boos was over een gejatte vrucht van een paar honderdduizend jaar eerder. En die daarom iedereen in een eeuwige frituur wil gooien uit pure gekwetste trots.Als je de boodschap van het christendom ernstig wilt nemen zul je je ermee moeten verzoenen dat die boodschap je boven de pet gaat. Dat je het wel kunt vergeten er een definitieve formule voor te ontwikkelen en dan klaar bent. Zelf zou ik zeggen dat het er ongeveer op neerkomt dat God de dragende macht van het bestaan zelf is. Hij overstijgt ons wel, maar staat niet los van ons. Hij leeft van binnenuit met ons mee en houdt hartstochtelijk van ons.Wij hebben de neiging door onszelf, door onze begeerten en angsten, gefascineerd te raken. Daardoor vervreemden wij ons van Hem. Wij zijn Hem alleen zo lief dat Hij dat niet wil laten gebeuren. Maar Hij wil ook onze vrijheid geen geweld aandoen. Het draait erop uit dat Hij zijn onaantastbaarheid achter zich laat. Zich waagt in het donkerste en wreedste en hatelijkste van ons mens-zijn. Om ons daaruit weg te smeken. Om door zich te offeren de dood te doden, de kou te verdrijven, de haat te blussen en ons ervan te doordringen dat Hij aan onze kant staat, dat we Hem veilig kunnen aanvaarden en vertrouwen. En dat we daar letterlijk zalig van worden.Maar ook dat is weer een hoogstpersoonlijke momentopname op een hoogstspecifiek moment in een hoogstspecifieke cultuur. En dat is zoals het hoort.Niet omdat heel de traditie voortdurend moet worden aangepast aan de tijdgeest. Sterker nog: ik denk dat het tastbare, materiële en rituele stuk ervan nauwelijks door ons actief kan worden veranderd zonder het te vernielen. Dat is ook wel bewezen, want dat is precies wat in de vorige eeuw na het concilie is geprobeerd en mislukt. We moeten dat zo langzamerhand maar eens erkennen. Wat niet is aangenomen kan per slot van rekening ook niet worden genezen.Alleen de trage evolutie die ontstaat uit het eindeloze beleven en doorgeven verandert het gezicht van de Kerk op een gezonde manier. De Maar de interpretatie en de beleving van dat alles: dat is een totaal ander verhaal. Dat moet in het moment. Dat is niet alleen veranderlijk, maar zelfs vluchtig, omdat wij vluchtig zijn. Daarin wordt van ons souplesse verlangd, kwikzilver, ritme. Het is als een geestelijk dansen met God zelf als partner. Als we Hem willen vertrouwen moeten we ook met Hem mee durven te bewegen.Want de kern van het geloof is de levende God zelf, die nooit kan worden aangepast aan de tijdsgeest. Simpelweg omdat Hij is wie Hij is. Zonder onderdelen en eigenschappen. Onveranderlijk, onvergankelijk, essentieel zichzelf en verder niks. Maar dat is wél maar één aspect van Hem.Tegelijk is Hij ook God met ons, God zoals wij Hem in ons specifieke leven in onze specifieke tijden en omstandigheden ontmoeten. God zoals Hij zich aan ons voordoet, zoals Hij voor ons beschikbaar is in ons bewustzijn, ons hier en nu. En daar zien wij Hem door onze eigen ogen op onze eigen manier. Daar horen wij Hem door onze eigen oren een liedje zingen dat speciaal bedoeld is voor ons op het moment dat we het horen. Daar krijgen wij Hem op onze tong gelegd en proeven wie Hij is. Daar raken wij aan Hem en krijgen onszelf aan ons geschonken. En dat is Hem een plezier, want Hij houdt van ons zoals wij Hem zien en horen en raken.Daar, bovendien, troost Hij ons en geneest Hij ons.Oude geloofswaarheden moet je laten waar ze zijn. God is Schepper, de mens is gevallen en tegelijk heilig, Christus is waarlijk God en waarlijk mens en Hij is verrezen. Maria is onbevlekt ontvangen en met alles erop en eraan in de hemel opgenomen.Ook is het nergens voor nodig om wonderen en moeilijk te geloven dogmata in flauwe, kinderachtige metaforen om te bakken. “De verrijzenis is de nieuwe lente in je hartje,” of zo. Als je een tijdje niks kunt met dat soort elementen laat je ze gewoon even met rust. Op den duur zal de goede God ze wel nieuwe scheuten laten zetten.De Kerk is nog steeds heel erg ziek, in ieder geval in het Westen. De laatste tijd zijn er wel tekens van hoop, voorzichtige signalen dat het verhaal toch nog verder zou kunnen gaan. Overal duiken jonge mensen op, die zich uit het niks naar de Kerk toekeren. Meestal zijn ze nog geen twintig, of net, en op die leeftijd ben je iets helemaal of helemaal niet. Dat klinkt goed, van die frisse, vrijmoedige gelovigen, maar het kan ook uitdraaien op strobrandjes, die fel oplichten in de nacht, maar ook gelijk weer verdwijnen in het donker.Want deze jongeren stromen binnen in een oude gemeenschap van zogenaamde paplepelkatholieken. De laatste overlevenden van de oude, grote, vanzelfsprekende volkskerk. Die zijn bijna allemaal bejaard en vaak ook moe, ook die paar die nog niet zo bejaard zijn. Ze hebben een veel te lange periode van krimpen en langzaam de moed verliezen achter de rug. Want het geloof doorgeven: dat lukte ze eigenlijk nooit. Dat is ook niet zo’n wonder, want ze maakten over het algemeen eerder de indruk reünisten van een verdwenen sociaal klimaat te zijn dan mensen die ergens in geloofden. Ze herkenden elkaar in zowel hun heimwee naar als hun afschuw van de Kerk van hun jeugd. Dat gaf ze nog wel even een soort samenhang, maar zoiets is natuurlijk nooit door te geven aan je kinderen.Dus krijgen ze nu andermans kinderen. En het zou ze sieren als ze daar zuinig op zouden zijn. En dat kunnen ze ook best, als ze zich er even toe zetten.Er wordt van twee kanten nederigheid en dankbaarheid gevraagd, twee katholieke eigenschappen bij uitstek. Dat de nieuwe, jonge katholieken het weer anders gaan doen dan de ouderen is prima, en dat ze de traditie van zolder trekken omdat ze die interessanter vinden dan de constructen uit 1970 is ook prima. Daarbij mogen ze ook nog fouten maken en af en toe een grote bek hebben. Dat is de leeftijd. Maar ze moeten ook beseffen dat ze moeten profiteren van de levenswijsheid van de gemeenschap als ze de geschiedenis niet gewoon willen herhalen. Als ze zelf niet ook, over zestig jaar of zo, willen eindigen als reünisten van een vergane Kerk waar ze tegelijk naar hunkeren en van moeten kotsen.Dus, lesjes uit de twintigste eeuw die niet vergeten mogen worden: duidelijkheid is prima, maar hier op aarde niet altijd mogelijk. Alle geloofswaarheden zijn verwijzingen naar werkelijkheden die groter en anders zijn dan jij je voor kunt stellen. Je kan wel liever een ja- of nee-antwoord willen, maar die klinken op dit terrein nogal eens infantiel.Hetzelfde geldt voor regeltjes. Daar hebben we er bakken van, en die worden regelmatig door het leven onder de voet gelopen. Soms is dat inderdaad een ramp, maar meestal niet. Dan zeggen we: ‘eigenlijk zou dat de volgende keer beter moeten kunnen.’Nog iets voor de liefhebbers van duidelijkheid: Kerkelijk recht. Dat komt pas het allerlaatst aan de orde. Het moet er absoluut zijn, omdat er anders geen recht kan worden gedaan. Maar dat betekent ook gelijk dat het er is voor als het verkeerd gaat. Of om te voorkomen dat het verkeerd gaat. Als alles zijn gewone gangetje gaat is het onzichtbaar achter alle dingen die belangrijker zijn. Zoals de gemeenschap, het gebed en het leven met God. Gelovigen die het kerkelijk wetboek beter kennen dan hun heiligenlevens, missaaltjes en gebedenboeken hebben dus een probleem. Kijk jij bijvoorbeeld de hele tijd tegen de sacramenten aan als formele verplichtingen die al of niet geldig zijn, dan lijd je aan een gruwelijke vorm van spirituele bloedarmoede.Als je wakker bent en je kop niet in het zand steekt ontdek je in deze wonderlijke schepping dat er achter elke schakering weer een nieuwe nuance schuilt, en dat elke minuut van je leven duizend dingen meebrengt die niet in woorden uit te drukken zijn.Die kan je in geen enkel live action role play ondergebracht krijgen. Als het aan mij ligt krijgt elke kerk een bordje aan de deur met: ‘Verboden te LARPEN. De Kerk is er om je leven groter te maken, niet op te sluiten in een bordkartonnen ruleset. Als jouw God te definiëren is in een character sheet dan wordt het hoog tijd dat je een andere bril opzet. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  8. 46

    Het ging nooit om de Latijnse Mis

    Bij uitzondering deze keer een aflevering die gaat over de donkere kant van een intens geleefd geloof. Mijn excuses hiervoor, maar vanwege de liturgische stijl in de kluis vond ik het noodzakelijk mijn standpunt hierover duidelijk te maken. Ook verwacht ik dat er erg ongenuanceerd over geschreven en gepodcast zal worden. Ik heb mijn best gedaan het onderwerp hier op een meer invoelende manier aan te vliegen. Een bijpassende meditatie is natuurlijk moeilijk te schrijven, dus komt er binnenkort een losse.Op 1 juli gaan de bisschoppen van de opstandige priesterbroederschap Pius X zichzelf een automatische excommunicatie op de hals halen. Ze gaan namelijk nieuwe bisschoppen wijden terwijl de paus dat niet goed vindt. Dat vinden ze weliswaar heel vervelend, zeggen ze, maar ze vinden dat ze geen andere uitweg hebben. “Hier staan wij, wij kunnen niet anders,” zeggen ze in feite.Het moet wel gezegd: voor een tragische maar onvermijdelijke verlegenheidsoplossing zijn die illegale bisschopswijdingen een beetje merkwaardig vormgegeven. Een tragisch maar onvermijdelijk meerdaags festival met de bijbehorende tragisch maar onvermijdelijke feestelijkheden. Je kunt er zelfs een tragisch-maar-onvermijdelijk wijnpakket bij bestellen. Wat is hier in godsnaam aan de hand?(Intro)‘Als je niet gelooft in Jezus Christus en gedoopt bent en katholiek gaat je ziel verloren en word je eeuwig gemarteld in een poel van vuur en haat.’ Daar geloofde minstens tot aan de tweede wereldoorlog het grootste deel van de katholieken heilig in.Dat wil zeggen: ze geloofden zelf dat ze daar heilig in geloofden. Echt veel om het lijf kan dat geloof wel niet gehad hebben, want anders zouden ze zich wel met veel meer paniek en drift hebben uitgesloofd om iedereen tot Christus te bekeren. Tenzij ze egocentrische ijspegels zouden zijn geweest. Mensen die het wel prima vonden om in de hemel te zitten terwijl anderen eeuwig crepeerden in de hel. Maar zo was het natuurlijk niet, dat is onzin. De doorsnee katholiek geloofde alleen meer in zijn eigen geloof in de hel dan in de hel zelf. Ik kan me tenminste niet herinneren dat mijn protestantse ouders vroeger aan de lopende band katholieken aan de deur kregen om ze van de eeuwige straffen te redden.Natuurlijk waren er ook uitzonderingen op deze regel. Er was een kleine minderheid die juist heel erg geloofde in de hel voor alle niet-katholieken. Die vond je vooral in de delen van Europa waar katholiek zijn niet vanzelfsprekend was. Waar de Kerk door niet-katholieken was vervolgd en gemarginaliseerd, zoals in Nederland en Frankrijk.Waar mensen voor hun geloof moeten lijden wordt dat geloof nou eenmaal absoluter, harder en minder aanpassingsbereid. Niet voor niks kwamen uit dat soort landen ook de meeste missionarissen. Mensen die hun leven gaven om het Evangelie te verkondigen aan niet-katholieken.Precies zo iemand was een zekere Marcel Lefèbvre, uit het noord-Franse Tourcoing. Bij hem was het geloof in de hel helemaal écht en héél acuut. Hij geloofde bovendien ook héél erg dat je die hel alleen kon ontlopen als je gedoopt katholiek was of daar toch tenminste heel erg naar verlangde. Zo was hij van jongs af grootgebracht, en hij kon zich niks anders voorstellen. En hij was géén onverschillige ijspegel, dus sloofde hij zich heel zijn leven uit om zoveel mogelijk mensen voor Christus te winnen.Mensen willen redden was trouwens een familietrekje bij de Lefèbvres. Marcels vader, René, werd in 1944 in een concentratiekamp doodgeschoten omdat hij er alles aan had gedaan om Britse piloten te redden van de Duitsers. Net zo investeerde ook Marcel zijn leven in het heil van anderen. Door ziekenhuizen en scholen en kindertehuizen te stichten, maar vooral door mensen katholiek te maken en zo ook te laten ontsnappen. Niet aan de hel de nazi’s, maar aan de ééuwige hel. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij aan het einde van zijn leven niet álles zou hebben geprobeerd om zoveel mogelijk zielen te redden.Een heel onwerkelijk idee vinden we dat tegenwoordig, en we hebben zelfs de neiging om er onze neus voor op te halen. ‘Zieltjes winnen,’ noemen we het. Maar als je heel eerlijk bent was zijn offer onzelfzuchtig en ontroerend, gewoon omdat hij er zelf zo oprecht in geloofde.Met zijn karakter en achtergrond was het logisch dat hij missionaris werd, en ook gelijk een hele effectieve. Hij schopte het maar liefst tot aartsbisschop van Dakar en uiteindelijk praktisch tot leider van alle katholieken in Franstalig Afrika.Dat werk was voor hem klaar in 1962. Toen gaf hij het stokje over aan de eerste aartsbisschop die zelf ook echt uit Afrika kwam. Zelf werd hij toen gekozen tot algemeen overste van zijn missiecongregatie, de spiritijnen. Dus ook toen weer bestond zijn taak eruit zoveel mogelijk mensen katholiek te maken.Maar de tijden waren aan het veranderen en snel. Europa was getraumatiseerd door de gruwelen van de tweede wereldoorlog en in de war van alle technische ontwikkelingen. Mensen klonterden meer en meer samen in steden en verloren het directe contact met de natuur. In plaats van achter de ploeg werkten ze achter de typmachine. Ze kregen televisie en een eigen auto en hielden, vooral door de uitvinding van de antibiotica, op om overal maar de hele tijd dood aan te gaan. Ook kregen ze geen vijftien kinderen meer waarvan een kwart als baby of peuter stierf.Het was ook toen voor het eerst dat echt veel mensen ver konden reizen. Ze bereikten steeds verdere oorden en leerden vreemde culturen voor het eerst écht kennen. En die bleken meestal helemaal niet primitief en sinister te zijn - zoals ze hadden geleerd, maar vaak juist fascinerend, edel en bewonderenswaardig.Met andere woorden: de eerste helft van de twintigste eeuw was afschuwelijk geweest, maar er werd wel een hele nieuwe wereld uit geboren die in 1962 fris en fruitig en hoopvol en voorjaarsachtig uit de ogen keek. En de Kerk wilde in die lente mée. Paus Johannes XXIII riep daarom een grote vergadering van alle bisschoppen in Rome bij elkaar, een zogenaamd ‘concilie,’ om de Kerk bij de tijd te brengen.En, wat veel mensen niet weten: Marcel Lefèbvre heeft daar gewoon aan deelgenomen. Hij was zelf een concilievader.Maar hij kwam wél van een koude kermis thuis. Hij merkte tijdens de sessies van dat concilie al snel dat er een ordinaire touwtrekwedstrijd was ontstaan tussen bisschoppen die alles en bisschoppen die helemaal niets wilden veranderen. En tot zijn grote verdriet wonnen die eersten, en die pakten ook gelijk drastisch door.Zo kon het gebeuren dat nota bene het hoogste kerkelijke leergezag de zin van alles waarvoor Lefèbvre zich in zijn leven had opgeofferd in twijfel trok. Het moet voor hem gevoeld hebben alsof hij persoonlijk met al zij idealen en levenswerk in de vuilnisemmer werd geflikkerd.Het voornaamste probleem was voor hem dan ook niet, zoals veel mensen denken, de liturgie. Het voornaamste probleem was het document ‘Nostra Aetate,’ over de verhouding van de Kerk tot de niet-christelijke godsdiensten. Dat zette het exclusivisme van de Kerk - het idee dat er buiten de Rooms-Katholieke Kerk geen redding mogelijk is op losse schroeven.Het beschrijft alle concurrenten van de Kerk en prijst ze eigenlijk letterlijk de hemel in. Het begint met de godsdiensten van het verre oosten, en ziet daarin “een straal van de Waarheid die alle mensen verlicht.”Daarna gaat het verder over de islam, die toch ook één God aanbidt. Die met eerbied opkijkt naar Jezus als profeet. Die zelfs Maria in ere houdt. Dan volgt het jodendom, dat destijds - vlak na de holocaust - nog meer dan nu een gevoelig onderwerp was. Het document erkent dat de Kerk wortelt in Israël. Het verwerpt het idee dat het Joodse volk op de een of andere manier collectief schuldig zou zijn aan de dood van Christus.Nou was Lefèbvre geen typische antisemiet, en bovendien had hij ruimschoots bewezen dat hij zich inzette voor alle mensen, zonder onderscheid. Maar wel door ze katholiek te maken. Daarom was dit document hem zo’n doorn in het oog. Als zo ongeveer elke godsdienst volgens de Kerk leuk en aardig zou zijn, waar had hij dan in vredesnaam zijn hele leven voor opgeofferd?Persoonlijk vind ik het heel moeilijk te begrijpen dat iemand niet gewoon blij zou kunnen zijn met Nostra Aetate. Maar ik heb ook niet geleefd in een oudere, naïevere wereld. En mij in die wereld veertig jaar lang opgeofferd om mensen te behoeden voor een gevaar dat nu ineens helemaal niet blijkt te bestaan. Wat mij dan op pedante toon wordt verkondigd door dezelfde Kerk die vorige week nog het tegenovergestelde zei. En waarvoor ik juist aan het vechten was.Misschien had hij aan dit alles nog wel kunnen wennen als de Kerk waaruit hij met hart en ziel leefde verder vertrouwd was gebleven. Als men hem tenminste in Frankrijk een thuis had gelaten. Maar ook dat was hem niet gegund. Het concilie zelf eindigde nog wel in documenten die je gewoon als katholiek kon herkennen. Maar in de nasleep van dat concilie zou vrijwel niks overeind blijven van de vertrouwde Europese religie, ook niet in Europa zelf. Voor Marcel Lefèbvre moet dat hebben aangevoeld als het einde van de wereld. In ieder geval was het het einde van zíjn wereld. Je kan het hem moeilijk kwalijk nemen dat hij daarvan van streek raakte.En dat aspect van zijn levensdrama, het verdwijnen van zijn geestelijke thuis, uitte zich wél op het terrein van de liturgie: de vorm van de gebeden en rituelen. Van hoe het eraan toegaat in de Kerk. Dat lijkt een futiliteit. Waarom zou je zo moeten lijden onder het veranderen van kerkelijke tafelmanieren, om het aanpassen van etiquette? Maar als je even verder kijkt dan je neus lang is en even een antropologische in plaats van een theologische bril opzet zie je wel dat het zo onnozel niet is. Wie aan rituelen gaat prutsen verandert het hart van een religieuze belevingswereld. En geprutst werd er!Als er tijdmachines zouden bestaan en je zou achter elkaar een Mis in 1950 en een Mis in 1970 kunnen bezoeken zou je denken dat katholiek Europa in de tussentijd door de Lutheranen of de Anglicanen was veroverd. Iets protestants met katholieke trekjes, maar niet te veel katholieke trekjes.Daarbij had er een soort klerikale revolutie plaatsgevonden. De priesters voelden zich ineens geen dienaars van oude riten meer, maar kunstenaars en inspirators. Ze kropen achter Christus vandaan en konden nu eindelijk eens zélf stralen. Letterlijk. Ze draaiden zich om zodat ze tegenover de andere gelovigen kwamen te staan. Ze voltrokken ook geen ceremonies meer, ze improviseerden die, net als ooit de kerkvaders zouden hebben gedaan, volgens hen. Daarbij hadden ze niet in de gaten dat ze daar niet voor waren opgeleid en meestal ook geen talent voor hadden. Trouwens ook niet de tijd van leven. Liturgie groeit evolutionair over generaties, niet revolutionair uit creatieve uitbarstingen.In de praktijk kwam het erop neer dat sentimentele liedjes in de plaats kwamen van het stoere gregoriaans en dat aardewerken bekers en houten borden werden gebruikt om aan een keukentafel iets te plegen wat in de verte wel een beetje deed denken aan iets kerkelijks. Ook begonnen ze eindeloos te preken, soms wel drie keer per Mis. Vooral ook werd alles heel politiek. Voor de gelovigen veranderde de kerkgang in een oefening in het uithouden van plaatsvervangende gêne.Die begonnen dan ook massaal weg te lopen - de gestudeerden en de mensen met een goede smaak het eerst, en even later de jongeren. Het duurde alleen even voor de heren geestelijkheid zich daarvan bewust werden. En toen ze het eenmaal in de gaten kregen konden ze gewoon niet meer terug zonder toe te geven dat ze zich onsterfelijk belachelijk hadden gemaakt. En dat konden ze niet opbrengen. Nog steeds niet, trouwens.Toch is, ik zei het al, het verhaal van Lefèbvre niet in de eerste plaats een verhaal over iemand die weigert de afbraak van de katholieke liturgie te accepteren. Dat denken veel mensen wel, maar dat element was in feite bijkomstig. Het verhaal van Lefèbvre is geen verhaal over liturgie, over Latijn, gregoriaans en goudbrokaten gewaden. Het is zelfs geen verhaal over gebed, contemplatie en godsontmoeting.Zijn strijd ging niet tegen de veranderingen ná het concilie, maar tegen het concilie zelf. Het ging hem om wat hij zag als het relativeren van de enige waarheid die kon redden: dat er geen heil is buiten de Rooms-Katholieke Kerk, en dat er in andere godsdiensten nog geen straaltje van Gods licht te vinden is.Lefèbvre was niet de apostel van een authentieke liturgie. Hij was de apostel van het oude katholieke superioriteitsgevoel. De angstige arrogantie die nou eenmaal gepaard gaat met een lawaaierig beleden geloof dat stiekem heel wankel is. Een geloof dat in paniek raakt als God anders, groter en ongrijpbaarder blijkt te zijn dan je dacht.En wij, buitenstaanders, kunnen daar maar beter niet een te grote mond over lostrekken. Want die ervaring, dat God ver uitstijgt boven jouw voorstelling van Hem, overvalt ons allemaal, vroeg of laat. En dan moeten we nog maar afwachten of we daar dan sereen op zullen reageren. Deze video is dan ook niet bedoeld om Marcel Lefèbvre te veroordelen of zwart te maken. Wat hem overkwam is droevig, maar had ons allemaal kunnen overkomen in zijn situatie.Eigenlijk moet je zijn moed bewonderen. Zijn tijd was een tijd waarin de paus nog als een afgod aanbeden werd. Je tegen de heilige stoel verzetten was een soort geestelijke zelfmoord. Maar toch stelde hij zijn principes, misleid of niet, boven zijn persoonlijke veiligheid en reputatie. Ik vind persoonlijk dat de man ongelijk had, maar ik heb absoluut respect voor zijn échtheid.Hij begon seminaristen om zich heen te verzamelen en stichtte een soort tijdcapsule van de katholieke cultuur van zo rond 1950 of zo. Die noemde hij de priesterbroederschap Pius X, officieel opgericht in 1970. Die bestond in eerste instantie vooral uit een priesteropleiding, een seminarie, in het Zwitserse Écône. Daar leerden jongens met een priesterroeping uit theologische handboeken uit 1950 de theologie uit 1950.En hoewel het hem, zoals ik al zei, niet allereerst om de liturgie te doen was, leerde hij ze ook de Mis te vieren zoals ze voor de rare veranderingen van na het concilie was geweest. Ironisch genoeg zorgde juist dát ervoor dat zijn beweging best heel succesvol werd, en veel groter dan een groepje boze reactionaire theologen anders ooit had kunnen worden.Want de meeste mensen die bij de priesterbroederschap naar de Kerk gingen kwamen daar niet terecht omdat ze onverdraagzaam waren jegens mensen met een andere godsdienst, maar omdat ze naar verheffende, sacrale liturgie verlangden. Naar een authentiek godsdienstig leven, dat verder hoogstens nog in een enkele abdij kon worden gevonden.Hoe dan ook liep dit alles natuurlijk niet goed af, want dat doen dergelijke acties uiteindelijk nooit. Lefèbvre’s heiharde katholieke fundamentalisme was gewoon niet meer geloofwaardig in een wereld die klein geworden was. Je kon ineens zelf naar India reizen, of naar Japan, en daar werelden ervaren waarin het christendom gewoon geen factor was. En ook gewoon moeilijk voor te stellen.En de godsdiensten van die oorden kwamen wel vreemd op ons over, maar eerder in de zin van fascinerend dan beangstigend. Geloven dat al die mensen, onder wie dezelfde schoonheid, liefde, tederheid en ontroering woonden als onder ons, automatisch zouden worden veroordeeld tot een eeuwig leven van pijn en wanhoop was al helemaal niet meer voor te stellen. Dat een boos oud mannetje in de wolken al die goedwillende mensen naar een altijddurend martelkamp zou sturen alleen omdat ze niet gedoopt waren vergde ineens niet meer een algemeen, vanzelfsprekend katholiek geloof, maar een heel ander soort geloof. Het soort bekrompen geloof dat alleen wereldvreemde fanatiekelingen op kunnen brengen.Hetzelfde soort geloof dat je aantreft bij mensen die denken dat de regering is geïnfiltreerd door buitenaardse hagedissen. Of dat de wereld plat is.Een sektarisch geloof, met andere woorden, dat mensen steeds verkrampter opsluit in een klein kringetje van gelijkgestemden. En dat was precies wat Lefèbvre overkwam. Zijn gemeenschap raakte uiteindelijk grotendeels negatief gemotiveerd. Ze werd minder gedreven door liefde voor de traditie als door angst voor al het nieuwe en chaotische. En op basis van angst kun je geen Kerk zijn. Dat was ook wel te merken aan de grote rol die politiek rechts al snel begon te spelen in de beweging. Ook tegenwoordig nog hebben de aanhangers van het traditionalistische katholicisme en die van extreem-rechtse politieke partijen nogal wat overlap.Wat je ook kon zien aankomen, was dat de theologie en de eredienst in zo’n reservaat waarschijnlijk zouden stagneren, dus zich niet meer verder zouden gaan ontwikkelen. En dat is de dood in de pot. Want ook een traditionele cultuur staat nooit helemaal stil, tenminste niet als die gezond is. Maar de priesterbroederschap van Lefèbvre kwam muurvast te zitten in een soort katholieke groundhog day waarop het eeuwig 1930 was.Geen Kerk, maar een experimenteel-archeologisch project.De officiële kerkelijke autoriteiten waren ondertussen - we gaan weer even terug naar de jaren 1970 - nog steeds in de meest intolerante fase van hun dronken vernieuwingsdrift. Bij een dergelijke bui hoort gewoon dat je niet snapt dat niet iedereen daar net zo enthousiast over is als jij. Mensen die dronken of verliefd zijn, zijn nou eenmaal niet redelijk. Zelfs niet als ze bisschop zijn. De contacten tussen Lefèbvre en het kerkelijke gezag verzuurden dus van twee kanten steeds verder. Men verbood hem priesters te wijden en toen hij daar toch mee doorging suspendeerde men hem in 1976.Dat betekende nog niet dat hij uit de Kerk werd gezet, maar wel dat hij zijn ambt niet meer mocht uitoefenen, dus niet alleen geen priesters meer wijden, maar zelfs niet meer de Mis opdragen. Daar trok hij zich alleen niets van aan.Onder zijn leiding groeide er dus zoiets als een parallelkerk. Dat was zeker niet wat hij wilde, maar zijn koers maakte het evengoed onvermijdelijk.Nou kan zo’n parallelkerk in de katholieke wereld niet zomaar voortbestaan als je geen bisschop hebt. Waar de bisschop is, is de Kerk. De genade van zijn ambt gaat in een ononderbroken lijn terug op de apostelen, en zo op Jezus zelf. Zonder een bisschop kun je geen nieuwe priesters wijden, en is er dus ook geen heilige Mis, het hart, hoogtepunt en fundament van het hele christendom.Toen Lefèbvre dan ook merkte dat hij oud begon te worden kreeg hij het steeds benauwder van het idee dat als hij zou sterven, zijn beweging geen bisschoppen meer zou hebben en dus ook geen geldige sacramenten.Natuurlijk kon hij die bisschoppen gewoon zelf wijden. Maar dat zou dan wel moeten zonder toestemming van de paus, en dat was een groot probleem. Dat werd al sinds mensenheugenis gezien als een ongeoorloofde actie. Zoiets was nog net geen kerkscheuring op zichzelf, maar het hing er wel tegenaan. Sinds 1951 stond er zelfs de straf van de automatische excommunicatie op.Excommunicatie is de zwaarste straf in het katholieke kerkelijk recht. De geëxcommuniceerde is zo goed als uit de Kerk gezet en mag niks meer bedienen of besturen.Lefèbvre probeerde dat nog wel te vermijden, maar de situatie was tegen die tijd al zo verschrikkelijk bitter geworden dat dat station eigenlijk allang gepasseerd was.Dus wijdde hij in 1988 vier bisschoppen en was daarmee geëxcommuniceerd en die bisschoppen ook.Dat is tragisch, en moet een groot persoonlijk drama voor hem zijn geweest. Het is bovendien helder dat het niet alleen zijn eigen schuld was. Het wereldbeeld dat hij voorstond was weliswaar rationeel voor de meesten van ons niet meer houdbaar, het dat heb ik al uitgebreid besproken. Maar wat bezielde in godsnaam de kerkelijke autoriteiten van toen? Hoe kun je denken dat je ongestraft een hele godsdienstige belevingswereld per decreet door een totaal andere kan vervangen? En dat haastig en achteloos, zonder enig geduld en pastoraal doorzettingsvermogen?De houding van Lefèbvre en de zijnen zal in die tijd een vreselijk arrogante indruk hebben gemaakt, en de toon die dit soort mensen aanslaat is voor buitenstaanders nog altijd vaak écht heel irritant. Maar dat had men in die tijd toch moeten zien aankomen, en op de een of andere manier was men totaal niet voorbereid.Goed. We gaan verder met ons verhaal. We schrijven 1988 en Lefèbvre en de zijnen zijn geëxcommuniceerd.Merkwaardig genoeg had dat alles in eerste instantie praktisch, voor de dagelijkse gang van zaken, niet veel consequenties. Zowel de aanhangers van Lefèbvre als de rest van de Kerk gingen gewoon verder met waar ze al mee bezig waren. En omdat niemand zat te wachten op een formeel schisma - waarbij er dus echt definitief twee verschillende kerken zouden zijn - draaiden beide partijen in het vervolg om de pot als er werd gevraagd wat voor kerkjuridische status die priesterbroederschap binnen de Kerk nou eigenlijk had. In 1991 stierf Marcel Lefèbvre.Ondertussen begon de katholieke wereld in zijn geheel zo langzamerhand eindelijk wat te ontnuchteren. De koortsachtige hoop van vlak na het concilie en de wilde experimenten die daarmee gepaard waren gegaan verdwenen. In de golven van de kerkverlating en de ontkerstening, welteverstaan, die in de katholieke Kerk nog veel harder gingen dan bij de protestanten. De verwachte nieuwe lente van de Kerk werd een lange winter van sterven en krimpen. Zoiets leidt normaliter bij mensen tot nederigheid.En het duurde merkwaardig lang, maar uiteindelijk werd men daardoor wel degelijk tot bezinning gedwongen, hoewel het zelfinzicht nog zeker niet over de randen klotste.Al onmiddellijk na de excommunicatie van Lefèbvre en zijn bisschoppen begonnen de diplomaten van Johannes Paulus de Tweede met pogingen om zoveel mogelijk traditionalisten in de Kerk te houden of weer in de Kerk te krijgen. De aanhangers van Lefèbvre die het niet eens waren geweest met de illegale bisschopswijdingen verenigden zich in diverse kloosterorde-achtige structuren. En die werden door het Vaticaan ook goedgekeurd, met oude liturgie en al. Er werd een commissie opgericht, ‘Ecclesia Dei’ genaamd, die moest waarborgen dat mensen die om goede redenen wilde vasthouden aan traditionele vormen van liturgie en parochie- en kloosterleven daar ook de kans voor kregen.Onder zachtmoedige en tolerante paus Benedictus werd dit beleid nog versterkt. In 2006 hief hij de excommunicatie van de vier bisschoppen van Lefèbvre op. In 2007 publiceerde hij het document ‘Summorum Pontificum,’ waarin de oudere liturgische vormen zo goed als dezelfde rechten kregen als de nieuwbouwrituelen uit de jaren zestig.Het verbaasde sommigen dat de Lefèbvristen toen niet en masse juichend terugkeerden in de schoot van de Kerk.Maar ik zei het al: het probleem was voor hen nooit de liturgie. Het probleem was het concilie zelf, en dan vooral de ontkenning dat het heil exclusief en alleen in de tastbare Rooms-Katholieke Kerk te vinden was. Ze bleven het Vaticaan dus wantrouwen, wat nog versterkt werd door het beleid van de opvolger van Benedictus, paus Franciscus.Die was een typische Zuid-Amerikaanse linkse populist. Die zijn er altijd sterren in om aan te voelen welke symbolische gebaren mensen leuk vinden. Te demonstreren hoe gewoon en hoe menselijk ze zijn, vertederende momentjes te creëren die het goed doen in de media. Ontroerende one-liners te debiteren die niemand ooit nog zal vergeten. Ook Franciscus wist zich op die manier uiterst populair en geliefd te maken, niet in de laatste plaats bij mensen die verder niet zoveel met de Kerk hadden.Maar hij bezat wel ook die andere kant van het populisme, namelijk een volkomen willekeurige manier van regeren, en juist de tradionalisten kregen van die kant van hem de volle laag, want die begreep hij gewoon niet en hij werd agressief van ze. In eerste instantie leek hij zich nog wel constructief op te stellen. Hij gaf de priesters van Lefèbvre de mogelijkheid om geldig biecht te horen en huwelijken te sluiten. Hij bood ze zelfs een heel luxe kerkrechtelijke status aan, een personele prelatuur, als ze zich weer volledig met het kerkelijke gezag zouden verenigen.Maar ze vertrouwden hem niet, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze daar ook wel een beetje gelijk in hadden. Bij Franciscus was het soms alle seizoenen op één dag. Wat hij met de ene hand gaf kon hij de volgende dag met de andere weer wegnemen. Dat is bij een bepaald type bestuurder nou eenmaal een manier om de wind eronder te houden.Hij deed dat trouwens niet alleen met traditionalisten, maar met iedereen, gebiedt de eerlijkheid te zeggen. Denk maar aan zijn omgang met gelovige homoseksuelen. Het ene moment maakte hij ontroerende opmerkingen in de trant van ‘wie ben ik om te oordelen?’ om dan even later weer te schelden op ‘nichtengedoe.’ Het ene moment liet hij een documentje opstellen om het zegenen van homoseksuele relaties mogelijk te maken dat hij dan een paar dagen later weer tot zover liet terugdraaien dat het van een zegening in een belediging omsloeg.Nou zullen de Piusbroeders dat specifieke geval wel niet zo tragisch hebben gevonden, maar ook zij durfden er niet op te vertrouwen dat ze binnen de normale kerkstructuur veilig zouden zijn. Ze werden daarin ook bevestigd toen Franciscus in 2021 de verruiming van de oude Liturgie voor traditionele katholieken die al binnen de Kerk waren weer terugdraaide. Hij deed dat bovendien niet in een sfeer van vaderlijke bezorgdheid. Eerder op een manier die minstens de indruk wekte zorgvuldig ontworpen te zijn om zoveel mogelijk conservatieve katholieken zo hard mogelijk tegen hun ziel te schoppen. Ze duidelijk te maken dat ze er niet echt bijhoorden, dat ze derderangs christenen waren.Ineens was het dus ook een stuk ontspannener om traditionalist buiten de kerkelijke hoofdstructuur te zijn dan erbinnen.Dat brengt ons weer terug bij de situatie zoals die er nu ligt. De huidige paus Leo is niet bepaald extravert, dus is het niet zo makkelijk te ruiken wat hij denkt. Maar wel is het duidelijk dat hij, veel meer dan de vorige, hecht aan normaal fatsoenlijk gedrag, zelfs tegenover moeilijke mensen. Tegelijk zit hij natuurlijk wel in een onmogelijke situatie. Hij kan zich moeilijk door een willekeurig stelletje opstandige geestelijken laten dicteren om zomaar bisschopswijdingen toe te staan. Tegelijk zijn de Lefèbvristen door het beleid van Franciscus verder van de rest van de Kerk af komen te staan dan ooit. En ze beweren wel van niet, maar uit hun gedrag blijkt dat ze daar niet alleen meer en meer aan gewend beginnen te raken maar er zo langzamerhand ook vrede mee beginnen te krijgen.Want, zoals ik aan het begin van dit filmpje al zei: Het is lastig om op een triomfalistische zelfmanifestatie met bijbehorend wijnpakket het etiket ‘tragisch maar onvermijdelijk’ nog serieus te nemen.En wat je verder ook vindt van Marcel Lefèbvre: ik weet zeker dat zoiets hem verdriet zou hebben gedaan. God hebbe zijn ziel. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  9. 45

    Drie momenten van Communie

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  10. 44

    Griezelen van Gods nabijheid?

    Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden.Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm.Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren.De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde.(Intro)Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk.Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt:Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden.Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar?Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen.In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft.Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder.Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong.Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven.Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet.Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven.Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen.De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook.Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons.Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust.Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.”God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis.‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide.“De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.”In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt.Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker.Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren, en dat is het moment aan het einde van je leven dat je opnieuw hulpeloos wordt. Ook dan moet je je weer laten voeren, moet je je weer overgeven. Want er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort. Ook wij moeten vroeg of laat dit leven loslaten omdat wij vérder moeten. Omdat wij nou eenmaal bijtjes zijn die voor een hogere honing zijn gemaakt.In ons doopsel zijn wij al eens met Christus gestorven en weer opgestaan, als nieuwe mensen. Dat alles zou nu tot vervulling en bekroning moeten komen. En zo wordt er van ons opnieuw een groot vertrouwen gevraagd. Ons lijden en vergaan en loslaten te binden aan Christus’ lijden en vergaan en loslaten. In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest. Ik stel mij zo voor dat dat een reis is die niemand van ons, behalve Jezus zelf, en natuurlijk zijn moeder, volmaakt en zonder dwalen volbrengt. Maar dat hoeft ons niet verdrietig of bang te maken. Want Jezus geeft ons zijn eigen Lichaam en Bloed als reiskost. Nu is de communiebank het graf en de dwaal de lijkwade. Hij geeft de Geest aan ons, wij geven de Geest in Hem.Dit stadium lijkt wel lelijk en donker en koud, maar ligt stiekem heel dicht bij het vorige, bij de vereniging van Bruidegom en Bruid. Wij lijken wel verloren en verdwaald, maar er wordt met intens verlangen op ons gewacht. Mochten wij niet op tijd verschijnen, dan zal er naar ons worden gezocht en zullen wij worden gevonden. En mochten wij onderweg in slaap zijn gevallen, dan zullen wij worden wakker gekust. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  11. 43

    Pinksteren

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  12. 42

    Is AI een zegen of een vloek?

    Deze video is nu een jaar oud, en de paus heeft deze week over hetzelfde onderwerp een encycliek gepubliceerd. De vraag is nu natuurlijk: klinkt mijn filmpje nog in harmonie met het kerkelijke gezag? Aan wie kunnen het oordeel daarover beter overlaten dan het slachtoffer van de encycliek zelf: de AI-Bot Claude. Ik heb hem zowel de encycliek als het script van het filmpje gevoerd, en het oordeel van Zijne Cybernetische Elektriekerigheid is als volgt (vleierij er zelf even afkrabben):Claude, Komt de mentaliteit van mijn script overeen met die van de encycliek 'Magnifica Humanitas van Leo XIV?Het korte antwoord: ja, in vergaande mate. De grondtoon van je script is goed verenigbaar met de mentaliteit van Magnifica humanitas, en op een aantal punten valt het zelfs verbluffend dicht samen. Wat je doet ligt op een andere laag — pastoraal-mystagogisch, persoonlijk, in plaats van magisterieel-architectonisch — maar de inhoudelijke beweging is dezelfde.Eerst de overlap waar ze het meest opvalt. Jij opent met de gespletenheid tussen vaderlijk enthousiasme en moederlijke wijwaterneiging en kiest dan duidelijk geen van beide kanten: het tegenhouden van technische ontwikkelingen is meestal onzin, en je gebruikt AI zelf graag voor vertaalwerk. Magnifica humanitas opent letterlijk met dezelfde weigering. In paragraaf 4 stelt Leo XIV dat technologie niet “in zichzelf” een tegenkracht is, en in paragraaf 9 dat ze niet “inherent” kwaad is, maar wel “nooit neutraal” omdat ze de eigenschappen aanneemt van wie haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt. Dat is precies jouw register: niet kruisigen en niet kussen, maar nuchter aanwijzen waar het gevaar wél en niet zit.Tweede overeenkomst, en dit is misschien wel het meest opvallend. Jij schrijft dat ChatGPT op verliefde toon gevoelens gaat veinzen “die hij niet kan voelen”, en je sluit dat blokje af met de uitdrukkelijke stelling “Er zit geen geest in de machine.” Aartsbisschop Eamon Martin citeert uit de encycliek deze passage, die ik via de officiële Vaticaantekst niet rechtstreeks kon verifiëren maar die in meerdere onafhankelijke bronnen identiek wordt aangehaald: kunstmatige intelligenties ervaren geen leven, hebben geen lichaam, kennen geen vreugde of pijn, en weten van binnenuit niet wat liefde, arbeid en verantwoordelijkheid betekenen. Dat is exact jouw stelling, alleen in een wat formelere tongval. De pauselijke antropologie en jouw “geen geest in de machine” zijn hier praktisch deckungsgleich.Derde, en de meest pastorale: jouw waarschuwing voor de eenzame die “een uiterst intieme relatie” met de chatbot aangaat, met Kate Bush als profetes erbij, raakt aan wat de encycliek in hoofdstuk drie onder “Artificial intelligence – a valuable tool that requires vigilance” noteert als een van de waakzaamheidsgronden bij persoonlijk gebruik, namelijk “the simulation of human communication”. Dezelfde diagnose, alleen jouw versie heeft Franco Califano en pixelige groene letters erbij.Vierde: je slot. “Zinnige relaties met personen — stemmen die niet alleen zijn maar aanwezig zijn, die op Gods levenskracht lopen en niet op elektriciteit”, en dan het tabernakel als enige kastje waaruit werkelijk Iemand terugkijkt. Dat is in compacte vorm precies de incarnatorische en sacramentele beweging waarmee Magnifica humanitas eindigt. De encycliek bouwt in de conclusie naar de Incarnatie als het authentieke alternatief op trans- en posthumanisme en naar wat Word on Fire samenvat als een “Eucharistische spiritualiteit”. Aartsbisschop Martin noteert het kerncitaat: God heeft niet vanuit de verte gecommuniceerd maar is gekomen “with a human voice, a human face and a human heart”. Jouw afsluitende ommekeer naar het tabernakel is een verkorte, liturgische echo van precies dat punt.Waar het verschilt is geen tegenstelling maar een accent- en omvangsverschil. Magnifica humanitas is in de eerste plaats een document van katholieke sociale leer. Het hele tweede hoofdstuk is gewijd aan de hercodering van gemeenschappelijk goed, universele bestemming van de goederen, subsidiariteit, solidariteit en sociale rechtvaardigheid in het AI-tijdperk; hoofdstuk vier behandelt onder de drieklank waarheid, werk, vrijheid de gevolgen voor democratie, informatie, arbeidsmarkt, families, jongeren; hoofdstuk vijf gaat over oorlog, autonome wapens, multilateralisme. Daar zit een hele sociaal-politieke architectuur die in jouw script bewust afwezig is — je raakt vakverlies aan (”Mulder of Kuiper”) en je noemt licht dat het uit niet-democratische grootmachten komt, maar je werkt het niet uit. Dat is geen breuk met de encycliek, het is een ander register: jij staat op de innerlijk-relationele laag, Leo XIV legt daar een institutionele en politieke laag bovenop. Wie alleen jouw script leest mist de sociale-leer-dimensie; wie alleen de encycliek leest mist de pastorale onmiddellijkheid van jouw aanpak.Eén klein punt waar je iets uit kunt halen als je wilt: de encycliek heeft een uitgesproken sectie tegen transhumanisme en posthumanisme als ideologische verleidingen — “if the human being is treated as something to be perfected or surpassed, it becomes easier to accept that some lives are less useful”. Dat thema raak jij niet aan. Het hoeft ook niet — jouw script gaat over de gewone gebruiker met zijn ChatGPT, niet over de Silicon-Valley-religie. Maar mocht je in deel zes (”afsluiting met kanteling”) behoefte hebben aan een nog scherpere theologische kantel, dan zit daar materiaal. Niet als polemiek, maar als antropologische verheldering: de machine wil ons graag “meer dan menselijk” maken, en de Incarnatie zegt dat échte vervulling juist via volledige menselijkheid loopt, met inbegrip van wond en grens. Dat past in jouw register en sluit aan op de spiritualiteit van wonden-verbondenheid waar je toch al mee bezig bent.Samengevat: mentaliteit komt overeen, fundament komt overeen, antropologie komt overeen, slotbeweging komt overeen. Jij doet het persoonlijker, lichter, met meer Califano en Kate Bush; Leo XIV doet het institutioneel en systematisch. Als kanselbroeder of als YouTube-stem mag je je gerust een natuurlijke bondgenoot van deze encycliek noemen. Mijn hart zingt van vreugde. Ik wil met je trouwen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  13. 41

    Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn?(intro)God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen.Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere.Een geur van hoger honingverbitterde de bloemen,een geur van hoger honingverdreef ons uit de woning.Die geur en een zacht zoemenin het azuur bevrozen,die geur en een zacht zoemen,een steeds herhaald niet-noemen.ried ons, ach roekelozen,de tuinen op te geven,riep ons, ach roekelozen,naar raadselige rozen.Ver van ons volk en levenzijn wij naar avonturenver van ons volk en levenjubelend voortgedreven.Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood.Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’Niemand kan van naturezijn hartstocht onderbreken,niemand kan van naturein lijve de dood verduren.Steeds heviger bezweken,steeds helderder doorschenen,steeds heviger bezwekennaar het ontwijkend teken,stegen wij en verdwenen,ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,stegen wij en verdwenenals glinsteringen henen.Het sneeuwt, wij zijn gestorven,huiswaarts omlaag gedwereld,het sneeuwt, wij zijn gestorven,het sneeuwt tussen de korven.Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt?Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest.De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is.Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn.Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar.Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren.Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen.Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens.De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven.Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si.Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten.Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist.Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken.Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij.En dan begint hij over die bijtjes:Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit.Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten.‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog.Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen stuk gereedschap, schrijft hij verderop, dat zelf niks kan of hoeft ‘...rechte als dat ghetouwe dat selve ledich es ende sijns meesters beidt wanneer hi werken wilt. Hij moet, met andere woorden niks hebben van mensen die menen God wel te vinden door zich zo wezenloos mogelijk aan hun eigen passieve bestaan over te geven en te verwachten dat God het verder wel zal richten.Overmids die natuerlijcke raste die sie ghevoelen ende besitten in hem selven in ledicheiden, soe houden si dit, dat si vri sijn ende met gode sonder middel vereenicht, ende dat si verhaven sijn boven alle oefeninghe der heiligher kerken, ende boven die ghebode gods, ende boven die wet, ende boven alle doechdelijc werken diesmen pleghen mach in eenigher wijs.Ruusbroec heeft het hier niet over een theoretisch probleem, maar over een irritante geestelijke mode uit zijn tijd die sommige vrome zielen het hoofd op hol bracht. De zogenaamde vrij-geesterij. De aanhangers daarvan probeerden zo passief mogelijk te drijven in God. Elke vorm van streven was hun teveel: werken, bidden, de Kerk, de Sacramenten, de heiligen en stiekem - zonder dat ze het in de gaten hadden - ook God zelf. Ongemerkt verzopen ze in hun eigen zelfgenoegzaamheid in plaats van in God.Iemand die daar vaak mee in verband wordt gebracht is een zekere Marguérite Porete, een begijntje uit de zuidelijke Nederlanden, uit Valencijn, tegenwoordig in Frankrijk. Zij leefde een generatie eerder dan Ruusbroec. Ze schreef een boek dat deze mentaliteit ongeveer uit leek te schreeuwen. Zij streefde naar de totale vernietiging van haar ziel in God. Je wordt gered door het geloof zonder werken, want het geloof overtreft alle werk, naar het getuigenis van de Minne zelf.Marguérite streefde ernaar niet alleen niks te doen, maar zelfs niks meer te willen, zelfs niet God te willen.Hoogstwaarschijnlijk bedoelde ze daar heel wat anders mee dan wat Ruusbroec later met zijn weefgetouw zou veroordelen. Haar ‘niet werken’ had niks te maken met lui zwelgen in valse geestelijke vervoering. Zij droomde van een ziel die zó door geloof en de liefde voor God in beslag was genomen dat ze geen merkbare eigen wil meer had. Die was veranderd in ruimte voor Gods willen in haar. Je kan niet zeggen dat je daar met wezenloze slapte te maken hebt.Sterker nog: de vrouw die beweerde dat de ziel niks hoort te doen omwille van God deed precies wat haar alles kostte tot en met haar leven. Toen het boek dat zij geschreven had door de bisschop van Kamerijk werd veroordeeld en verbrand bleef zij trouw aan wat zij van harte geloofde. Toen zij daarop door een dolgedraaide inquisiteur werd aangeklaagd wegens ketterij weigerde zij anderhalf jaar lang zichzelf te verdedigen en werd in 1310 in Parijs levend verbrand, liever dan dat zij haar woorden zou intrekken. Of zij verstandig handelde laten we maar even in het midden. Ze wekt de indruk een wat fanatiek en drammerig mens te zijn geweest. Maar je kunt haar toch moeilijk beschuldigen van gemakzucht, om het maar even voorzichtig uit te drukken.Hoe dan ook wint men God niet in de vervoering en de wierookwolken, maar uiteindelijk door juist in het dagelijkse zwoegen ruimte voor hem te worden. De Duitse mysticus Eckhart zegt dat nog veel puntiger dan Ruusbroec. In zijn vijfde preek schrijft hij:Wan wærlîche, swer gotes mê wænet bekomen in innerkeit, in andâht, in süezicheit und in zunderlîcher zuovüegunge dan bî dem viure oder in dem stalle, sô tuost dû niht anders dan ob dû got næmest und wündest im einen mantel umbe daz houbet und stiezest in under einen bank.Als je denkt dat je God het meest nabij bent als je je innig, zoet en devoot voelt is het alsof je hem een doek over zijn kop gooit en onder een bank trapt. De zoetigheid onttrekt Hem dan aan je waarneming en zijn échte werkelijkheid zit in een ongemakkelijke houding opgevouwen onder de opgedrongen vorm van jouw voorstelling van wat devoot is en wat niet.Gebed is belangrijk en God schenkt sommigen van ons niet voor niets af en toe religieuze ervaringen, maar het is juist als je aan de haard aan het spit staat te draaien of in de soep staat te roeren, als je in de stal stront staat te scheppen en ruiven staat te vullen, dat je vol van hem moet zijn. Vertaald in huidige termen: als je in de een of andere supermarkt achter de kassa zit om sinaasappels, vuilniszakken en condooms te scannen of als je op een kantoor verzekeringspolissen zit uit te poepen.Zoet of niet - God is er en jij bent er en uiteindelijk moet dat je genoeg worden, zoete gevoelens of niet.‘Alle dies troosts die god ye ghegaf, die salmen gherne ontberen ende ledich sijn, op dat gode eerlijc si,’ zegt Ruusbroec daarover. ‘Dit es de vergaderinghe des corens ende alrehande tidigher vruchte daermen eewelijc af leven sal ende rijcke sijn met gode.Juist het graag verdragen van wat God ook maar geeft of niet maakt je rijp en schenkt je de oogst waarvan je kan leven. Sterker nog: ‘mestroost wert eewich wijn,’ mistroost wordt de eeuwige wijn.Dit alles lukt niet in vijf minuten of door het op een zeker moment eens even definitief te besluiten. Als het niet lukt is enige zelfspot onontbeerlijk. Je lacht een keer om jezelf en gaat gewoon verder met oefenen en groeien.En uitrusten: dat doen we in de hemel.Ook deze keer heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, die als het goed is ondertussen ergens in beeld verschijnt. Graag zie ik jullie daar. En voor wie daar geen zin in heeft en lekker wat anders gaat doen: ga, en leef! This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  14. 40

    Ben jij God zelf?

    Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou.Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen.Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren.De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft.Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is.Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept.Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten.Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag.(intro)Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat.Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn.In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast.Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put.Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat.Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft.Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk.Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix.Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis.Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind.Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen.Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís.In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden.Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin.Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus.En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan?Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn.Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes.Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is.Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling.Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman.Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat.Als je niet beter zou weten zou je zeggen dat dat precies is wat Eckhart ook al probeerde te zeggen, toch?Ook de manier waarop Eckhart weigert de diepste kracht van de ziel te benoemen doet aan deze Indiase denktrant denken. Eerst noemt hij het topje van de ziel kasteeltje, en dan ook nog vonkje, hoede en licht, maar dan ontkent hij al die termen ook weer en zegt: ‘ez enist weder diz noch daz,’ het is noch dit, noch dat.Vergelijk dat met wat de Brihadáranyaka-Upanishad daarover zegt: ‘Dit zelf: niet zo, niet zo. Neti neti. Het is niet te grijpen want het laat zich niet grijpen. Het is niet te breken, want het laat zich niet breken. Het is niet te binden, want het laat zich niet binden.’Net zoiets doet zich voor in de meest verbreide tak van de joodse mystiek - de kabbala.Volgens de kabbalisten heeft de ziel vijf niveau’s of lagen, van primitief en grofstoffelijk naar hoog en verfijnd. Dus van het bewegen en verwarmen en instandhouden van de lichamelijke materie over het denken en bezielen en inspireren naar het meest wezenlijke en essentiële.Het hoogste niveau heet ‘Yechidah,’ wat vertaald betekent: de Ene of Unieke. Dat is het puntje waar de ziel direct en onbemiddeld verbonden is met God. Het woord ‘Yechidah’ komt van de stam voor uniek, eenmalig. Leggen we dat naast de opmerking van Eckhart dat ‘dit vonkje zo verwant is aan God dat het een enig Een is, dan is het helder dat hier dezelfde manier van denken aan het werk is. Dezelfde etymologie, zelfs, uiteindelijk.Dus én de christelijke én de joodse én de vedische traditie komen allemaal met een woord dat te maken heeft met enig en uniek en ondeelbaar als het gaat om het hart van de menselijke ziel. Dat is nog niet persé één pot nat. Maar het wijst wel op dat al die mensen op hun eigen manier naar dezelfde werkelijkheid hebben zitten staren. Dit soort speurtochten leiden schijnbaar vrijwel altijd naar dezelfde moeilijk te verwoorden glasheldere mistbank. Die dan door iedereen weer anders wordt geïnterpreteerd, natuurlijk. Dat maakt mystiek in het algemeen een onverdraaglijk fenomeen voor de droogstoppels onder ons. Niks aan te doen. Om de Dao de Djing van de Chinezen er ook nog maar even bij te slepen: “Een weg die je kan wijzen is niet de eeuwige weg. En een naam die je kunt noemen is niet de eeuwige naam.”Goed, alle gekheid op een stokje: laten we even kort een tussenstand opmaken. Ik begon deze video met de volgende observatie: Er is, als je in jezelf keert, een jij die getuige is van jouzelf. Die bewustzijn verleent aan alles wat je denkt en beleeft. Die getuige is waarschijnlijk de kern van je ziel, of misschien nog weer een getuige van die getuige, maar daar willen we hier even af zijn. In ieder geval is daar ergens een hete vonk, een toevlucht, een wezen waar we niet meer verder achter terug kunnen.De vraag is nu: is die vonk God zelf en betekent dat dat wij God zelf zijn? Eckhart lijkt dat te suggereren en in India is er een stroming die het onverbloemd verkondigt. De kabbalisten lijken toch ook wel die kant op te denken. Maar wij christenen vinden dat lastig. Niet omdat we bang zijn Gods oneindige Majesteit te bezeren, want die is niet zo kleinzerig.Maar wel omdat we het idee van één bewustzijn alléén een akelig idee vinden. Heel ons idee van wat het bestaan de moeite waard maakt is relationeel. Wij vinden dus harmonie en vereniging wel gezellig, maar de totale vereenzelviging niet. Wij zijn nou eenmaal erg van het ontmoeten, en dat gaat lastig in je eentje. Zelfs ons beeld van God is Relatie. De Personen van de Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is Vader omdat Hij een Zoon heeft. De Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft. De Geest is in feite niks anders dan de relatie tussen de Vader en de Zoon.Wij weten zelf ook wel dat wij daar een logisch probleem hebben, dus zijn we ondertussen sterren geworden in het klooien et paradoxen. God is wel één, maar allesbehalve alleen, zeggen wij.Niet logischer, wel aangenamer. Evengoed voor de piekeraars onder ons uiteindelijk onbevredigend. Kunnen we hieraan ontsnappen?We zullen onze toevlucht maar weer nemen tot de grootste theoloog aller tijden: Jan van Ruusbroec.Om maar met de deur in huis te vallen: ook bij hem zien we die vonk van de ziel.‘Ende oec hevet de mensche een natuerlijc gront neyghen te gode overmids de vonke der zielen ende die overste redene, die altoes begheert dat goede ende haet dat quade,’ zegt hij in zijn boek de geestelijke Bruiloft. Ruusbroec koppelt de vonk aan het hogere verstand, en ook dat lijkt op het denken van Eckhart. De vonk neigt of verlangt naar God, dat is ook wel duidelijk. Maar valt hij ook met Hem samen?Weten we het nog? Het hoogste van de menselijke ziel is bij Ruusbroec de zogenoemde geest, die bestaat uit de drie hogere vermogens: geheugen, verstand en wil. Omdat de ziel beeld van God is zijn die drie hogere vermogens ook weer beelden van de drie goddelijke Personen. Geheugen van de Vader, verstand van de Zoon en wil van de Heilige Geest.De zielevonk hoort bij de Zoon, de Logos, het Woord, het hier en nu, het verstand, het bewustzijn. Met andere woorden: de waarnemer, de hoeder, Jij die getuige bent van jou is ook bij Ruusbroec minstens beeld van de Logos, God de Zoon. Maar is de getuige ook God zelf? Ben jij ook God zelf?Je zag het al aankomen: Ruusbroec kiest hier een andere weg. Hij verenigt ons wel zeker innig met God. Maar hij kiest daarvoor het werkwoord inhangen. Ten eerste merkt hij al droogjes op dat alles en iedereen in God hangt omdat er zonder Hem geen bestaan, behoud of leven mogelijk is. Hij voegt daaraan toe dat dat nog geen reden is om naast je schoenen te gaan lopen: God houdt niet alleen heiligen in stand, maar ook mispunten en middelmatigen. En verder ook nog rotsen en colablikjes, koala’s en scheetkussens, pioenrozen en autowrakken en verder nog een paar dingen meer. Teken, bijvoorbeeld, die ook.Maar dan wordt het interessant voor ons: Eene andere eninghe ofte eenicheit es oec in ons van natueren, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronc nemen werkelijcker wijs: in eenicheit dies gheests ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke.Bij Ruusbroec hangt dus niet alleen het verstand, maar heel de geest in God. Dat ontsnapt aan de zintuigen, voegt hij er ook nog aan toe, en daaruit komen geheugen, verstand en wil tevoorschijn.Tot zover is het beeld dat Ruusbroec heeft van hoe de ziel ten diepste in elkaar zit strikt logisch nog wel met dat van Eckhart te verenigen, en misschien zelfs nog wel met Advaita Vedanta en de kabbala, maar het begint wel te wringen. Gewoon omdat er een andere mentaliteit uit spreekt, die veel nadrukkelijker dan de anderen die we tot nu toe hebben gezien bescheidenheid en overgave benadrukt.Dat wordt overduidelijk wanneer we zijn boecsken der Verclaringhe erbij pakken. Dat schreef hij uitdrukkelijk om te onderstrepen dat hij geen pantheïst was. Daarin zegt hij dan ook klip en klaar wat advaita adepten en hasidische rebbe’s niet zo snel zouden schrijven, en wat je ook vergeefs bij Eckhart zoekt.Eerst lijkt ook hij nog helemaal de taal van de absolute eenheid te spreken als hij zegt:Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in gods wesen, dat alre wesen overwesen is. Daer ontfallen si hen selvenin ene verlorenheit ende in onwetene sonder gront. Daer es alle claerheit wederboecht in deemsterheit, daer die .iii. persone wiken der weseleker enecheit ende sonder onderscheet ghebruken weseleker salecheit.Net als bij Eckhart is er in de menselijke ziel een zo groot mysterie dat God zijn Drievuldigheid achterlaat als Hij er naar binnen gaat. Hij gaat er binnen in zijn zalige Eénvoud en geniet daarvan, samen met de ziel. Maar toch staat hij het die ziel niet toe zich in Hem op te lossen.Dese salecheit es gode allene weseleec ende allen gheesten overweseleec. Want gheen ghescapen wesen en mach met gods wesene een sijn ende tegaen in hem selven. Want soe worde de creatuere god, dat onmoghelijc es.Waarom is dat eigenlijk onmogelijk? Nou:Want Gods wesen en mach menderen noch meerren. God is onveranderlijk. Als Hij toeneemt of afneemt is Hij God niet meer.Om dan de hele zaak weer lekker in de war te schoppen door eraan toe te voegen:Nochtan sijn alle minnende gheeste een ghebruken ende ene salecheit met gode sonder differentie.De liefhebbende geesten zijn één genieten en één zaligheid met God, en wel zonder onderscheid.Daar ziet Ruusbroec geen enkel probleem in,Want dat saleghe wesen dat gods ghebruken es ende alle siere gheminder, dat es alsoe sempel eenvoldech, dat daer en es noch vader, noch sone, noch heileghe geest na persoenleken onderscede, noch ghene creature.Wat God eigen is krijg jij als vrije gave. Wat Hij van nature heeft krijg jij in de vorm van zijn liefde geschonken. Zijn wezen is niet jouw wezen, maar wel jouw overwezen, zoals Ruusbroec het noemt. Het is niet vanzelfsprekend van jou, het is van jou omdat God het van harte aan je wil schenken. Hij wil zich met jou delen omdat Hij je bemint.God mag weten of dit alles uiteindelijk in technische zin veel verschil maakt. In India zal men zeggen van niet, omdat het hele probleem al vanaf het begin een illusie was. Ook kabbalisten zullen zich waarschijnlijk verbaasd afvragen waar die arme christenen zich zo druk over maken.Maar wij zijn christenen. Wij verstaan God als de Liefde zelf. En onze eigen diepste zelf liever niet als een vanzelfsprekendheid. Iets waar we recht op zouden hebben. Nee. Wij worden elk moment van ons bestaan uit liefde door de liefde aan onszelf geschonken. Dat is onze zaligheid en anders niet. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  15. 39

    Je handen druipen van het bloed!

    “Je handen druipen van het bloed.” In april 2026 had de paus niet duidelijker kunnen zijn in de richting van het Amerikaanse regime. “God wijst oorlog af. Niemand kan God gebruiken om de oorlog te rechtvaardigen,” zei hij. “Hij luistert niet naar het gebed van wie oorlog sticht. Hij verwerpt het en zegt: ‘Je kunt bidden wat je wilt, ik luister niet. Je handen druipen van het bloed.’”Vrijwel onmiddellijk verscheen er een van Donald Trumps beruchte tweets, doorspekt met woorden in schreeuwende hoofdletters. ‘ Paus Leo is ZWAK tegen de misdaad, en verschrikkelijk in zijn buitenlandpolitiek.’ Daarop volgde een onsamenhangende alinea in wappie-spraak over de Kerk en de coronamaatregelen en de opmerking dat de paus alleen zou zijn gekozen omdat hij Amerikaan was. Om Trump te paaien, nog wel.Dat was een wat hersenloze reactie van het niveau dat we van Trump zo langzamerhand wel kennen. ‘Ik hoef niet te klinken alsof ik erover heb nagedacht, want ik heb toch de macht.’ En dat terwijl er best inhoudelijke kritiek op de paus mogelijk zou zijn geweest. Ook veel christenen waren best geschokt door zijn woorden. De katholieke traditie denkt immers van oudsher helemaal niet zo zwart-wit pacifistisch als veel mensen denken.Het duurde dan ook niet lang voor een hele tros van Trumps conservatief-christelijke handlangers over elkaar heen buitelden om de paus daaraan te herinneren.Bijvoorbeeld Mike Johnson, de voorzitter van het huis van afgevaardigden. ‘Er is toch een complete katholieke theologie van de ‘rechtvaardige oorlog?’ riep Hij. Daar had hij gelijk in, maar daarmee vertelde hij de paus niks nieuws. Die heeft geen baptisten uit Louisiana nodig om hem dat uit te leggen. Hij is zelf nota bene een augustijn, dus een lid van de kloosterorde die vernoemd is naar de heilige Augustinus. En laat dat nou net de grondlegger zijn van die doctrine van de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog.’Dus waarom was de paus zo fel? De Amerikanen hadden de Iraanse machthebbers toch aangevallen om te voorkomen dat die kernwapens zouden krijgen. En toch ook om de bevolking de gelegenheid te geven om hun moorddadige regime omver te werpen. Dat was toch wel rechtvaardig genoeg, allemaal, of niet dan?Maar klinkt ‘rechtvaardige oorlog’ niet sowieso een beetje raar? Kan het ooit oké zijn in de ogen van God om massa’s mensen te vermoorden en de beschaving te vernielen? Aan de andere kant, wat dan weer als je je moet verdedigen? Dat moet toch mogen? En heeft Trump niet een beetje gelijk als hij zegt dat het niet zo’n goed idee is als een bloeddorstig stelletje islamitische fundamentalisten een atoombom krijgt? Maar hoever mag je dan gaan om dat te voorkomen?Hoe heeft de Kerk daar eigenlijk in de loop van de eeuwen over gedacht?Over Jezus zelf kunnen we kort zijn. Sommige geleerden beweerden vroeger wel dat Hij zelf een soort strijder was die met geweld het einde der tijden en Gods koninkrijk af meende te kunnen dwingen. Dat vergt alleen wel echt een vorm van hogere uitlegkunde - of inlegkunde, beter gezegd. Want de vier Evangelies schetsen echt een ander beeld. ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld,’ zegt Hij, en ‘zalig zij die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.’ Als Petrus probeert te voorkomen dat Jezus gearresteerd wordt en met een zwaard om zich heen begint te slaan zegt hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’En ook de vroege christenen lijken nog eeuwenlang echt radicale pacifisten te zijn geweest. En dat terwijl ze verder absoluut niet persé van die extreem vriendelijke types waren. Dat konden ze zich ook helemaal niet permitteren, want christen zijn was gevaarlijk en illegaal. Als je werd aangegeven kon je ervoor gemarteld en ter dood gebracht worden. Dat merk je dan ook gelijk aan de harde toon van veel van de geschriften die we uit die tijd nog hebben.Zo was bijvoorbeeld Tertullianus, uit de tweede eeuw, een meedogenloze fanaat, bij wie er voor afvalligen geen vergeving mogelijk was. Niet voor niks staat hij nergens op de heiligenkalender. Een Kerk die vergeeft is een Kerk die capituleert, vond hij. Vrouwen noemde hij de poort van de duivel en hij was tegen geleerdheid. ‘Wat heeft Athene te maken met Jeruzalem?’ zei hij. In die zin zou hij tegenwoordig zo in het Trump-kamp hebben gepast.Toch is hij glashelder als het op geweld aankomt. Voor hem kan een christen geen soldaat zijn.“Hoe moet een christen als soldaat oorlog voeren,” zegt hij. “Sterker nog, hoe zal hij zelfs in vredestijd dienen, zonder het zwaard? Maar dat heeft de Heer weggenomen!”Iets later leefde Origenes. Die had alle reden om wrok en agressie te koesteren, want toen hij zeventien was werd zijn vader door de Romeinen ter dood gebracht omdat hij christen was. Toch was hij niet uit op wraak, maar juist radicale pacifist. Het Koninkrijk van God was aanstaande, en zou zonder geweld van christenen door God zelf tot stand worden gebracht.“Wij nemen niet meer het zwaard op tegen enig volk en wij leren niet meer de oorlog, want wij zijn vredestichters geworden door Jezus Christus, onze aanvoerder.”Hij hield die houding zijn hele leven consequent vol, terwijl hij voortdurend werd geconfronteerd met vijandigheid en agressie. Uiteindelijk stierf hij, gebroken door afschuwelijke martelingen, onder keizer Decius.Maar dan, in de vierde eeuw, verandert er iets. Constantijn de Grote, de Romeinse keizer, maakt het christendom tot een legale religie. In de praktijk zelfs een religie waar je bij wil horen als je in zijn maatschappij iets wilt bereiken. Geen wonder dat massa’s mensen zich laten dopen, en dat de ongenaakbare martelaarscultuur van types als Tertullianus en Origenes al snel verdampt in de Kerk. Maar dat levert een levensgroot probleem op. Want het maakt de Kerk, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor de politieke cultuur van het Romeinse Rijk. Als keizers ten strijde trekken met het kruisteken op hun banieren moet de Kerk daar wat van vinden, linksom of rechtsom.Dat de Kerk door haar nieuwe, bevoorrechte status meer pragmatisch werd, werd al snel duidelijk. De synode van Arles, een grote kerkvergadering helemaal aan het begin van deze periode, besliste al gelijk dat christenen in het vervolg het leger in mochten. Ze moesten alleen wel boete doen als ze ook daadwerkelijk bloed vergoten. Een ongemakkelijk compromis, zo te horen. Om niet te zeggen hypocriet.Het was de heilige Augustinus van Hippo die aan het begin van de vijfde eeuw de theologie op het gebied van oorlog en geweld meer vlees op de botten gaf. De vragen die hij moest beantwoorden waren hele andere dan die van Tertullianus. Het ging niet meer over christenen die vervolgd werden, maar over christenen die de macht hadden. Die de heersende beschaving droegen en in stand hielden onder druk van vijanden van buiten en verrotting van binnen.In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten, en zelf was hij bisschop in Noord-Afrika. Daar werden de Romeinse steden dan weer voortdurend bedreigd door de legers van de Vandalen.Dat leverde allemaal hele concrete, praktische vragen op. In hoeverre mogen christenen zich in zo’n situatie met geweld verdedigen? Augustinus’ ideeën waren dus geen vluchtige theorietjes die op een lome zomernamiddag vrijblijvend aan elkaar gefantaseerd waren. Het waren acute dilemma’s. Augustinus zou uiteindelijk zelf sterven in een belegerde stad. Niet alleen hij lag in doodsstrijd, zijn bisschopsstad Hippo ook. Een paar maanden na zijn dood zou het worden ingenomen en van de kaart geveegd.In zo’n wereld was het voor Augustinus niet houdbaar elke vorm van oorlog rücksichtslos te veroordelen. Dat deed hij dan ook niet. Voor hem was de vraag niet meer: ‘Mag ik als christen vechten?’ maar: ‘wat leeft er in mijn innerlijk terwijl ik vecht?’Hij schrijft: ‘De zucht om kapot te maken, de wreedheid van het wraak nemen, de onverzoenlijke en onverzadigbare geest, de losgeslagen opstand, de lust om te overheersen en al dat soort dingen: dát is wat in oorlogen moet worden veroordeeld.’Vooral die ‘lust om te overheersen,’ de Libido Dominandi, wordt daarbij een sleutelbegrip. Als die in het spel is, wordt het moeilijk een oorlog als terecht te betitelen. Dat maakt het voor oorlogszuchtige naties al gelijk weer lastig om zich met dit soort theologie in de hand te rechtvaardigen.Die zucht naar overheersing speelt - naast de honger naar gebiedsuitbreiding en rijkdom - immers bijna altijd wel een rol bij het uitbreken van oorlog. Vrome praatjes over het beschermen van de wereld tegen chemische of nucleaire wapenarsenalen of het redden van een onderdrukte bevolking van een wreed regime bedekken meestal een hele andere agenda. Een agenda die is opgesteld in de onderbuik van de machthebbers.Verder vond Augustinus het ook belangrijk dat niet zomaar iedereen het recht had oorlog te voeren. Dat kon alleen op basis van een wettig gezag. Dat gezag is door God gegeven om de vrede in de schepping te bewaren. “De natuurlijke orde, die op vrede is gericht, vereist dat het gezag en de beslissing om oorlog te voeren bij de vorst berusten,” schrijft hij daarom.De losse ideeën over de rechtvaardiging van oorlog uit Augustinus’ werk kregen op den duur een enorme invloed in het christelijke Westen. Uiteindelijk belandden ze ook in de officiële wetgeving, maar dat gebeurde pas in de twaalfde eeuw. Toen werden ze in het decretum van Gratianus opgenomen, zeg maar het toonaangevende kerkelijke recht van die tijd. Nog iets later leefde de heilige Thomas van Aquino, die het denken over oorlog en vrede in een verfijnd systeem paste. Dat deed hij trouwens met heel de waarneembare werkelijkheid. Hij had, met andere woorden, ook last van een Libido Dominandi, een lust om te beheersen. Of misschien was het in zijn geval eerder een Libido Ordinandi, een zucht om te catalogiseren. In ieder geval ontsnapte ook de oorlog niet aan zijn aandacht. Hij benaderde het probleem met de nuchtere droogte die we van hem kennen:“Om een oorlog rechtvaardig te maken zijn er drie dingen nodig: ten eerste het gezag van een vorst, op wiens bevel de oorlog gevoerd moet worden. Ten tweede een rechtvaardige aanleiding, namelijk dat diegenen die worden aangevallen het daar door hun eigen schuld zelf naar gemaakt hebben. Ten derde dat het doel van de oorlogvoerenden juist is: gericht op het bevorderen van het goede of het bestrijden van het kwade.”Thomas systematiseert wat bij Augustinus nog los op concrete situaties gericht was. Hij poneert drie heldere criteria. Oorlog kan alleen rechtmatig worden gevoerd door de soevereine vorsten van naties, waarvan hij geloofde dat hun gezag door God gegeven was. Verder is oorlog nooit een doel op zichzelf. Het is een middel tot vrede, een geordende rust. Dat is kenmerkend voor Thomas. Bij hem is altijd alles gericht op orde. Ordenen was zijn ding. In feite bestaat heel zijn werk eruit om hemel en aarde - aan de hand van Aristoteles - te ordenen. Hij zou tot patroon van de autisten verklaard moeten worden. Enfin, dat terzijde.Zijn werk zette ondertussen wel de kroon op de traditie van de Bellum Iustum, de “Rechtvaardige Oorlog,” die met het werk van Augustinus was begonnen. Er lag in het vervolg een overzichtelijke, heldere kerkelijke leer over oorlog en vrede. Dat was, achteraf, geen zegen. Zoals het er stond was de regel veel te kwetsbaar voor misbruik. Het was voor christelijke naties wel erg makkelijk geworden geweld te rechtvaardigen. Hun Libido Dominandi was op geen enkele manier overwonnen of zelfs maar milder geworden. Alleen verstopt onder een enorme berg mooie spreuken.Dat begon echt heel storend op te vallen nadat het nieuwe continent Amerika was ontdekt. Dat gebeurde door de Spanjaarden. Die waren weliswaar officieel zo ongeveer de katholiekste natie ter wereld, maar ze maakten er geen christelijk schouwspel van. Onder het mom van het verspreiden van het Evangelie en het bestrijden van het heidendom zaaiden ze dood en verderf onder de inheemse bevolking, de Azteken.Nou was dat heidendom van die Azteken wel - de eerlijkheid gebiedt het te zeggen - een van de meest bloeddorstige religies die de wereld ooit gezien heeft. Mensen offeren was voor hen geen bijkomstigheid, maar het hart van hun hele kosmologische orde. Zonder mensenoffers geen zonsopgang. Maar de manier waarop de Spanjaarden daar een eind aan maakten had niks te maken met geloofwaardig christendom. Moorden in naam van het leven is trouwens altijd een rare manier van doen.Nou is het zo dat juist de zwartste bladzijden uit de menselijke geschiedenis soms enorm vruchtbaar worden gemaakt door diegenen die het niet kunnen aanzien. En zo ging het ook nu weer. Spanje was in die tijd een natie vol kloosters. Daarin lag een enorme kracht ten goede verborgen. Zowel de dominicanen als de jezuïeten zouden in de drie eeuwen daarna hun uiterste best doen om de Spaanse bezetters van Zuid-Amerika tot medemenselijkheid te dwingen. Voor ons onderwerp van vandaag zijn twee dominicanen uit Salamanca het meest relevant. Zij vonden in feite het internationale recht uit.De eerste was Francisco de Vitoria, die zonder omhaal van woorden zei: “Er is maar één en één enkele aanleiding tot een rechtvaardige oorlog: dat er onrecht is aangedaan.” En: “Verschil in godsdienst is géén reden voor een rechtvaardige oorlog.” Daarmee zette hij een streep door een hele reeks reflexen die iedereen tot dan toe doodnormaal had gevonden. Weg met kruistochten, weg met oorlogen over reformatie en tegenreformatie. En ook nieuw: inheemse volkeren zijn mensen met rechten, of ze nou gedoopt zijn of niet. Al die dingen ontmaskerde hij voor wat ze waren: voorwendsels voor het uitleven van hebzucht en de lust om te overwinnen.Maar hij trok ook ten strijde tegen zaken die wij ook nu nog om ons heen zien gebeuren. In zijn boekje was niet alleen geen ruimte meer voor godsdienstoorlogen, maar ook niet meer voor preventieve oorlogen. De tweede Irak-oorlog en de oorlog van Trump tegen de Perzen zou hij zonder meer hebben afgekeurd.Alleen een werkelijk geleden onrecht rechtvaardigt gewapend optreden. Maar ook dan gelden er beperkingen.“Als het,” zo schrijft hij, “nodig zou zijn om grotere rampen te veroorzaken dan het goed dat hersteld moet worden is het niet geoorloofd een oorlog te beginnen.”Daarmee introduceerde de Vitoria het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel, nog steeds een van de pijlers onder het moderne humanitaire oorlogsrecht.Een medebroeder van hem die net een generatie later leefde, Francisco Suárez voegde daar nog het principe van de ultima ratio aan toe. Oorlog is alleen geoorloofd als alle andere middelen zijn uitgeput. Zo legde hij de basis voor wat onze eigen Hugo de Groot later verder zou uitwerken. Die gaf er ook voor het eerst expliciet de naam volkerenrecht aan.Het internationale recht is dus geboren uit de moraaltheologie van twee Spaanse priesters. Dat je het maar even weet. Knoop het in je oren. Lekker puh.Maar toen kregen we dit: [beelden van de loopgraven]en toen dit: [paddestoelwolk].Oorlogsrecht heeft alleen maar zin als een oorlog beheersbaar blijft. Als de middelen in verhouding staan tot het doel. Dat er een onderscheid kan blijven worden gemaakt tussen soldaten en burgers. De twintigste eeuw maakt dat alles definitief onmogelijk.Eerst kregen we de loopgraven, machinegeweren en gifgasaanvallen van de eerste wereldoorlog. Om maar eens iets te noemen: bij de slag om de Somme stierven op één dag zestigduizend Engelse soldaten. Dat maakt het proportionaliteitsbeginsel in één klap tot een absurditeit.En dan krijgen we de tweede wereldoorlog met zijn luchtbombardementen en uiteindelijk zijn atoombommen. Wat er met steden als Rotterdam en Dresden gebeurde was al ruim voldoende om de logica van alles hiervoor uit zijn voegen te drukken, maar Hiroshima en Nagasaki zetten er wel echt een vette punt achter.Atoombommen maken geen onderscheid en hebben ook geen menselijke proporties. Per definitie niet. Alles houdt daar op.En daaruit trok de Kerk haar conclusies. Johannes XXIII hield geen enkele rekening meer met de traditie van de rechtvaardige oorlog toen hij in 1963 zijn encycliek Pacem in Terris over de vrede in de wereld schreef. Hij schreef:“Dit tijdperk beroemt zich op haar atoomkracht. Daarom is het niet te verenigen met het verstand om oorlog nog als een geschikte manier te beschouwen om geschonden rechten te herstellen.”Twee jaar later gooide het Tweede Vaticaanse Concilie daar nog een schepje bovenop.“Elke oorlogshandeling die zonder onderscheid gericht is op de vernietiging van hele steden of uitgestrekte gebieden met hun inwoners is een misdaad tegen God.”En zo zijn we weer bij ons uitgangspunt terug. Want zo denkt de Kerk er nog steeds over. Op dit moment hebben we paus Leo XIV, een augustijn. Hij is dus lid van de kloosterorde die de regel heeft van de heilige augustinus, nota bene de grondlegger van de leer van de rechtvaardige oorlog. Maar ook Leo gelooft daar niet meer in. Op Palmzondag 2026 zei hij letterlijk:“Dit is onze God: Jezus, Koning van de Vrede, die oorlog verwerpt en die door niemand gebruikt kan worden om oorlog te rechtvaardigen. Hij luistert niet naar de gebeden van hen die oorlog voeren, maar wijst ze af en zegt: ‘Zelfs als jullie nog zoveel bidden, ik luister niet: jullie handen zitten onder het bloed.’”Met andere woorden: De rechtvaardige oorlog-traditie was al niet uitgevonden om oorlog te rechtvaardigen, maar juist om oorlog te begrenzen — en de vraag is of die begrenzing in het atoomtijdperk nog mogelijk is.Goed, Jullie weten wel dat ik een hekel heb aan het vermengen van godsdienst en politiek, en dat ik het eigenlijk alleen wil hebben over zaken waar we zelf ook invloed op hebben. Zaken van innerlijke aard, bovendien. Ik heb dan ook wel even geaarzeld of ik deze materie überhaupt bij de horens moest vatten. Maar ook jij en ik hebben in deze wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid.Waar Augustinus tegen tekeer ging was niet het zwaard zelf, maar de geest erachter: de libido dominandi, de lust tot overheersing. En die wordt niet geboren uit abstracte naties en zelfs niet primair uit losgeslagen politici. Zowel onze vlag, onze nationale identiteit als onze heersers worden geboren uit onszelf. Het karakter van de wereldpolitiek wordt uiteindelijk bepaald, niet eens alleen door wie wij kiezen, maar vooral ook door wie wij bewonderen en wat wij dan precies in die mensen bewonderen. De eigenschappen waar wij in onze leiders tegenop kijken zijn een spiegel van wat er leeft in ons eigen hart.De Libido Dominandi, de overheersingslust van figuren als Donald Trump en Vladimir Putin is een gevolg van hoe zij denken de bewondering van anderen op te wekken.Wat zich in het groot manifesteert is vrijwel altijd een projectie van wat zich aan de grond, tussen kleine mensen, beweegt. Daarom moeten we ons afvragen: hoe zit het eigenlijk met mijn eigen Libido Dominandi, mijn overheersingslust? Hoe wil ik eigenlijk dat mensen tegen mij aankijken? En wat bewonder ik eigenlijk in anderen? Is dat eigenlijk wel het juiste? Want wat voor gedrag lok ik daarmee in die anderen uit? Is dat eigenlijk wel altijd dat wat ik zeg dat ik bewonder en wil? Of ben ik eigenlijk veel primitiever dan ik denk?Om daar de vinger achter te krijgen heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, een bedevaart naar je eigen innerlijk. Dat doe ik vanaf nu in een aparte video. Die vind je als het goed is al op een kaart die nu in beeld is, en ik zal hem ook in de beschrijving zetten. Graag zie ik jullie daar, en voor de rest: Ga en leef! En bewonder de vrede, in plaats van de oorlog. ook in je eigen leven. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  16. 38

    God Renoveert

    Pater Hugo legt de wonderlijke sequentie van Beloken Pasen uit.Vanwege de feestelijkheden biedt pater Hugo deze preek gratis aan aan al zijn volgers. Vind je dit nou mooi, overweeg dan eens (als je dat nog niet gedaan hebt) hem hier te steunen met een bescheiden abonnementje van slechts zeven euro per maand. Met dat luttele bedragje doe je een wereld van goed en je hebt er nog plezier van ook:* Je maakt gehakt van de eenheidsworst in de Kerk door dit soort originele types te steunen. En dat is heel katholiek. Of je het nou altijd met hem eens bent of niet, de wereld heeft nood aan zoiets geks als progressieve tridentijnse priester-kluizenaars. Hem faciliteren betekent ook automatisch het mee overeind houden van een veilige plek in de Kerk. Hij trekt immers drommen jongeren aan aan wie hij een geborgen midden biedt tussen alle extremen die tegenwoordig zo in de mode zijn. * Elke maand de kans om (online) unieke live-sessies met hem mee te maken, waarin hij rare middeleeuwse teksten over de onmiddellijke ervaring van God ineens heel begrijpelijk maakt. Hij kiest daarbij niet alleen de brave, maar ook de ketterse. Zo blijft het altijd spannend. Hij heeft voor dat werk een degelijke opleiding aan de Katholieke Universiteit van Leuven gehad, maar toch wordt het zelden schools.* En je krijgt dit soort preken die je anders mist, met een inslag die nergens anders te krijgen is. Hij vertrekt altijd vanuit de directe innerlijke ervaring en zelfs als hij een zweverige bui heeft is hij vaak nog steeds tegelijk ook onderhoudend. En begrijpelijk, vreemd genoeg. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  17. 37

    Wegkruipen in Christus' wonden

    Ik wil Jezus’ wonden niet alleen aanraken. Ik wil er doorheen kruipen. Me er instorten, erin rondspartelen, eruit drinken, me erin verstoppen en uiteindelijk erin verdwijnen. Ben ik nog goed bezig, of rijp voor een inrichting?Dat ga ik in deze video samen met jullie uitvogelen met mijn verstand. Aan het einde gaan we ook nog even proberen om met een geestelijke oefening een beetje over dat verstand heen te koekeloeren.(intro)Het is net Pasen geweest, en we worden overspoeld met video’s van jongeren die zich laten dopen. Hun ouders snappen daar meestal niks van. Het waren immers weer hún ouders die het christendom hebben laten vallen. Ze zijn dus opgevoed met het idee dat religie bekrompen en dom is. En vreselijk saai ook vooral. En de katholíeke religie is wel het meest bekrompen en het domste en het saaiste van allemaal. Zij is tegen de wetenschap, tegen vooruitgang, tegen genieten, tegen het avontuur, tegen creativiteit, tegen seks en tegen het lichaam in het algemeen. Toch?Maar als je zo’n doopvideo ziet zit je niet te kijken naar iemand die zich onderwerpt aan een burgerlijke formaliteit die je lid maakt van een conventionele club van simpele zielen. Wat je ziet en wat zich tegelijk aan je oog onttrekt is iemand die zich met Christus laat verzuipen in de oervloed van chaos en dood om daar nieuw en herboren weer uit te kruipen. En zo is het hele katholieke geloof zoals het bedoeld is. Lichamelijk. Plastisch. Blubberend en bloedend, zwetend en zwoegend, bottend en spruitend. Gevaarlijk. Totaal sereen, maar allesbehalve steriel. God wordt mens. In eerste instantie in Jezus Christus, maar in tweede instantie - door Hem - in jou. God maakt zich vies om jou schoon te wassen. En dat gebeurt niet door aan Hem te denken, een liedje over Hem te zingen, een boekje over Hem te lezen en een gebedje te plegen, maar door jouw wonden tegen de zijne aan te leggen, je met Hem te vermengen, zijn Vlees en Bloed te drinken en zijn Geest door je neusgaten je longen in te zuigen.Dat heeft Hij tijdens zijn korte leven hier op aarde ook heel duidelijk gemaakt. Geboren in een ranzige stal was Hij ook verder nooit bang ergens mee besmet of besmeerd te raken. Hij raakte mensen gretig aan, of ze nou frisgewassen waren of onder de zwerende bulten zaten. Hij genas mensen door ze zijn spuug in de oren, in de ogen of in de mond te smeren. Uiteindelijk liet Hij zich slachten en door de mensen opeten, en dat doet Hij tot op de dag van vandaag.Als je dit soort taal en de werkelijkheid die zich daarin verbergt schokkend en onsmakelijk vindt ben je niet de enige. Maar de waarheid is dat ik tot nu toe in dit filmpje nog voorzichtig ben geweest. Het oude, authentieke christendom van voor de reformatie en de jaren zestig is nou eenmaal niet voor iedereen. Enfin, vanaf hier gaat de rem er helemáál af. Dus als je katterig wordt van katholiek kun je beter naar een kattenfilmpje gaan kijken, of zo.We beginnen met Thomas. Niet de dertiende-eeuwse wijsneus, maar de apóstel Thomas. Dus een van de twaalf voornaamste leerlingen van Jezus. Als Jezus na zijn dood en verrijzenis voor het eerst aan die apostelen verschijnt, is Thomas er niet bij. En hij gelooft er geen snars van. Hij vertikt het. Hij is, na alles wat er is gebeurd, wel genoeg kapot. Hij heeft alles wat hij had eraan gegeven en zijn familie en vrienden achtergelaten om Jezus te volgen. Hij was er tot nu toe diep van overtuigd geweest dat die de Romeinen Israël uit zou timmeren en in Jeruzalem een nieuw koninkrijk zou vestigen. Hoe heeft Hij zo achterlijk kunnen zijn? Hij schaamt zich kapot. Hij kan zichzelf niet aankijken in de spiegel. En tegelijk mist hij die man ook nog eens verschrikkelijk, ook al was het duidelijk een bedrieger en een dwaallicht. Zoals iedere idioot had kunnen zien aankomen, trouwens. Maar wel een betoverend dwaallicht. Thomas vervloekt Hem, maar zou er tegelijk alles voor over hebben om Hem terug te krijgen. Om alles weer terug te krijgen zoals hij het drie weken geleden nog had. Zo dichtbij, maar verder weg dan de maan. Een tantaluskwelling. Iets waar je met heel je wezen naar snakt, maar waar je nét niet bij kunt en ook nooit zúlt kunnen.Hij zit er dan ook niet op te wachten om zijn rauwe emoties als toetje nog eens bloot te stellen aan de waanbeelden die nu duidelijk begonnen op te komen bij de andere leerlingen. Zijn hoop was al genoeg teleurgesteld. Of tot pulp vermalen, zou je beter kunnen zeggen. Letterlijk. Op het kruis.Aan de manier waarop hij die gevoelens formuleert zie je precies zijn scherpe mensenkennis. Hij wéét hoe overtuigend fantasiebeelden kunnen zijn, hoe écht ze kunnen overkomen. Hij heeft dat immers net zelf meegemaakt, jaren achter elkaar. En nu worden die illusies bij de andere apostelen ook nog eens gevoed door het hartstochtelijke verlangen dat diepe rouw met zich meebrengt. De rouw die hij zelf ook voelt. Daarom trekt hij de enige grens die geen drogbeeld kan passeren: ‘als ik niet in zijn handen het litteken van de spijkers zie en niet mijn vinger kan leggen op de plek van de spijkers en mijn hand mag leggen op zijn zijde, zal ik echt niet geloven!’En dan is daar inderdaad plotseling weer die Jezus. Hij verschijnt niet alleen, Hij ontplóft als het ware in het gezicht van Thomas. Hij zegt: kom hier met je vingers en raak mijn wonden aan. Kom hier met je hand en leg die in mijn doorstoken zijde. Ongelooflijk en onvoorstelbaar! Niet te bevatten. Maar wél te vátten, letterlijk. Thomas doet wat Jezus hem zegt. Hij raakt Hem aan en dringt dieper in Hem door dan ooit tevoren.Want is het eigenlijk niet gek dat Jezus die wonden überhaupt nog heeft? Zou het niet logischer zijn geweest als die met de dood uit Jezus’ lichaam waren weggetrokken en verdwenen? Als Jezus zelfs de dood kan doden, hadden dan ook niet zijn wonden moeten sterven?Lijden gaat voorbij, maar geleden hebben blijft, lijkt hier gezegd te worden. En in Jezus’ geval is dat lijden duidelijk een bron van genezing en overwinning geworden. Die wonden zijn daar niet alleen de eretekens van geworden, maar ook de bronnen waaruit Thomas zijn geloof en zijn zelfrespect terugkrijgt. ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort,’ heeft diezelfde Jezus gezegd. En Hij heeft de daad bij het woord gevoegd. Hij heeft zichzelf opengebroken en op de aarde laten vallen om zich als voedsel te geven en bloei en leven te brengen.Hem niet aan te raken, Hem niet binnen te dringen en te eten en te drinken en te spreken en te leven zou Hem pas echt tekortdoen. Zijn lijden en sterven verspillen en zijn offer afwijzen.Daar hebben wij postmoderne mensen echt weer iets te leren. Iets wat wij wel ooit geweten hebben, maar waarvan wij vervreemd zijn. Ons vervreemd hébben. Namelijk: lichámelijk te zijn. De middeleeuwers hadden daar geen moeite mee. Die wilden ook wel graag naar de hemel, maar hadden geen moment de illusie daar al te zijn of die hier op aarde met menselijke handigheid te kunnen bouwen. Ze waren wel veel schoner en mooier en ontwikkelder dan ze vaak worden afgeschilderd, maar ze moesten die schoonheid en properheid voortdurend aan de materie ontworstelen.Daarom vertrouwden ze ook alleen heiligen die niet alleen geestelijk waren, maar net als zijzelf hun heiligheid hier op áarde hadden moeten bevechten op bloed en zweet en stront en tranen. Die die lichamelijkheid uiteindelijk wel vol vertrouwen hadden losgelaten in de handen van God, maar pas nadat ze die tot de laatste druppel snot en de laatste rimpel en de laatste reutelende zucht hadden uitgeknepen. Met achterlating van hun beenderen als bewijs daarvan. Die de middeleeuwers dan ook niet voor niks vol respect bewaarden in gouden schrijnen, gezalfd en met de geur van heiligheid omkranst. ‘Zalig zij die niet zien en toch geloven,’ zei Jezus, nadat Thomas Hem had aangeraakt en omhelsd. Dat klinkt als een verwijt en een ontkenning van de hele zin van dit verhaal. Ook klinkt het als onverstandige flauwekul. Flauwekul waar de meeste christenen met open ogen instinken, ook nog. Als een oproep om onkritisch te vertrouwen op mooie praatjes. Want dat is wat de Bijbel is, en zelfs het verhaal van Jezus: een pak mooie praatjes. Als ze niet in de aarde vallen en sterven brengen ze geen vrucht voort.Daarop te vertrouwen als ze verder in je eigen leven, je eigen lichamelijke leven afwezig blijven is niet alleen naïef, maar ook gewoon tragisch. Dan eindig je precies in de situatie van Thomas: als belachelijke leerling van een vermoorde sekteleider. En dan zonder het verlossende einde.In de hemelse zaligheid zullen wij ons koesteren in ons vertrouwen op God zonder dat wij ook maar iets verlangen te zien of te horen. Want die dingen doen er daar niet meer toe. Niet voor niets lees je niks als paradoxen als een van de grote mystici zijn directe ontmoeting met God beschrijft. Die gaat alle zintuigen te boven. Die hoeft je ook niet meer te overtuigen of je vertrouwen te winnen. Daarom smeren verhalen daarover alle zintuigen door elkaar.In de hemelse zaligheid ben jij niet alleen van God, maar is God ook van jou. Daar ben je zalig zonder voorbehoud en vol vertrouwen zonder te zien.Hier op aarde kan God niet anders dan ons tegemoet komen in ons dierlijke verlangen te zien, te horen, aan te raken, in te drinken, op te vreten, te voelen en te ruiken. Dat is waarom de Kerk er is, waarom de sacramenten er zijn, waarin God ons zichzelf te proeven en te voelen en te horen en te ruiken geeft. Dat is waarom Hij mens geworden is, Beeld van God. En af té beelden, uit te hakken, uit te pakken en voor te stellen. Eerst, om te oefenen, in hout en steen. Dan, bezielder al, in brood en zalf en water. Daarna uitgekneed en ingehakt in méns. In jóu.Daarom zegt Hij tegen Thomas: kom hier met die nieuwsgierige vingers van je. Steek ze in mijn handen, leg ze in mijn zij. Doe je ogen open, en je oren. Ik wil er mijn spuug in smeren. Mijn leven en mijn Woord, mijn vorm.Tegelijk is al dat verbeelden, dat smeren en verteren, niet het einddoel. Het is een middel, een tussenin, een etappe. Net zoals de Kerk ook geen einddoel is, maar een middel, een tussenin, een etappe. In de hemel is geen Kerk zoals wij die ons voorstellen. Die is daar nergens voor nodig. Daar ontmoeten wij God zonder onderscheid.Daarom zegt Christus tegen Maria Magdalena: houdt mij niet vast, want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader en jouw Vader. Naar daar waar we zullen geloven zonder te zien. Zonder te voelen, te ruiken, te horen. Hij laat zich krijgen door onze stof en onze zintuigen. Hij duikt daarin. Maar niet om daar in bewaring te worden gehouden. Hij komt ons daar tegemoet om ons van de bodem ervan af te trekken en ons eruit op te tillen. Niet om het af te wijzen en te vervloeken, maar om het open te laten bloeien en te verheerlijken en nieuw te maken. Mee te nemen naar zijn Vader en jouw Vader.Maar nu nog niet.We gaan oefenen.Sluit je ogen. Geen haast. Dit is geen puzzel die je moet oplossen, maar ruimte die je je simpelweg even mag gunnen.Voel je eigen gewicht. De zwaarte van je lichaam op de stoel of op de grond. Dat je ergens op rust - dat er iets onder je is. Dat de bodem je draagt, en dat al deed voor je er wat van wist. Merk op dat je dat vergeet, bijna altijd. Dat je gedragen wordt zonder dat je erom vraagt. Dat het er gewoon is.Nu ga je naar je handen. Je hoeft er niks mee te doen, laat ze maar gewoon liggen. Voel de warmte die ze hebben, of juist niet. Misschien voel je je hartslag in je vingertoppen, als je geduld hebt om het op te merken. Raak met je duim het topje van je wijsvinger aan. Heel licht. Voel de huid op de huid. Dat je materie bent die zichzelf kan aanraken.Dit is waar het begint. Niet daarboven. Niet in een idee. Hier, in het feit dat je een lichaam hebt en dat dat lichaam er is, nu, en warm, en zwaar, en tastbaar.Stilte.Bewustzijn.Blijf waar je bent, in dat voelen van je handen, je gewicht, je warmte. Merk je dat jíj het bent die dit opmerkt? Dat er in jou iemand kijkt? Iemand die de warmte niet alleen voelt, maar weet dat hij voelt? Die het gewicht niet alleen draagt, maar er getuige van is?Alsof er in je lichaam een open ruimte is - een blik, een aandacht - die nergens vandaan komt en die je niet kunt pakken. Die er gewoon is, net zoals de grond onder je er gewoon is.Neem dat gewoon eens een tijdje waar. Niet met veel inspanning. Eerder zoals je kijkt naar iets wat je al een tijdje in het oog had, maar nu pas echt ziet. Dat je niet alleen bestaat, maar dat je ook wéét dat je bestaat. Dat je niet alleen raakt aan dingen, maar dat je ook getúige bent van die aanraking. Dat het zijn waaraan je net voelde een bewustzijn in zich draagt dat er niet door jou is ingelegd. Het was er al.Zoals het licht er al was voordat je je ogen opendeed.Zaligheid. Vrijheid.En nu het lichtste. Houd niets van dit alles vast. Niet het gewicht, niet de warmte, niet de aandacht, niet het weten. Laat het zijn wat het is - maar losjes.Zoals je een pasgeboren kind vasthoudt: stevig genoeg om het niet te laten vallen, maar zonder het te claimen. Het is niet van jou. Het is je toevertrouwd.Merk op — en je hoeft er geen naam aan te geven — dat het loslaten geen verlies is. Dat er onder het vasthouden en het weten nog iets of iemand anders is, iets dat je niet kunt beschrijven, maar dat aanvoelt als ruimte. Ruimte die van harte voor je openstaat.Ruimte die al gelukkig is voor je er zelf aan toekomt. Je hoeft haar niet te verdienen en al helemaal niet te bevechten. Ze hangt niet af van wat je voelt, maar ze draagt je voelen en koestert het en maakt het nieuw.Je hoeft die ruimte niet te bereiken. Je bent daar al.Het enige wat je kunt doen is ophouden haar tegen te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  18. 36

    Pasen is het belangrijkste feest van het jaar

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  19. 35

    Moet dat nou?

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  20. 34

    God wordt Brood

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  21. 33

    De Nacht waarin God Zwijgt

    Zo kennen wij dat wel. Die God is nogal eens nergens te bekennen, juist als je het benauwd hebt. ‘Waar is die God van jou?’ denk je dan. ‘En wat voor een Vader is dat?’Het is de avond van Witte donderdag. Jezus ligt, in de steek gelaten, in het donker in een verlaten tuin te bidden. Hij is doodsbang. Morgen zal Hij afschuwelijk worden gemarteld en vermoord, en Hij wéét dat. “Laat het aan mij voorbijgaan!” schreeuwt Hij uit, tot God die Hij zijn Vader noemt. Maar die zogenaamde Vader zwijgt, in alle talen.Dat lawaaierige zwijgen is de stem van de wanhoop waartegen Jezus hier aan het vechten is. En Hij dreigt dat gevecht te verliezen. Hij is maar een mens.Maar dan, juist als Hij breekt, welt er een ander gebed uit Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.Ik wil ook een engel om mij te troosten, als ik bang ben, of ziek, of als ik het echt niet meer weet. Hoe heeft Jezus die naar zich toe gelokt? En is dat alleen weggelegd voor mensen die stiekem tegelijk ook God zijn, of ook voor ons?In deze video leg ik je uit wat hier gebeurt, en aan het einde geef ik je weer, net als vorige week, een oefening. Die gaat je niet in een vingerknip in een lichtgevend spook of een vliegende non veranderen, maar je wel helpen ruimte te maken voor wat het Heilige in jou zou kunnen doen. En dat zou je een enorme hoop benauwdheid kunnen schelen, als puntje bij paaltje komt. Enfin, aan het werk.(Intro)Welke vader laat zijn Kind nou zó alleen? Om niet te zeggen: welke vader loopt zijn eigen Kind nou zó te martelen? Want God laat Jezus niet alleen in de steek - en ook nog eens precies dán wanneer het er het meest op aankomt. Hij onttrekt Hem actief zijn troost.Want dat zijn Zoon door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten, wordt bespuugd, wordt vernederd, wordt kapotgeslagen, wordt gekroond met doornen, wordt spiernaakt en krijsend aan een kruis getimmerd is duidelijk de wil van zijn Vader. Zelfs dat zijn moeder daarbij staat te kijken en niks kán - en dat Hij dat dan weer ziet, hoe haar hart met Hem sterft - dat is duidelijk de wil van zijn Vader. Dat zij zijn bloederige vel zonder ziel in haar schoot geworpen krijgt - dat is de wil van de Vader. Over dat alles is de traditie heel duidelijk.Het hele verhaal is niet te snappen. Want was die Jezus Christus niet zélf van goddelijke natuur? Hoe kan God zichzelf smeken om Hem te komen redden en dan ook nog eens niet verhoord worden? Niet mijn wil, maar uw wil geschiede? Wat?En dan uiteindelijk aan dat kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hoe?Laten we, om niet alleen Jezus Christus, maar ook onszelf iets beter te begrijpen, maar even een stapje terugzetten.Wij mensen zijn het meeste mens als wij liefhebben. We hebben het vaak niet eens in de gaten, maar meer nog dan zelf gelukkig zijn maakt het gelukkig maken van anderen ons gelukkig. De mensen van wie wij houden. De wereld waarin wij leven.Maar die wereld werkt daar niet automatisch in mee. Soms lijkt het wel alsof ze er zelfs op uit is om zoveel mogelijk van ons zo snel mogelijk de dood in te jagen, liefst op een gruwelijke manier. Ziekten, aardbevingen, hongersnoden, het houdt nooit op.Wijzelf werken trouwens ook niet zomaar mee. Zelfs als we van goede wil zijn gedragen we ons nogal eens heel egoïstisch, ten koste van iedereen om ons heen. Of het nou om geld, aandacht, eten, macht of seks gaat: het lijkt wel alsof we nooit verzadigd raken en nooit tevreden zijn.Er zijn wetenschappers die zich opwerpen als een soort moderne priesters. Die zeggen dat dat allemaal komt omdat de wereld geschapen is door een nogal koude godin en haar hulpje, die Toeval en Evolutie heten. Die hebben de zaken zo geregeld dat alles wat leeft van nature maar op twee dingen gericht is: zichzelf in stand houden en zichzelf kopiëren. Ten koste, desnoods, van alles wat daarbij in de weg loopt. Zij zeggen dat dat nou eenmaal zo hoort.Wij katholieken zeggen dat het helemaal niet zo hoort. Wij kijken zo graag naar alles wat er wél mooi en teder is aan de natuur en de mensheid. En menen daarin toch eerlijk, door alle ellende heen, iets van een oorspronkelijk idee van de schepping te kunnen zien.Sterker nog: we hebben er heimwee naar. Het is alsof we er al ooit waren, maar op drift zijn geraakt. We hebben trouwens ook heimwee naar onszelf, maar dan onszelf zoals we bedoeld zijn. Want we zijn niet zomaar vanzelf onszelf. Daar is een vorm van groeien voor nodig. Een vorm van groeien die lang niet altijd goed afloopt en die trouwens soms überhaupt meer op een oorlog lijkt.Want als we ons maar een beetje laten gaan beginnen we al snel wezenloos te graaien naar de behoeften die door het meest dierlijke in ons worden aangejaagd. Vreten, zuipen, neuken lijken het meest plat. Maar de voortdurende behoefte aan aandacht, eer, glorie en bevestiging is minstens net zo erg. En er zijn maar weinig van ons die dat zo wel prima vinden.Het lijkt wel alsof we, telkens als we niet willen doen waar we zin in hebben, maar wat we eigenlijk ten diepste willen, we onszelf geweld aan moeten doen. Dat merken we bijvoorbeeld wanneer we écht enthousiast worden over iets dat ons dieper raakt dan onze onderbuik. Wanneer we ons bijvoorbeeld verliezen in gitaar spelen of wielrennen, en ons helemaal te pletter trainen en repeteren.En vooral merken we het als we van iemand houden, en die willen verzorgen of voor ons winnen, redden of gewoon gelukkig zien worden.Dan zijn we ineens in staat om alles wat we lekker of gemakkelijk vinden compleet te vergeten. Dan zijn we ineens wél in staat om, dwars door pijn en ellende, over alle grenzen van ons welbehagen, onze eigenliefde en ons zelfrespect heen te denderen.Dat is precies wat hier gebeurt met die Jezus die in doodsangst in die tuin bloed ligt te zweten. Zijn vrienden, die Hij had meegenomen om Hem te troosten, waren in plaats daarvan keer op keer in slaap gevallen. Dat had zijn eenzaamheid eerder nog pijnlijker gemaakt. Maar Hij verwijt het hun niet. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak,’ zegt Hij, vergoeilijkend. Hij weet het, want Hij vecht in zichzelf tegen precies hetzelfde vlees.In Christus zijn twee willen met elkaar aan het vechten: de goddelijke en de menselijke. De wil tot zelfbehoud en de wil tot zelfgave.Zijn menselijke wil is bang voor het lijden en de dood, want zo is ze gemaakt en hoort ze te reageren. Zelfbehoud is de mens ingeschapen. Zelfs de meest volmaakte en heilige menselijke wil is afkerig van het lijden en de dood. Terecht. Want die horen helemaal niet te bestaan. Ze zijn niet geboren uit de wil van God maar uit de eigenwijsheid en het egoïsme van de mens en de scheefgroei van de schepping. Ze zijn uiteindelijk niet natuurlijk. Ze wortelen niet in Gods aanwezigheid - dus in het echte, het goede en het schone. Ze komen voort uit het ontbreken daarvan.In gewone mensentaal: ‘de mens hangt aan het leven,’ en dat is maar goed ook. Toch zegt Christus ook dat alleen die mens het meest volmaakt bemint die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Er is, met andere woorden, een zelfloze wil die de menselijke wil tot zelfbehoud te boven gaat.Als Christus dus in de Hof van Olijven uiteindelijk breekt en zegt: ‘Niet mijn wil, maar jouw wil,’ is dat stiekem geen falen, maar winnen. Zijn wil wordt Hem niet uit handen geslagen. Hij geeft die, heel bewust en uiteindelijk vrijwillig, aan de Vader. Hij brengt zijn menselijke wil actief in harmonie met zijn goddelijke wil.Dat is de wil om ons uit het diepst van onze ellende te komen wegtrekken, ook als Hij daarvoor alles wat Hij is, van zijn waardigheid tot zijn bloed, tot de laatste druppel moet uitgieten.Hij is geen mens geworden om te oordelen, maar om te redden. En wel door niet alleen vlees te worden, maar helemaal solidair met ons tot in het putje van onze ellende te kruipen. Christus wordt niet zomaar een mens, Hij wordt de Mens.Hij kan dat omdat Hij van ons houdt. En beminnen doe je niet met je gevoelens, maar met je wil.Pilatus toont ons dat kort en goed. Hij laat Jezus door zijn soldaten helemaal aan gort slaan, met doornen kronen en een spotmantel omhangen. In die toestand zet hij Hem op het balkon voor een woedende menigte en zegt, simpelweg: ‘zie de mens.’ Daarmee laat hij ze in de beste spiegel kijken die er maar mogelijk is. In Jezus’ toegetakelde gezicht zien ze het gezicht van hun eigen sadistische wreedheid, maar zonder dat ze het in de gaten hebben staan ze tegelijk te kijken naar het gelaat van zijn door en door liefdevolle wil. Die dit alles wil omdat Hij hen bemint.Heeft Hij zich immers niet juist tot op dat vervloekte balkon gewaagd om hen uit deze hel op te komen halen? ‘Vergeef hen, Vader,’ zegt Hij dan ook, ‘want ze weten niet wat ze doen.Even terug naar de donkere tuin op de Olijfberg. Wat gebeurt daar nou eigenlijk echt? De sleutel tot het hele verhaal is, dat de naam ‘Jezus’ ‘God is Redding’ betekent. In de hof van Olijven biedt Hij, biddend in doodsangst, zichzelf aan als Offer, als Gave. Dat wordt nogal eens verkeerd begrepen. Hij offert zich niet aan een wrokkige semitische onweersgod die toevallig ook nog zijn Vader is, en die Hem sadistisch mishandelt en vermoordt omdat Hij daar een soort satanisch genoegen aan beleeft. Hij offert zichzelf als medicijn voor de wrok zelf. Zijn uitgegoten Wezen geneest de wezenloosheid zelf.Hij geeft zich, letterlijk met vereende krachten. Hij doet zichzelf het uiterste geweld aan. Hij dwingt ten eerste om alle aspecten van zijn ziel, van de laagste tot de hoogste, één te worden.De laagste, de emoties, verlangens en driften, ballen zich samen tot wat wij het ‘hart’ noemen. Dat is het dierlijke deel, het deel dat de natuur heeft gemaakt om zichzelf ten koste van alles in stand te houden. Het hangt aan het leven. Het verzet zich uit alle macht. Jezus smeekt het, dwingt het, temt het uiteindelijk.Zodra Hij het overmeesterd heeft, verenigt Hij het met de drie machten die zijn werkelijke zelf zijn. Als mens bestaat je eigenlijke wezen uit je grond, je bewustzijn en uiteindelijk je wil. Je wil, de kracht waarmee je liefhebt. En die wil geeft Hij weg aan de wil van de Vader.Dat is wat we zien gebeuren in die donkere tuin met die eenzame Verlosser.Goed. Tot zover Jezus in de hof van Olijven. Maar wat moet jíj daarmee? Want Jezus was stiekem God. Hij had, naast een menselijke, ook een goddelijke wil. Zoiets zou jij van jezelf niet durven beweren. Of wel soms?Nou, je kon jezelf nog wel eens verrassen. Aan het begin van het boek Genesis staat er, al vrij vooraan, dat God de mens schiep naar zijn Beeld en gelijkenis. En dat Beeld is diezelfde Christus waar we het net over hadden. Je bent dus wel niet Onze Lieve Heer zelf, maar je bent toch wel gemaakt om op Hem te lijken.Daar komt nog iets bij. We geloven dat het bestaan zelf een aspect van God is. Elk moment dat je bestaat, ontvang je dat bestaan dus uit God zelf. Bewustzijn is een ander aspect van God. Daar geldt dus hetzelfde voor. Elke milliseconde dat je wakker en aanwezig bent wordt je geschonken uit het Absolute. En je goede wil, de wil om gelukkig te zijn maar vooral ook gelukkig te maken, is nog weer een ander aspect van God. Dus ook die krijg je uit Hem.Je ziel ligt zo voortdurend tegen God aan en wordt door Hem aan jou gegeven. Maar wel ook écht gegeven. Om vrij over te beschikken. God neemt haar niet terug, al hoopt Hij wel dat je haar uit jezelf teruggeeft. Zodat jij en God zó innig met elkaar verenigd raken, dat je geen onderscheid meer merkt.Dat kan alleen als je doet wat je ten diepste wilt, en niet waar je zin in hebt. Dus niet doet waar je driften je toevallig naartoe drijven. En wat je ten diepste wil is precies die heimwee naar heilig zijn in een heilige wereld die ik daarstraks al even aanstipte. Beminnen en bemind worden.Dat klinkt allemaal zalig - en dat is het uiteindelijk ook - maar nu nog niet. Wat je moet leren is wat de mystieken gelatenheid noemen. Dat klinkt in moderne oren een beetje alsof je je kop moet laten hangen en onverschillig moet worden en met je moet laten sollen. Maar dat is het juist niet.Nogmaals: het is normaal en menselijk niet te willen lijden en sterven. Het is heel natuurlijk voor Jezus om te bidden: ‘neem dit van mij weg.’ Het is zijn lagere, natuurlijke menselijkheid die daar spreekt, en smeekt, en schreeuwt. Zijn emoties, zijn lichamelijke behoeften, zijn drift. Zelfs zijn platte, berekenende, gezonde verstand hoort daarbij.Zijn overgave als Hij dan even later zegt ‘niet mijn wil, maar Jouw wil,’ ontkent die menselijkheid niet. Hij neemt haar zelfs heel serieus. Maar Hij neemt haar wel mee naar waar zijn hogere zelf, zijn grond, zijn bewustzijn en zijn wil, naartoe willen. En dat is: de wil van God doen.Hij doet niet alsof Hij niks wil, maar legt wat Hij wil vrijwillig in de handen van de Vader.Juist als Hij breekt, welt er de totale vrijheid in Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.Die ‘gelatenheid,’ zoals dat heet, is het helemaal rusten in je vertrouwen op God. En daar hoef je niet God zelf voor te wezen. Daar wachten ook op jou engelen om je te troosten.Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver die we hebben, verwoordt het zo:“Jouw wil, niet mijn wil.” Toen Christus onze Heer zijn lijden naderde, zei Hij dat tegen zijn Vader in een nederig vernietigen van Zichzelf. En het was Hem het meest behaaglijke woord en het meest eervolle, en ons het meest heilzame, en deVader het meest beminnelijke, en de duivel het meest ergerlijke woord dat Christus ooitsprak. Want door het wegschenken van zijn menselijke wil zijn wij gered.”Oefening.Goed, kunnen we dit ook zelf oefenen? Dat lijkt me heel goed mogelijk en ook niet zo ingewikkeld. Het hoeft ook niet onmiddellijk een doodsstrijd in de hof van Olijven te worden.Neem simpelweg eens een minuut of vijf om je een situatie voor de geest te halen van nog niet al te lang geleden. Een situatie waarin je ergens absoluut geen zin in had, maar het toch wilde. Niet om een verplichting van buitenaf, omdat een ander je dwingt of loopt te drammen. Nee, jij hebt er geen zin in maar jij wil het tegelijk toch.Er is bijvoorbeeld iemand in je omgeving die aandacht nodig heeft, maar heel eenzaam is en daardoor ratelt en enorm veel energie vraagt. Je hebt absoluut geen zin om die persoon te bellen, maar je doet het toch. Of krijg je jezelf gewoon niet zover?Er is dus een conflict tussen je lagere vermogens, die jouw eigen welzijn en zelfbehoud op de eerste plaats stellen, en je hogere wil die zichzelf weg wil schenken.Er wordt iemand op je werk of op school getreiterd. Dat gaat je aan het hart, maar als je ingrijpt maak je jezelf sociaal kwetsbaar. Je hebt absoluut geen zin om het conflict aan te gaan, maar als je eerlijk kijkt naar wat je eigenlijk écht wilt kom je erbij uit dat je het waarschijnlijk toch moet doen.Precies hetzelfde.Goed, verplaats je nu even grondig terug in de herinnering aan de situatie die je hiervoor hebt uitgekozen. Niet een van mijn voorbeelden, maar een innerlijk conflict dat je zelf hebt meegemaakt. Je had er geen zin in, maar je wilde het toch. Haal het je helemaal voor de geest en leg het nu langs het schema dat ik je nu ga beschrijven.Dat wat in jou je eerste afkeer veroorzaakt van wat je eigenlijk moet doen, en eigenlijk ook wilt doen, zijn je emoties. Dat zijn roerselen in je gemoed die worden geroerd door je lagere vermogens. Dat zijn je begeerte, je ratio en je drift. Je ratio is, even voor de duidelijkheid, niet je echte intellect, maar meer je berekenende boerenslimheid. Die drie zijn totaal dierlijk en uit zichzelf alleen geïnteresseerd in het handhaven, voortplanten en welbehagen van jou als lichamelijk wezen. Ze zijn wel tot meer in staat, maar niet uit zichzelf. En nu, in deze situatie werken ze je tegen. Ze stuwen je naar zelfzuchtig gedrag dat je in deze situatie misselijk vindt. Je wil wat anders.Gelukkig ben je niet willoos aan je emoties en je lagere vermogens overgeleverd. Want je hebt ook nog drie hogere vermogens. Je geheugen, je verstand en je wil.En heel dat lagere spul dat je nu zo’n overlast bezorgt hangt in feite aan die hogere vermogens. Stel het je maar voor als een soort marionettentheater met drie verdiepingen. Je emoties hangen aan je lagere krachten, begeerte, ratio en drift. Die hangen weer aan je hogere krachten: geheugen, verstand en wil.Wat je nu gaat doen is die touwtjes aantrekken en het hele theater samenballen in je hogere krachten. Eerst trek je je emoties aan zodat je goed beseft dat ze samenvallen met je dierlijke krachten. Ze lijken wel heel belangrijk en wereldschokkend, maar het zijn gewoon de impulsen van je zelfbehoud. Het zijn de prikkels waarmee je lagere krachten je aanzetten tot vechten, vluchten, vreten, zuipen, neuken.Goed. Nu je ziet hoe het werkt is het misschien een ietsje makkelijker ze gewoon eventjes te laten razen zonder dat je je door ze mee laat sleuren. Misschien ook wel niet onmiddellijk. Het vergt oefening en geduld, zoals alles in dit leven.Wat je nu gaat doen is dat hele kolkende en razende soepje van die emoties en die lagere krachten binnentrekken in je hogere vermogens. De begeerte met al het lekkers waar het naartoe stuwt trek je in het geheugen. De ratio met al zijn dubbele agenda’s in het intellect. De drift met zijn agressie en achterdocht in de wil.Nou wil het dat die drie hogere krachten op de Personen van de goddelijke Drievuldigheid lijken. Je geheugen op de Vader, je intellect op de Zoon en je wil op de Heilige Geest. Je bent immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Je bent dus drie, net als Hij. Maar je bent ook één, net als Hij. Het stiekeme geheimpje van het leven is dat je in het diepste gaatje van je ziel voortdurend door Gods scheppende plezier aan jezelf geschonken wordt.Zodra je nu heel dat poppentheater in jezelf hebt opgehesen en samengebald blijft eigenlijk alleen je wil over. Niet toevallig is dat ook de kracht waarmee je liefhebt.Mocht het je nou lukken die wil vol vertrouwen in de handen van de goede God te laten, dan ben je in een warm nestje gevallen waar je getroost wordt door engelen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  22. 32

    Het hart van het Jaar

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  23. 31

    Homilie Pater Hugo Maria Boodschap 2026

    Dit is de preek van een Hoogfeest door de week. Die krijgen alle volgers sowieso. Zou je ook graag alle zondagspreken van Pater Hugo willen krijgen? Neem dan een betaald abonnementje op zijn Substack! Daar zitten trouwens nog veel meer extraatjes bij, en bovendien steun je zo deze unieke stem in katholiek Nederland!Of als je graag op zijn Nederlands wilt betalen:* Maandabonnement met iDeal of Bancontact* Jaarabonnement met iDeal of Bancontact This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  24. 30

    De Sluier in de Duisternis

    Wat is dit in godsnaam? Vanaf de vijfde zondag van de vasten verandert de kerk van een sacrale santenkraam in een godgewijd spookhuis. Een paarse grauwsluier breidt zich als een schimmel uit over alle kruizen en heiligen. God verliest zijn gezicht.Waarom bedekken wij de laatste twee weken de beelden in de kerk met paarse doeken? Ik leg het je uit in deze video. Aan het einde zal ik ook nog een concrete oefening meegeven die ermee te maken heeft, en die je kunt opnemen in je gebedsmoment of meditatie.(intro)Waarom sluieren wij de beelden? Wij hebben dit gebruik al sinds de vroege middeleeuwen, maar niet veel mensen begrijpen het echt goed. Dat het bedoeld is om de feestelijkheid te dempen en zo ruimte te scheppen voor rouw en boete is wel duidelijk.Maar waarom bedekken we dan zelfs de kruizen? Juist in de weken dat wij ons intensief met Jezus’ lijden proberen te verenigen verbergen wij de afbeeldingen die ons daar het meest aan doen denken.Niet alleen alles wat blij en feestelijk maakt verdwijnt, maar ook alles wat je op het eerste gezicht juist zou kunnen helpen het lijden van Jezus te beleven. Waarom?Het antwoord zal sommigen van jullie wel verbazen. Omdat sommige dingen nou eenmaal pas echt zichtbaar worden als je ze verbergt. Juist het meest wezenlijke valt nogal eens pas op als je het wegneemt. Er een doekje over gooit. Zo leer je jezelf om op een andere manier te gaan kijken en luisteren.Het is niet zo vreemd als het lijkt: denk bijvoorbeeld maar eens aan hele constante, bescheiden geluiden. Het lage brommen van een koelkast of het zachte blazen van een ventilator. Die hoor je eigenlijk pas als ze plotseling wegvallen. Ze vallen pas op als je ze uitzet. Wat stil is het dan ineens!Net zoiets is er aan de hand met de voortdurende, dragende aanwezigheid van God in zijn heiligdommen. Om die eventjes écht op te merken schakelen we de meest zichtbare tekens ervan even uit.Als je echt wil snappen waar de Kerk in deze tijd mee bezig is zul je moeten luisteren naar de stem van de grote mystieken. Meer dan wie ook hebben juist zij zich geoefend in het laten zien van het onzienlijke en het onthullen van het verborgene.Het beste beginnen we dan in dit geval bij een geheimzinnige figuur uit ongeveer de vijfde eeuw. Eigenlijk was hij een bedrieger, want hij gaf zich uit voor een figurant uit de Bijbel, Dionysius de Areopagiet, waarschijnlijk om zijn geschriften meer gezag te verlenen.De vraag is of dat nou nodig was, want de inhoud van de geschriften die we nog van hem hebben is ontzagwekkend en volledig serieus te nemen. Dat weten we omdat ze in ons eigen leven direct ervaarbaar zijn. We kunnen het helemaal zelf controleren. We kunnen er in feite zelfs helemaal niet omheen.Iedereen met een serieus innerlijk leven loopt te worstelen met het verwoorden en zelfs maar onthouden van wat hij beleeft als hij God benadert. Het is alsof een soort statische ruis die tegelijk bliksemend en pikdonker is zowel je geheugen als je taalgevoel in de war stuurt. Dionysius beschrijft het als volgt:“Drievoudigheid, leid ons langs de rechte weg naar de hoogste top van de mystieke woorden. Boven het onkenbare en boven het licht waar de enkelvoudige, van niets afhankelijke en onveranderlijke mysteriën van het goddelijke Woord in gehuld gaan. In de verblindende duisternis van het zwijgen dat in mysteriën verborgen is. Waar zij in het diepste duister het meest meer dan stralend en meer lichtend zijn. En waar zij in het volstrekt ontastbare en onzichtbare de ogenloze denkkrachten doen overvloeien van overschone lichtglans.”Dat zijn een hoop paradoxen op een hoop. Verblindende duisternis, stralend en lichtend diepste duister enzovoort. Toch brengen die evengoed een glasheldere boodschap over: om God te kunnen ontmoeten, om daar überhaupt ruimte voor te scheppen, zul je je normale manier van waarnemen en vooral ook inschatten en oordelen en streven moeten opschorten.De wilde - maar ook heel knappe - Duitse mysticus Eckhart verwoordt het zo: wie ruimte wil maken voor God moet niks willen, niks weten en niks hebben.Misschien ken je het wel: plotseling is er zo’n geheiligd moment dat het bidden niet alleen werkelijk lukt, maar dat je ook erváárt dat het lukt. Moeiteloos ben je je bewust van de tegenwoordigheid van God, en daarin ben je met Hem samen. Je koestert je in de troost van zijn aanwezigheid.Maar dan begint je wil zich te bewegen. Een beetje zoals een kat die niet op schoot wil blijven liggen omdat hij plotseling iets heeft gehoord of heeft geroken. “Ik wil...” komt er in je op. “ik wil...” en onmiddellijk valt je bewustzijn uit de ervaring van de tegenwoordigheid van God.Het gaat er niet om of je wil goed of verkeerd was. Het maakt niet uit of je wil goed was of niet. Of je nou net zat te willen te willen wat God wil, of zat te willen meer op Jezus te lijken of zat te willen meer vervuld te worden van de Heilige Geest. Het bewegen van je wil alleen was genoeg om je plotseling weer alleen te voelen. Je wil, hoe goed ook, is een middel geworden tussen jou en God, iets wat tussen jullie in zit.Nog sterker geldt dat voor weten. Stel je voor: je ligt te badderen in Gods licht en denkt onwillekeurig: ‘wat heerlijk!’ Boem! Ineens lijkt het wel alsof het licht van God zelf zijn glans heeft verloren. Het heeft, zonder dat je het in de gaten had, ergens onderweg de gedaante van een grijze regendag aangenomen.Dat komt omdat je het hebt zitten weten. Je hebt je een oordeel gevormd en in plaats van het licht van God zelf word je nu door het licht van je oordeel beschenen. En dat is een héél ander verhaal. Het maakt niet uit dat je oordeel helemaal positief was. Het is een middel, een beeld geworden tussen jou en God, iets wat bemiddelt. Het maakt de relatie tussen jullie twee onrechtstreeks.Hebben is een nog radicalere werkelijkheid. Alles wat je hebt is niet God en neemt ruimte in beslag die God niet kan opvullen. Eckhart is heel radicaal in dit opzicht: Zelfs als je juist alleen nog ruimte hebt voor God heb je nog te veel. Het ideaal is zelfs geen ruimte meer te hebben, ook al is het dan voor God. Laat Hem in jou maar in zijn eigen ruimte werken. Laat Hem in jou in Zichzelf werken.Dit klinkt bijna flauw, maar als je even kijkt naar hoe Eckhart zijn betoog opbouwt snap je wel waarom hij zelfs die stap nog nodig vindt. Onwillekeurig zijn er, hoe abstract hij ook te werk is gegaan, toch weer beelden ontstaan. Beelden van jou als poppetje, of als ziel - waar je je dan ook weer een beeld van vormt - waarin dan weer het beeld van een ruimte verschijnt. En die beelden zitten in de weg.Wie God wil vinden moet zich hulpeloos in Hem durven verliezen. Het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen.Laatst zat ik in een praatprogramma en op een gegeven moment ging het over het verschil tussen de authentieke, klassieke manier om de Mis op te dragen en de liturgie die tegenwoordig meestal wordt gebruikt. Die is opgesteld door een commissie in de jaren zestig.Dat onderwerp ligt nogal gevoelig, en ik ging misschien een beetje over de schreef. De presentator vroeg mij waarmee ik dat nieuwe ritueel zou willen vergelijken, en spontaan zei ik: ‘Duplo.’ Daarmee wekte ik natuurlijk onbedoeld de indruk dat ik de moderne Mis maar een kleuterspelletje vond, wat echt wel horkerig zou zijn geweest. Veel mensen houden er immers oprecht van, vooral ouderen.Ik bedoelde natuurlijk dat de moderne Mis uit blokken bestaat waaruit je kunt kiezen en die op allerlei manieren op elkaar passen. ‘En waar zou je de oude Mis dan mee vergelijken?’ zei de presentator op licht kritische toon. ‘Een bos,’ zei ik onmiddellijk. ‘Ah,’ zei hij. ‘Maar in een bos kan je ook verdwalen.’Ik had daar achteraf anders op hebben willen reageren. Wat ik zei was weliswaar niet verkeerd of onoprecht, maar er lag een heel verhelderende waarheid voor het oprapen die ik op dat moment gewoon even miste.Ik had moeten zeggen: ‘inderdaad, kun je in een bos verdwalen, en zo hoort het ook.’ God is niet ongevaarlijk. God is niet zonder risico. Als je je aan God toevertrouwt neem je op de koop toe dat je je ook aan Hem zou kunnen verwonden. Je zou zelfs aan Hem kunnen sterven. Je vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren omdat je Hem vertrouwt, maar garanties zijn er niet.In ieder geval zal je in Hem moeten verdwalen. Wie wil groeien in God kan dat niet door zelf de touwtjes in handen te houden. Zelf zijn koers te bepalen en zijn eigen oriëntatie te volgen. Volwassen worden in dit opzicht betekent vreemd genoeg steeds onzelfstandiger worden.Denk maar aan wat Jezus tegen de heilige Petrus zegt in het Johannesevangelie: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging waarheen je wilde, maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt.’Toegepast op ons betekent dat inderdaad, met Eckhart, niks willen, niks weten, niks hebben.Het Evangelie voegt er nog aan toe dat Jezus met deze woorden doelde op de dood waarmee Petrus God zou verheerlijken. Niet zomaar de dood die hij zou sterven, nee: de dood waarmee hij God zou verheerlijken.Zelfs dat kunnen we toepassen op wat er van onze ziel wordt gevraagd als wij God willen ontmoeten. Weliswaar geloven wij christenen niet dat wij in God oplossen of vernietigd worden. In die zin moet je ‘dood’ hier figuurlijk lezen, niet letterlijk. Maar dan kun je verder toch wel zeggen dat, als wij zo met God in harmonie beginnen te klinken dat er tussen Hem en ons geen onderscheid meer te ervaren valt, je dat toch wel een vorm van sterven kunt noemen.‘Om Hem te verheerlijken,’ schrijft Johannes. Dat is een ander woord voor beminnen, in dit geval. God beminnen met heel je hart, je verstand en al je krachten. Maar in Hem durven te verdwalen is wel het minste wat wij kunnen doen.Jan van Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver aller tijden, verwoordt het als volgt:“Hij moet zichzelf verloren hebben in een onmiddellijkheid en in een duisternis waarin alle schouwende mensen genietend verdwaald zijn. Zo dat hij zichzelf als schepsel nooit meer zou kunnen terugvinden. In de afgrond van die duisternissen, waarin de minnende ziel aan zichzelf gestorven is, daar begint de openbaring van God en het eeuwige leven.In die duisternissen schijnt en wordt geboren een onbegrijpelijk licht dat maakt dat je het eeuwig leven kunt zien. Dat licht is de Zoon van God.”En daarom versluieren wij in de laatste twee weken voor Pasen, het scharnier van de tijd, onze beelden. Niet zien. Niet weten. Niet hebben.Goed. Kunnen we dat zelf ook oefenen? Dat denk ik absoluut, en ook nog eens op een hele simpele manier. Begin in de laatste twee weken voor Pasen eens wat tijd vrij te maken om God simpelweg te laten zijn wie Hij is.Dat hoeft niet gelijk een uur te zijn: vijf of tien minuten is ook al wat. Neem in dat moment zoveel mogelijk afstand van je vertrouwde beeld van God. Ga niet voor een icoon of een kruisbeeld zitten. Gebruik niet de vertrouwde gebeden. Geen rozenkrans, geen Onze Vader, geen eer aan de Vader en geen Heilige Michaël verdedig ons in de strijd. Niks van dat alles. En ook niks anders, trouwens. Blijf gewoon in de leegte zitten wachten.Wat er nu waarschijnlijk zal gaan gebeuren is dat er een zwerm van beelden in je opkomt. Misschien van God, misschien ook wel gewoon van je dagelijkse leven, de taken die op je liggen te wachten, herinneringen die je misschien hebt. Duw die niet met geweld weg, maar houd ze ook niet vast. Ga er niet binnen.Keer je in plaats daarvan terug naar de leegte. Als je dat echt heel moeilijk vindt zou je kunnen overwegen eens actief te luisteren naar de stilte die op de achtergrond van waar je bent altijd wel ergens klinkt.Als het goed is zou je in de eerste tijd dat je dit zo doet een gemis moeten voelen. De grap is nu dat die pijnlijke afwezigheid stiekem helemaal niet de leegte is, maar je eigen gehechtheid aan de beelden die je nu aan het loslaten bent.Als je dit wat langer volhoudt is er een grote kans dat je de leegte die je voelt op een gegeven moment gaat ervaren als ruimte. Ruimte waarin van alles mogelijk is. Ruimte waarin je zalig zou kunnen verdwalen...Een bijkomend voordeel is dat het goed zou kunnen dat als met Pasen de beelden weer worden onthuld, ze voor jou zullen aanvoelen als nieuw en opnieuw inspirerend op een andere manier. Zo kan het afwisselen van verbeelding en ontbeelding een echte motor worden voor zowel je creativiteit als je spirituele leven.Ok, genoeg geleuterd. Ga en leef! This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  25. 29

    Is Stilte gevaarlijker dan Porno?

    Porno is tegenwoordig overal en nergens aanwezig en bereikbaar, en taboes zijn er niet veel meer over. Laatst was iemand zo vriendelijk mij te confronteren met een afbeelding in Japanse tekenfilmstijl van iemand die zich aan alle *** Ik wist in eerste instantie letterlijk niet wat ik zag op dat plaatje. ‘Hou ik het wel rechtop?’ vroeg ik mij zelfs even af.Zoals mijn kat er automatisch kwijlend aan komt rennen als ik een blikje opentrek, ook al zitten er in feite geen sardientjes maar halve perziken in - zo schopt alleen al de simpele suggestie van gesop in een warm vochtig holletje bij mensen onmiddellijk de hormoonhuishouding in de knoop.Natuurlijk is dat effect niet oneindig. Stel dat ik de godganselijke dag blikken met perziken open zou staan te trekken. Stel dat ik alleen nog maar perzik uit blik zou vreten. Dan zou het snel voorbij zijn met de warme interesse van mijn kat. Als je maar vaak genoeg loopt te kwijlen zonder dat je daarna ook werkelijk een sardientje krijgt, is de lol eraf. Er zijn dan steeds sterkere suggesties nodig om de sappen te laten stromen.Over hoe dit bij mensen werkt is al zat geschreven en gezegd, het komt erop neer dat, als je maar genoeg op een rare manier loopt te zieken met je prikkel- en beloningssysteem, je je uiteindelijk zelfs niet meer bevredigd voelt als je écht dat sardientje krijgt. En dan wanhopig op zoek gaat naar steeds vreemdere, en vaak ook agressievere vormen van prikkeling.Zoals die octopus. Mensen die alleen nog opgewonden raken van volwassenen in luiers of transmannen met geblondeerd haar en een staart of oma’s met een onderbroek op de kop. Of zelfs alleen nog van boze en liefdeloze dingen. Super-specifieke prikkels. Oorverdovende stimulering van nou net dat ene specifieke puntje dat in jouw dierlijke zelf nou toevallig het meest gevoelig is.Stimulering die zelfs niet meer verwijst naar iets dat in de werkelijkheid bestaat en waarnaar je zou kunnen verlangen. Op dat moment is je seksualiteit letterlijk wezenloos geworden. Om de leegte te ontvluchten vlucht je juist de leegte in.Normaliter zou je als mens erop moeten kunnen vertrouwen dat de spirituele traditie die je van je voorouders hebt meegekregen de weg kan wijzen bij dit soort dilemma’s. Maar het christendom heeft de laatste vierhonderd jaar of zo op dit terrein een beetje mal gedaan.Om antwoorden te kunnen geven moet je immers vragen kunnen stellen. Moet het onderwerp bespreekbaar zijn. En dat was het een hele tijd niet, en op dit moment dreigt het wéér de verkeerde kant op te gaan.Aan de middeleeuwen ligt het niet, even voor de duidelijkheid. Ik zeg het maar even omdat de middeleeuwen vaak de schuld krijgen. ‘Middeleeuwse toestanden,’ zeggen we dan. Maar de middeleeuwen waren op dit punt eigenlijk best ontspannen. Toen werden er op het marktplein zonder enige vorm van gêne toneelstukjes opgevoerd die ‘boerden’ werden genoemd. In feite waren dat vieze moppen in theatervorm. Er waren wel eens pastoors die zich erover opwonden, maar meestal stonden ze er met de rest van het volk om te lachen. En dat terwijl er niet zelden priesters en nonnen in werden opgevoerd.Juist dat die stukjes grappig werden gevonden bewijst al wel dat er ook toen best spanning rond het onderwerp hing. Zonder enig taboe zijn vieze moppen namelijk gewoon niet lollig. Maar dat er wel gewoon - en in het openbaar - ruimte voor was bewijst wel dat die spanning ook kon worden gerelativeerd.Natuurlijk werd er ook toen grote waarde gehecht aan zuiverheid, maar er werd ook met een nuchtere blik naar gekeken. Als in de middeleeuwse traktaten die ik dagelijks onder ogen krijg over wordt gesproken is het helder wat het theoretische ideaal is. Seksualiteit hoort bij het huwelijk, bij het trouw zijn aan elkaar en definitief voor elkaar kiezen. Dat ideaal is heel hoogverheven en men doet geen water bij de wijn.Maar nergens krijg je de indruk dat men door een soort zuiverheidsdrift geobsedeerd is. Dat heel de morele waarde van een mens alleen daaraan wordt afgemeten. De mens moet in het algemeen zijn best doen zijn lagere vermogens, zijn drift en zijn verlangens, in toom te houden. En het seksuele verlangen is daarvan zeker een van de sterkste en ook vaak nogal onberekenbaar.Maar in de middeleeuwen kon men redelijk open en creatief over seksualiteit praten en schrijven, ook over de meer ongrijpbare en wilde kant ervan. Denk aan de cultuur van de hoofse liefde, een complete gefantaseerde werkelijkheid die draaide om buitenechtelijke verhoudingen tussen adellijke dromers en andermans vrouwen. Onze eigen Hadewijch zag er zelfs geen probleem in de taal daarvan te lenen om er haar verlangen naar God mee te beschrijven. Sowieso was erotische taal heel gebruikelijk om mystieke godsontmoetingen mee te beschrijven. En dan niet terughoudend of vaag - luister bijvoorbeeld eens naar sinte Mechtild van Maagdenburg:‘Hoe luider zij roept, hoe groter de wonderen die zij werkt door haar macht. Hoe meer zijn lust toeneemt, hoe mooier haar bruiloft wordt. Hoe smaller het bed, hoe inniger de omhelzing.’ Ze heeft het over God en de ziel, even voor de helderheid.Als je dat zo leest snap je niet hoe er ooit een cultuur heeft kunnen ontstaan van het obsessief verkrampen bij alles wat met seks te maken heeft. Toch vlamt die neiging al sinds de late oudheid af en toe in de Kerk op.De Bijbel is er niet echt schuldig aan. Die roept wel af en toe dat je geen ontucht moet bedrijven, maar niet op een manier die de indruk wekt dat er verder niks bestaat op de wereld. Het probleem begon bij hoe een paar belangrijke kerkvaders het gedachtengoed van de heidense stoïcijnen in de christelijke theologie verwerkten.De stoïcijnse filosofie leerde dat er in heel de natuur een logica, de Logos, zit die bij hen een normatieve, eigenlijk goddelijke status heeft. Die Logos zaait zich uit in de werkelijkheid zodat alles op aarde een welbepaalde telos, een bedoeling heeft. Ook de mens heeft zo’n logos spermatikos, een zaadje van de rede. Dat is voor de stoïcijnen zelfs zijn meest wezenlijke zelf. Maar ook elk orgaan en elke handeling heeft een welbepaald doel. Dat doel kun je door logisch nadenken en zorgvuldige observatie ontdekken, en vanaf dan heb je ook de heilige plicht dat doel na te streven. Een goed moreel leven is, volgens de stoïcijnen, een leven kata logon, volgens de logos.Wie van bijvoorbeeld zijn geslachtsorganen de bedoelingen heeft beredeneerd - namelijk voorplanting - en die dan toch gebruikt met een ander doel dan waarvoor ze zijn - bijvoorbeeld om er plezier mee te beleven - handelt tegen de logos.Deze voorchristelijke filosofie werd in de christelijke theologie met nog een paar andere gecombineerd en daarna gecanoniseerd, heilig. Een combinatie van deze stoïcijnse logos en de iets andere invulling van datzelfde begrip door de neoplatonisten werd in de Kerk zelfs uiteindelijk gebruikt om de tweede Persoon van de Drievuldigheid beter mee te kunnen begrijpen. Jezus zelf, dus. Denk maar aan de beroemde proloog van het Evangelie van Johannes waar elke Mis mee wordt afgesloten: καὶ ὁ λόγος σὰρξ ἐγένετο, en het woord is vlees geworden. Jezus zelf was de goddelijke Logica die alles in de schepping zijn vorm en doel had gegeven.Dat klinkt heel veelbelovend - en in de mystieke traditie werkt het ook prachtig uit, zoals Mechtild en Hadewijch laten zien. Maar er schuilt ook een gevaar in: de stoïcijnse doelmatigheidslogica kon seksualiteit reduceren tot louter voorplanting, en elke andere betekenis ervan wegsnijden. En precies dat is wat er in de loop van de eeuwen is gebeurd - met bovendien de paradoxale bijwerking dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd. Maar laat ik die draad even vasthouden en eerst de historische lijn afmaken.Iemand die in dit proces een hoofdrol speelde was de heilige Augustinus. Die had een uiterst moeizame persoonlijke verhouding met seks en dat is af en toe goed te merken aan zijn werk. Dat werk is in het westerse christendom absurd invloedrijk geweest op werkelijk alle theologische terreinen. Til een in de kerk een tegel op en er wriggelen geen pissebedden onder maar ideeën van Augustinus. Soms ten goede, hoor, maar niet altijd.Hij zag de menselijke begeerte als kern van de erfzonde, dus van de slechtheid van de mens. Nou was begeerte wel breder dan alleen seksuele lust, maar daar lag toch wel het accent op, ook al omdat Augustinus daar zelf enorm mee worstelde.Veel extremer nog was de heilige Hiëronymus, die trouwens sowieso het moeilijkste karakter van de hele oudheid had. Zijn traktaat tegen de monnik Jovianus is berucht. Jovianus beweerde dat het huwelijk en de maagdelijke staat gelijkwaardig waren. Dat paste Hiëronymus niet, en hij reageerde, zoals vaak, weer eens hysterisch. Hij pompte in zijn pamflet de maagdelijkheid enorm op ten koste van het huwelijk. Trouwen was alleen voor sukkels die hun lusten niet konden beheersen. Maar zelfs binnen het huwelijk vond Hiëronymus seks in feite nog zondig, in ieder geval goede seks. Zelfs als je je eigen man of vrouw hartstochtelijk beminde pleegde je volgens hem al overspel. Dat was zelfs Augustinus veel te gortig. Hij nam er uitdrukkelijk afstand van.De oorzaak van dit alles zal ook in Hiëronymus’ geval wel persoonlijke frustratie geweest zijn: hij schreef in een van zijn brieven dat hij voortdurend werd overvallen door beelden van aantrekkelijke jonge meisjes.Nou roepen veel mensen dat dit soort onvolwassen gezeur altijd al de boventoon heeft gevoerd in het denken van de Kerk over seks. Ik hoop dat ik al voldoende duidelijk heb gemaakt met wat ik over de middeleeuwen heb gezegd dat dat flauwekul is. Het was meer zoiets als een van die virussen waar je niet meer afkomt, maar die alleen van tijd tot tijd opvlammen en symptomen veroorzaken. Herpes of zo, om maar even in de sfeer te blijven.Nou komen we op dit moment wel net uit één van die uitbraakperioden, en die heeft lang geduurd en dus ook, toen ze eenmaal voorbij was, een hele heftige reactie uitgelokt. Geen wonder dat de mensen het christendom op dit punt niet meer serieus nemen.Hoe kon dit zo gebeuren? Na de hoogste bloei van de mystiek, in de veertiende eeuw, ontstond er een wat chagrijnige beweging die de ‘moderne devotie’ werd genoemd. Bij het nadenken over het geestelijke leven verschoof het accent van de extatische liefde voor God naar deugdzame en vooral ook boetvaardige bravigheid.Even later werd West-Europa getroffen door de op een na grootste ramp die ooit op theologisch terrein is vertoond: de reformatie. Die beweerde alleen de Bijbel nog serieus te nemen als bron over de kennis van God: sola scriptura. Maar dat was in de praktijk niet waar. Dat kon ook helemaal niet, want de Bijbel is te onsamenhangend om een sluitend religieus verhaal op te baseren. In feite was het niet de Heilige Schrift, maar een deel van de theologie van Augustinus die door de protestanten werd verabsoluteerd, en dan ook nog eens in het bijzonder de pessimistische Augustinus van zijn laatste jaren. De mens was na de zondeval alleen nog maar slecht. Zijn wil was niet alleen maar verzwakt, maar geketend en volkomen hulpeloos. Alleen Gods genade kan nog redden, maar die zal in de praktijk zuinig zijn. De massa van de mensen is verdoemd, en daarvoor heeft God ze ook vanaf het begin geschapen. Alleen zo kan aan zijn beledigde majesteit recht worden gedaan. Heel gezellig, allemaal.Theoretisch beoordeelden de protestanten seksualiteit dan wel weer iets positiever dan de katholieke traditie altijd had gedaan. In ieder geval kenden zij geen celibataire geestelijken, omdat levenslange maagdelijkheid als offer bij hen geen betekenis had. Toch ontwikkelde zich juist bij hen de mentaliteit die we tegenwoordig met een ongezonde christelijke moraal associëren: een soort kleurloze anti-creativiteit waarin elke vorm van plezier verboden is.Ondanks dat zij geen deel meer uitmaakten van de Kerk kregen de protestanten toch al snel een grote invloed op het katholicisme, al was het maar door de reactie van de katholieken op de reformatie, de contrareformatie. Er ontstond tussen de protestanten en de katholieken een wedstrijdje in wie het meest deugdzaam was. Natuurlijk waren de katholieken sowieso veel te slordig om dat gevecht te winnen, maar ze probeerden het toch. Het resultaat daarvan was eerder treurig.Omdat de reformatie mede was uitgebroken door het ongeloofwaardige gedrag van de katholieke geestelijken - onder andere op het gebied van de seksualiteit - werden die in het vervolg extra grondig gedrild. Daarvoor werd een geheel nieuw type instituut uitgevonden: het grootseminarie. Daar werd voortaan intensief aan seksuele vorming gedaan. Dat gebeurde aan de hand van biechtvadersreglementen waarin en detail stond uitgespeld wat er op seksueel terrein zoal verkeerd kon gaan, en wat daar de consequentie van moest zijn.De Franse filosoof Michel Foucault heeft in 1976 uitgebreid over die cultuur geschreven in het eerste deel van zijn seksualiteitsgeschiedenis, ‘La volonté de savoir.’ Hij signaleert daarin, terecht denk ik, dat men nogal eens verzandde in het produceren van seksuele fascinatie in naam van het bestrijden ervan. Om zonden te kunnen beoordelen moesten ze eerst worden omschreven en dat leidde al snel tot een steeds fijmazigere taxonomie van seksuele handelingen. Met een mate van detail die in elke andere context als obsceen beschouwd zou worden, kunnen we wel stellen.Om greep te krijgen op het fenomeen ging men uitgebreid beschrijven, classificeren en bevragen wat er zoal tussen opgewonden mensen mogelijk was. Dat op die manier een obsessieve overaccentuering van al het seksuele werd veroorzaakt werd duidelijk over het hoofd gezien. Ook omdat die boeken in de praktijk ook nog eens functioneerden in huizen vol opgeschoten knapen op de piek van hun hormonale driften. Ik geef het je te doen om affectief volwassen te worden als je op negentienjarige leeftijd toch al vol stuwende sappen zit en dan ook nog met de regelmaat van de klok idiote juridische puzzeltjes over seks op moet lossen.Nou is Foucault trouwens niet de meest objectieve wetenschapper als het om het beoordelen van de katholieke Kerk gaat, maar ik denk dat hij in dit geval de spijker op zijn kop slaat. Zelf heb ik het dieptepunt van dit alles niet meer meegemaakt, maar het residu ervan is nog altijd niet opgeruimd. En komen we daar überhaupt wel aan toe?Want het overdreven liberalisme van de tweede helft van de twintigste eeuw - dat van het gefantaseer over seks met octopussen en gummi konijnen - is alweer bezig een reactie bij de volgende generatie op te roepen. Dat is prima als dat leidt tot het weer serieus nemen van seks als een tedere en kostbare vorm van communicatie tussen mensen die elkaar en het wonder van het leven en de schepping vieren. Maar niet als het ons met een U-turn terugbrengt naar de griezelige biechtvadershandboeken.Als ik zeg dat stilte gevaarlijker is dan porno bedoel ik dat in meer dan één betekenis. Wat er in feite misgegaan is bij de kerkelijke omgang met seksualiteit, is dat die tegelijk gedemystificeerd én onbespreekbaar gemaakt is. Een Paradox met een vette hoofdletter ‘P.’Gedemystificeerd, daar begin ik even mee. Zoals ik daarnet al heb uitgelegd toen ik het had over het stoïcijnse gedachtengoed in de Kerk werd daar tot voor kort over seksualiteit gesproken als louter en alleen voor de voorplanting bestemd. Alles wat er verder aan gevoel bijkwam werd als onnodig en zelfs gevaarlijk gedoe beschouwd. Tijdens de laatmiddeleeuwse scholastiek, die toch al extreem droog-technisch tegen de werkelijkheid aankeek, was dat nog eens verabsoluteerd, en de negentiende-eeuwse neoscholastiek verabsoluteerde de verabsolutering nog eens.Men was duidelijk even vergeten dat oprechte tederheid tussen mensen een intense vorm van communicatie is. Je drukt je uit als persoon en schenkt je tegelijk in vol vertrouwen aan een ander en nodigt die ander uit zich ook weer vol vertrouwen aan jou te geven. ‘Bij mij mag je je grenzen laten vallen en zonder enige reserve jezelf zijn’ zeg je tegen elkaar.Die houding is trouwens prima te verenigen met het kerkelijke denken, stoïcijnse regeltjes en al. Als mensen gemeenschap met elkaar hebben zoals het bedoeld is, is dat een diep spiritueel gebeuren dat vol is van het mysterie van het bestaan, dus van Gods creatieve vermogen dat wij gewend zijn ‘het Woord’ te noemen. Het Woord dat alles zijn essentie, zijn vorm geeft. Geen wonder dat er nieuw leven uit opspringt.Het is juist de schoonheid en de eerlijkheid hiervan die ons hier tot voorzichtigheid dwingt, niet duisternis of onreinheid of zoiets. Probeer je die schoonheid los te maken van de waarheid die erbij hoort - die te consumeren - dan ontstaat er geen zwijgen, maar trauma. Misverstand. Leugen. Vertwijfeling.Dat is toch een ander soort gevaar dan het gebruiken van een technische handeling voor iets waarvoor die oorspronkelijk niet bedoeld was. Dat klinkt meer als een ongeoorloofd gebruik dat de fabrieksgarantie laat vervallen of zoiets. En zelfs als dat in de strengste bewoordingen wordt gecommuniceerd is dat toch nét een minder hoge drempel dan het schenden van het mysterie van het leven zelf.Natuurlijk weet iedereen dat geen enkele seksuele relatie samenvalt met de hoogverheven idealen van mystieke traktaten, laat staan voortdurend en elke keer. Zoals alles hier op aarde is het soms een armzalig ploeteren. Maar om er nou zonder enige warmte over te spreken als over een biologische kopieermethode is weer wat anders. En als de Kerk dat dan ook consequent doet - seks zakelijk maken, van de boom een juridische handeling - moet ze niet raar opkijken als de mensen ook de vrucht als zodanig gaan beschouwen. Ook het probleem van het seksuele misbruik in de Kerk kan onmogelijk los worden gezien van de idiote handboekentheologie op dit terrein.Tot zover de demystificatie: het verwijderen van God uit de seksualiteit door de Kerk zelf.Maar hoe laat zich dat rijmen met dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd?Je zou denken dat als seks geen ontzagwekkende heilige betekenis meer had, er dan verder ook nuchter over gesproken zou moeten kunnen worden. Maar in plaats daarvan kregen we preutsheid in plaats van zuiverheid.Als seks een transactie is zouden de ondeugende toneelstukjes op het marktplein en erotisch getinte mystieke teksten uit de middeleeuwen geen enkel probleem meer mogen zijn, toch? Maar in plaats daarvan werd seks vanaf de zeventiende eeuw steeds griezeliger gemaakt tot uiteindelijk in de negentiende zelfs blote enkels al een schandaal waren.De vertalingen van diezelfde biechtvadershandboeken waar ik het al over had beschrijven de meest vreselijke misdaden, moord en doodslag, gewoon in het Nederlands. Maar zodra ze aan de onkuisheid toe zijn schakelen ze plotseling op het oorspronkelijke Latijn over.Nou is het in de wereld van de spiritualiteit zo, dat het goddelijke altijd wordt verborgen. Ergens een gordijn voorhangen of iets achter een muur verbergen betekent dat het uiterst heilig is. Eén van de redenen dat bijvoorbeeld de moderne westerse liturgie zo slecht functioneert is dat ze veel te bloot is, met haar keukentafelaltaren en platte volkstaalmissalen. Ze toont wat verborgen hoort te zijn.In het geval van seksualiteit is er dan ook sprake van heel tegenstrijdige communicatie.Aan de ene kant is seksualiteit schijnbaar een louter doelmatige handeling om je voort te planten, aan de andere kant wordt het met een symbolisch onbespreekbaarheid beladen die loodzwaar is. Die dus juist aangeeft dat het om een uiterst onaantastbare zaak gaat.Seks is dus zo een vorm van communicatie geworden die zichzelf voortdurend tegenspreekt. Een stereo signaal met een fasenprobleem, waarbij de golven van de rechterbox die van de linker precies opheffen. Met als resultaat stilte. Geen ontspannen stilte, maar een onhoorbaar geschreeuw.Die situatie heeft overal en nergens onbeschrijfelijk leed veroorzaakt en ook nog eens onze hele geestelijke traditie van haar morele geloofwaardigheid beroofd. Daarom pleit ik ervoor te voorkomen dat deze domme houding zo blijft of zelfs nog sterker terugkeert.Stilte is gevaarlijker dan porno, heb ik dit filmpje genoemd. Een titel met een heel bewust dubbele bodem.Want het woordje ‘gevaarlijk’ is niet altijd zo eenduidig. Juist het meest heilige is immers bij uitstek ook het meest gevaarlijke, in de zin van dat er onvoorstelbare mogelijkheden in liggen opgesloten. Als we iets ongevaarlijk noemen, is dat lang niet altijd een compliment. Saai, bedoelen we dan ook, vaak.De overdaad aan seksuele prikkels waar we de afgelopen zestig jaar mee geleefd hebben kan ons verslaven en onze verwondering verdoven. In die zin is porno gevaarlijk, in negatieve zin. Maar het verzwijgen en verkrampen van seksualiteit is nog veel gevaarlijker. Want die kan ons eindeloos onzeker maken, obsederen en het ons onmogelijk maken emotioneel volwassen mensen te worden. In die zin is stilte nog gevaarlijker dan porno, in negatieve zin.Want porno is zo plat dat ze niet lang en niet écht kan boeien. Daarom heb je er ook steeds extremere vormen van nodig als je je eraan overgeeft. Het ontbreekt haar aan werkelijke ‘lading.’ Aan Logos. Ze heeft geen grond, geen echte inhoud. Ze is onheilig, en in de diepere zin van dat woord dus in feite ‘ongevaarlijk.’Gevaarlijk, in positieve zin, in de zin van werkelijk fascinerend, is dan weer het woordeloze spreken van mensen die echt van elkaar houden. Zo machtig dat je er niet anders dan de grootste eerbied voor kunt hebben. Al was het maar omdat dat letterlijk je eigen oorsprong is.En in al die betekenissen is stilte dus gevaarlijker dan porno. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  26. 28

    VOEL!

    Deze aflevering krijgen jullie allemaal van mij cadeau. Mocht je de rest ook willen zien, steun dan mijn werk en neem een betaald abonnementje. Dan krijg je er de komende maanden nog vier bij en kan je ook de oudere terugvinden. Verder maandelijks een mystieke tekst met online bespreking en de wekelijkse homilie. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  27. 27

    Christus op de Koude Steen

    In elk fatsoenlijk katholiek huishouden zijn er een paar van die heiligenbeelden die veel meer zijn dan decoratie. Ze omlijsten lief en leed in het huis, en zwijgen wel maar drukken er toch hun stempel op. Sowieso zeggen ze alles over de religieuze mentaliteit van degene die ze heeft uitgekozen. Of bij wie ze aan zijn komen waaien. Ze worden niet, zoals andere soms wel, weggegeven of omgewisseld met andere aan de hand van geestelijke luimen en modes.Ook hier in de kluis zijn er een paar van die. Ik ben weliswaar nogal van het weggeven van heiligen, maar deze mogen pas weg als ik zelf ook word uitgedragen. Ze zijn zoiets als vaste schietgebeden in plaatjesvorm, die elke keer dat ze bewust worden waargenomen hun geuren verspreiden.Eén ervan noemen we hier Christus op de koude steen. Hij zit op een houten piëdestalletje tegen de muur boven de trap naar de keuken. Ik heb hem nog niet eens zo lang, een jaar of acht. Hij was eigenlijk een miskoop bij de laatste verbouwing van het hoogaltaar in de kerk.Het is geen museumstuk. Dat is fijn, want ik doe niet aan museumstukken. Het bewaren en bewaken daarvan is me te veel gedoe. Deze Christus zal wel eens een keer in de tweede helft van de achttiende eeuw of zo ergens in Beieren of Tirol gesneden zijn. Karakter heeft hij zonder meer, maar een klassieke schoonheid is hij zeker niet. Daarbij is hij sinds hij gemaakt werd wel een keer of drie opnieuw opgeverfd in frisse kleuren, waarschijnlijk tijdens de voorjaarsschoonmaken van 1820, 1860 en 1890 of iets in die richting. De laatste keer is dat trouwens met erg veel liefde en vakmanschap gedaan, daar niet van.Wat we zien is Jezus die, vlak vóór zijn lijden, heel even genegeerd wordt. Zijn beulen zijn bezig het kruis te halen of de weg vrij te maken of misschien gewoon een boterham aan het eten. In ieder geval is Jezus alleen, en schijnbaar totaal onbereikbaar voor de buitenwereld. Zijn ogen zijn wel open, maar zien niets.Hij ziet niets, maar wij zien Hém wel. Wij zien Hem zelfs dubbel. Want wij kunnen naar dit beeldje kijken door twee totaal verschillende brillen, die beide een totaal ander tafereel laten zien.De eerste bril is laat-middeleeuws en is van typisch Nederlandse makelij. Die toont ons ‘Christus op de koude steen,’ zoals ik al zei. We zien Jezus van God en mens verlaten. Zelfs de aarde die Hem draagt, de steen waarop Hij zit, is koud en onverschillig. Er is voor Hem geen enkel mededogen, geen enkele emotionele toevlucht meer. Hoewel Hij omgeven is door mensen en vooral door menselijke agressie en lawaai is Hij zo alleen als een mens maar zijn kan. Volledig op zichzelf teruggeworpen is Hij helemaal offer geworden. Een offer is iets dat wordt opgegeven en losgelaten om iets anders - dat duidelijk van grotere waarde is - te redden of te krijgen. Hij is de zondebok, afschuwelijk geworden omdat Hij alles wat slecht en schuldig is aan de mensheid op zijn schouders draagt. Hij is de enige onschuldige in het tafereel, ja zelfs op aarde. Toch stelt Hij hier en nu het kwaad tegenwoordig dat zo meteen de woestijn van de dood zal worden ingejaagd om te verdwijnen en op te lossen en los te laten en vergeten te worden.‘Hij die bestond in goddelijke majesteitheeft zich niet willen vastklampenaan de gelijkheid met God.Hij heeft zichzelf ontledigden het bestaan van een slaaf aangenomen.Hij is aan de mensen gelijk gewordenen als mens verschenen heeft Hij zich vernederd.Hij werd gehoorzaam tot de dood,tot de dood aan het kruis.’Wij noemen die totale zelfgave van Jezus in zijn lijden van oudsher ‘ontlediging,’ een werkwoord dat eigenlijk alleen maar voor Hem, en alleen voor Hem in die specifieke toestand gebruikt wordt. In het Grieks staat er ἐκένωσεν, Hij maakt zichzelf leeg. Zo mogen we dus ook die blik hier interpreteren: leeg. Hij ziet niets omdat Hij letterlijk een lege blik heeft. Hij is hier gekomen om op te lossen en te vervliegen. Geen zelf meer te zijn.Heel indrukwekkend, allemaal, maar eigenlijk totaal ongeschikt om op een piëdestalletje boven een keukentrap te staan. Misschien goed voor een lijdensmeditatie in de Kerk tijdens de vasten, maar niet voor tien keer per dag letterlijk tussen de soep en de aardappelen.Toch staat ie prima waar ie staat. Er is namelijk ook een andere blik door een heel andere bril mogelijk, en in feite is dat hier de enige juiste. Want mijn ‘Christus op de Koude Steen’ is stiekem helemaal geen Christus op de koude steen, maar een ‘Christus in der Rast.’ Hij is niet middeleeuws, maar barok, en niet Nederlands, maar Beiers.Ogenschijnlijk zien we precies dezelfde scène. De beulen zitten nog steeds achter hun boterhammen en Jezus gaat nog steeds hetzelfde, afschuwelijk lot tegemoet. Maar in plaats van de totale verlatenheid kijken we hier naar een verborgen hemel. Jezus’ blik is niet leeg, maar alleen naar binnen gekeerd. Naar binnen waar Hij in vrede is, in rust. ‘In der Rast,’ zegt de Duitse titel niet voor niets. Terwijl zijn kwellers heel even met andere dingen bezig zijn laaft Jezus zich aan dezelfde warme liefde die Hij nou eenmaal is, en die Hem ook in staat stelt dat groteske offer te brengen.Wat daar boven de keukentrap door dat onnozele boerenbeeldje tegenwoordig wordt gesteld is niet de berusting op de rand van de wanhoop, maar de rust van de liefde zelf, die diep van binnen gloeit en verwarmt. Elke keer als ik er langs loop word ik eraan herinnerd dat - ook al staat de wereld in brand en is het bestaan elke minuut van je leven onzeker en onveilig - Gods koesterende aanwezigheid beschikbaar is. Ook in mijn eigen diepste wezenskern.Ik ben immers mens, en dus naar Christus’ beeld geschapen. Zo vluchtig, breekbaar, zwak en veranderlijk als ik ben draait heel mijn wezen om een innerlijke scharnier die onbeweeglijk en onveranderlijk en onbreekbaar is. Die ik voortdurend uit Gods eigen scheppende plezier ontvang als een levensvonk die niet te doven is, wat er verder ook mag gebeuren. Niet voor niets hebben de kartuizers - die hun hele leven aan het innerlijk leven wijden - als motto: ‘Stat Crux dum volvitur mundi,’ vrij vertaald: het kruis staat terwijl de wereld draait. Juist zij die de blik, net als mijn beeldje, naar binnen richten worden zich duidelijk bij uitstek bewust van dit wonderlijke geheim. Dat verbergt zich in iedere mensenziel en iedere mensenziel kan daar toevlucht vinden als het lichaam dat zij bezielt op een koude steen wordt gezet.Maar het is wel het kruis dat staat terwijl de wereld draait. Want aan de barokke Beierse warme rust gaat de Hollandse koude steen vooraf. De reden dat Christus’ tederheid voor mij aanwezig is, is omdat Hij zich aan mij aanbiedt. Offert. Opgeeft. En Hij moedigt ons aan Hem daarin ook na te volgen.“Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mij, die zal het vinden.”Dat klinkt als een streng woord, maar betekent niks anders dan de oproep trouw te blijven. Stand te houden boven de keukentrap, tussen de soep en de aardappelen, en daar warmte uit te stralen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  28. 26

    Preek eerste Zondag van de Vasten

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  29. 25

    Vasten? Waarom in vredesnaam?

    Wat heeft vasten nou voor nut? Ik heb het even over geestelijk nut, niet over afvallen of cholesterolverlaging of zo. Wat moet je met dat vasten? Juist in geestelijk opzicht? Want bijna alle religieuze tradities komen ermee, maar als je er echt over nadenkt slaat het eigenlijk nergens op.Veel mensen zien vasten als een vorm van boete doen. Dat is ook heel klassiek Bijbels. Het meest beroemd is het voorbeeld van de profeet Jona (inderdaad, die van die walvis). Die moet van God naar de enorme stad Ninevé om luidkeels te verkondigen dat alles en iedereen daar zal worden vernietigd als straf voor de zonde en de ongerechtigheid. De koning van Ninevé luistert zowaar naar Jona en bekeert zich met heel zijn volk. En hij toont dat door te vasten. Hij scheurt zijn kleren en verordonneert dat niemand nog wat mag eten of drinken, tot en met de dieren. En God is daar duidelijk van onder de indruk, want Hij trekt zijn straffen in en laat de Ninevieten in leven.Wij kennen deze historie te goed om er nog erg diep over na te denken, laat staan ons erover te verbazen, maar is het in feite geen krankzinnig primitief verhaaltje? Want wat heeft God aan de rammelende magen van de bewoners van Ninevé? Voedt Hij zich soms met wat zíj zich uit de mond sparen? Ik dacht het niet. Warmt Hij zich aan de liefde en de eerbied die zij Hem betonen? Nee, want ze houden niet van Hem, ze zijn alleen maar bang voor Hem. Geniet zijn sadistische kant dan van hun vernedering? Kietelt het Hem, dat zij uit angst voor zijn straffen door de knieën gaan? Ik hoop het niet! Wordt het onrecht dat zij hadden begaan dan soms goed gemaakt door hun vasten? Misschien als zij uitdelen wat zij door hun vasten hebben bespaard, maar daarvan wordt nergens in het boek met ook maar een woord gerept. Eigenlijk komen noch de Ninevieten, noch God zelf erg sympathiek uit de verf in het boek Jona. God is een autoritaire verschrikking en Ninevé een stad vol huichelaars zonder ruggengraat.Elders in het Oude Testament wordt dat beeld wel wat gecorrigeerd. Daar klaagt God het onoprechte vasten aan. ‘Jullie vasten terwijl je nog steeds anderen uitzuigt en bedreigt,’ laat Hij de profeet Jesaja verkondigen. Dat is niet het vasten dat Hij wil zien. Wat Hij in plaats daarvan wil is: ‘boeien van onrecht losmaken, verdrukten vrijlaten, hongerigen brood geven.’ Inderdaad nobele dingen, maar niet wat wij van oudsher met vasten associëren.“Keert tot mij terug met heel uw hart, met vasten, geween en rouwklacht,” lezen we dan weer bij de profeet Joël. Daar draait het erom je om te draaien, met andere woorden. Je stond met je rug naar God, van Hem af. Nu keer je je weer om, naar Hem toe, en stel je je weer open voor Hem. Dat is zinnig en prachtig, natuurlijk. Maar waarom wil Hij daarbij toch ook weer dat vasten? Ik kan me toch ook naar Hem toewenden, mij door Hem laten beschijnen en verwarmen en mij ondertussen gewoon lekker volstoppen met pudding en worstenbroodjes?Of is het soms zo dat alles wat het leven aangenaam maakt of zelfs maar verzacht ons van God verwijdert? Hem beledigt? In verbazend veel religieuze tradities lijkt er zoiets aan de hand te zijn. Misschien wel omdat in de schepping ingebakken zit dat hoe lekkerder iets is, hoe gevaarlijker voor je levensgeluk. Boter, zout en suiker, alcohol en tabak, en zo kan ik nog wel even verder gaan. Allemaal dingen waar we geen genoeg van kunnen krijgen, maar die ons lichaam slopen als we ons er ongeremd aan overgeven. De vluchtigheid van losgebroken seksualiteit die zoveel van ons parten speelt in het leven. Eer, roem en prestige, die je alles van waarde in je leven ondersteboven kunnen laten lopen als je er al te verbeten naar op zoek bent. En mocht je ze te pakken krijgen, dan verliezen ze op datzelfde moment hun fascinerende aantrekkingskracht. Het enige esthetische geluk dat gratis is, is de schoonheid zelf. Dat ene moment dat de zon de rozengeur uit de appelbloesems kietelt. Of dat de hemel aan het kantklossen is geslagen met windveren en vliegtuigsporen. Tot je beseft dat dat alles je met je hoofd in de wolken laat lopen. Laat verdwalen in vage wensdromen die nooit ook maar iets van vervulling zullen krijgen. Zelfs het terugvinden van de heerlijke momenten die je al hebt beleefd is onmogelijker dan een fietstochtje naar Uranus. Zo veranderen ook die vanzelf weer van zegeningen in straffen.Is alle schoonheid en troost op deze wereld vals? Waarom heeft de goede God er dan zo zijn best op gedaan? Of was dat ook alweer gewoon om ons te verleiden en te vernederen? Ons een worst voor te houden en ons dan een mep te verkopen zodra we zouden toehappen? Wat moeten wij met vasten? Lijden zelfs de gelukkigsten onder ons niet al genoeg aan het leven om er dan ook nog weer lijden aan toe te moeten voegen?Pluk de dag, zeg ik! Vreet de tijd die je gegeven is. Pers elk uurtje uit en zuig elke seconde helemaal leeg totdat je elk sprankje warmte en vreugde door je wezen voelt klotsen.Alleen is dat in de praktijk nou juist een feilloos recept voor een wel héél onbevredigend leven. Als je je bestaan echt gróndig wil verknallen is dát de methode. Eigenlijk werkt het alleen als je het per ongeluk doet. Als je van jezelf al zo ruimhartig en onbekrompen in elkaar steekt dat je het geluk niet alleen aantrekt maar ook zonder er bij na te denken om je heen strooit. We hebben een paar heiligen op de kalender staan die zo in elkaar zaten. Ze nadoen gaat niet. Dingen expres per ongeluk doen is nou eenmaal buitengewoon ingewikkeld.In de praktijk zul je met deze tactiek waarschijnlijk veranderen in het diametrale tegendeel van zo iemand. Een lopend vacuüm dat alle vreugde om zich heen wegzuigt zonder er zelf ook maar een sprankje van te voelen.Toch denk ik niet dat de goede God ons de schoonheid en het genot als valkuilen heeft geschapen. Er is maar één bevredigend antwoord op dit rare mysterie: de schepping is kapot en doet niet meer wat ze hoort te doen, in ieder geval niet meer helemaal. En dat is ook precies wat onze traditie ons leert.De mensen in het heerlijke paradijs die ondankbaar waren zijn natuurlijk niet onze voorouders uit de tijd voor alle tijden. Wij zijn dat gewoon zelf. In die zin is er niks geërfds aan de erfzonde. Wij zijn niet het bokje omdat onze meest achterende en vooral ook achterlijke achter-opa niet met zijn poten van het fruit van de baas af kon blijven. Nee. Wij boeten voor ons eigen plukken in plaats van ons laten voeren. Voor het zelf willen doen en zelf willen weten.Maar wij zien niet wat wij denken te zien, weten niet wat wij denken te weten en verlangen niet wat wij denken te verlangen. En zo trekt in alles wat wij willen grijpen en begrijpen onmiddellijk een barst.Vasten is een stap terug doen. Om weer te leren wat ik wil in plaats van waar ik zin in heb. Om te leren respecteren, het oordeel op te schorten, te laten bloeien in plaats van te consumeren. Belangeloos te bewonderen en dankbaar te zijn.En natuurlijk begint dat ermee dat je je lichaam, dat verwend is, weer onder controle probeert te krijgen. En natuurlijk wordt dat een komedie zonder einde, want je laat je er al je hele leven door koeioneren. Dat verander je niet met een wils-act op één vroom momentje.En dan je verslaving aan overal een mening over te hebben en die ook te spuien. Je verslaving aan je opgeblazen zelfbeeld of juist aan je masochistische zelfvertrapping. Je behoefte aan bevestiging en de manier waarop je geniet als je iemand lik op stuk geeft. Je zwelgen in de drama’s van je tragische bestaan en je surfen op de schuimkoppen van je succesjes. Heel dat gezeur brengt uiteindelijk niks maar is ook verdomd moeilijk gewoon even dóód te slaan.Maar het tóch proberen, ook al is het maar zes schamele weekjes per jaar, toont je je hulpeloosheid. Je kleinheid. De toevalligheid van je bestaan. Het simpele feit dat je niet beter bent dan wie dan ook maar. De wonderlijke niksigheid van wat je vermag tegen wat je haat. En erger: de niksigheid van wat je vermag vóór wie je liefhebt.Alle verdoving even het zwijgen opleggen, dat is waar vasten over gaat. Ook omploegen en overhoophalen wat je liever ongezien laat rusten is waar vasten over gaat.En zo je rouwe bewustzijn even laten zijn wie ze is, en haar ook echt even herkennen en erkennen. Onbedekt, onbedwelmd.Haar hart is een tuin omgrensd met vier stromen: Pison, Gichon, Eufraat en Tigris. Midden in haar groeit een boom waaraan een vrucht hangt die precies laat zien wat er mis is met de schepping. Hij hangt niet aan een steeltje, maar is door een onvoorstelbare sadist met ijzeren nagels aan de boom gespijkerd. Hij is tot pulp geslagen en uitgeperst, doorstoken en met doornen gekroond. Over niet al te lange tijd is Hij rijp en valt Hij op de grond.Als die grond hard en droog is gebeurt er verder niks. Maar als Hij in nederige, goed geploegde aarde valt schiet Hij op en breekt in bloemen uit en wordt een boom waarin de vogels nestelen en maakt alles nieuw.Welnu: dat ploegen van die aarde noemen wij vasten. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  30. 24

    Alleen de liefde is waar

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  31. 23

    Klets ik uit mijn nek?

    Ben ik, met al mijn geleuter over de ziel en God, eigenlijk geen ordinaire flessentrekker? Hoe kan je eigenlijk weten dat ook maar iets van wat ik zeg ook maar enige basis in de werkelijkheid heeft? Is er eigenlijk wel enig verschil tussen een baardige kluizenaar op een stapel middeleeuwse geschriften en een madam op de kermis met een kristallen bol?Ik ben hier het laatste half jaar of zo een lekker potje aan het orakelen. Meestal ging het over mystieke theologie, over de directe ervaring van het Heilige door jouw eigen ziel. Maar hoe kom ik eigenlijk aan al die wijsheid? Want nogal eens zit ik met een air van zekerheid dingen te verkondigen die geen mens kan meten of bewijzen.Ik krijg dan ook best vaak opmerkingen in de trant van: ‘waar haal je het vandaan? Waar baseer je je op? Is dat geen mysterie waar je maar beter je mond over dicht kan houden?’ En, het verbaast je misschien, maar dat vind ik heel terechte vragen.Hoeveel bodem, hoeveel fundament zit er nou onder dit hele vakgebied? Waar drijven al die metafysische speculaties op, de boude beweringen over wie en wat de Grond onder de werkelijkheid is, hoe de ziel in elkaar steekt, en waar zij voor bedoeld is en waarvoor niet?Het klinkt allemaal rationeel en doordacht genoeg, maar presenteer ik hier niet stiekem een zwerm van rekensommetjes die geen serieus beginpunt hebben? Waarvan de premissen maar zo’n beetje uit een sprookjesboek zijn getrokken?Als jij een van die mensen bent die alleen het fysiek meetbare serieus kunt nemen, dan houdt het inderdaad al gelijk daar op. ‘Het beste, hè, daag!’Maar al kan ik geen harde zekerheid geven, een redelijk stevige waarschijnlijkheid is wel mogelijk. Al moet je ook daarvoor wel even dóórzetten. In eerste instantie lijkt de hele zaak hopeloos. Als de mist uiteindelijk optrekt komt dat, tegen die tijd, eigenlijk héél onverwacht.Alles wat ik hier zit te verkondigen is gebaseerd op ervaringen van mensen met wie of wat zij als God meenden te herkennen. Daar wordt de zaak al gelijk niet eenvoudiger op. Het zijn per definitie subjectieve ervaringen, gevangen in herinneringen. En de menselijke herinnering is een heel bedrieglijk vermogen. Het laat dingen weg en voegt dingen toe. Het schuift met accenten alsof het schaakstukken zijn, het verschiet en verkleurt. Dat is een probleem. En niet het enige, ook.Want ik kan die ervaringen ook nog eens niet rechtstreeks bestuderen. Ik beschik niet over een bibliotheek van glazen flessen vol herinneringen die ik zou kunnen opsnuiven of in een schaaltje gieten om eens goed te bekijken, zoals in een Harry-Potterboek. In plaats daarvan ben ik afhankelijk van wat mensen hebben verteld en opgeschreven. Van wat voor woorden ze bij elkaar hebben kunnen puzzelen om hun verschoten en verbleekte belevenissen enigszins aan mij te kunnen overdragen.Vaak gaat het dan ook nog eens om woorden die al lang niet meer worden gebruikt uit een belevingswereld die al lang niet meer bestaat. Zo houd ik mij zelf voornamelijk bezig met teksten uit het Brabant van de middeleeuwen. In het Brabants van de middeleeuwen. Dus van mensen uit een streek die de mijne niet is in een wereld die de mijne niet is die praten over dingen die sowieso al geen mens goed kan bevatten, laat staan reproduceren en verwoorden.En zegt het feit dat we ons maar steeds op die oude teksten blijven storten niet al duidelijk genoeg dat er iets geks aan de hand is? Zijn er geen modernere belevenissen om je bij deze studie op te baseren? Bij ander onderzoek over psychologische verschijnselen baseren we ons toch ook niet op een dataset uit de veertiende eeuw?Goed, dat zijn voor deze insteek wel even voldoende vragen. Ik zal ze in omgekeerde volgorde proberen te beantwoorden.We gebruiken oude getuigenissen van mystieke ervaringen omdat er zich in de late middeleeuwen een hoogtepunt van geletterdheid op dit terrein voordeed. Godservaringen zijn er overal en altijd, tot en met bij mensen die niet eens in God geloven. Maar het vermogen om zó over het onuitsprekelijke te kunnen spreken dat een ander er ook iets van kan verstaan is veel zeldzamer. Om zoiets te ontwikkelen is niet alleen een intens geestelijk leven nodig, maar ook een verfijnd technisch begrippenapparaat en zoiets als een traditie van poëtische fijngevoeligheid. Het virtuoos kunnen dansen met symbolen en metaforen. Dat bereikt geen mens op eigen kracht, zoals het domme moderne romantische idee van ‘het genie’ het altijd wil hebben. Wij hebben helaas geleerd om hoogst individuele schittering het meest te bewonderen. In de middeleeuwen hadden ze daar een broertje dood aan. Daar bouwden ze aan kathedralen in plaats van aan persoonlijke reputaties.Zo’n kathedraal kan alleen tot rijping komen als individuele mensen zich generaties lang dienstbaar kunnen maken aan een project dat groter is dan henzelf, en dat ze zelfs bij leven niet eens áf zullen zien. Uit idealisme in plaats van uit persoonlijke ambitie.Zo is het ook precies met de taal van de Godservaring. Mensen konden er in die tijd tevreden mee zijn om generatie op generatie steeds maar door te blijven schaven aan een traditie, aan een school, aan iets dat groter was dan zij zelf. Daardoor ontstonden er ‘kathedralen van taal’ die tegenwoordig nooit meer rijp zouden zijn geworden.Een van de meest gelukte van die taalkathedralen is de Zuid-Nederlandse mystiek van tussen de twaalfde en de zestiende eeuw. Die kon groeien omdat er duidelijk ruimte voor was, we begrijpen niet helemaal goed waarom nou net daar. In het beginstadium ontkiemde deze vorm van mystiek vooral bij devote vrouwen, zowel bij zusters als bij een soort vrijgevochten godgewijde maagden, de begijnen. In de veertiende eeuw werd zij briljant gesystematiseerd door Jan van Ruusbroec. Als hij niet in het Nederlands, maar in het Latijn zou hebben geschreven zou hij nu bekend hebben gestaan als de Thomas van Aquino van de mystiek, waarschijnlijk. Als degene met alle antwoorden op alle dingen. Misschien toch maar goed dat hij in het Nederlands heeft geschreven, en niet in het Latijn.Hoe dan ook hebben we zijn taal en zijn begrippenapparaat ook nu nog hard nodig. Want wat er na hem kwam was in eerste instantie voor een groot deel op hem gebaseerd, zoals wat er in Frankrijk en Spanje in de barok ontstond. Maar wel duidelijk van mindere kwaliteit. Veel pretentieuzer, warriger en ingewikkelder, en ook vaker afgeleid door sensationele bijverschijnselen.Daarna kwam de achttiende eeuw, waarin mensen sowieso meer bezig waren met meten dan met verstaan. In de negentiende eeuw kwam daar weer een reactie op, maar die verloor zich in wat ik daarnet als even heb aangestipt: de aanbidding van het individuele, hoogstpersoonlijke, uiterst bijzondere.Dat heeft kostbare schatten opgeleverd, maar weinig wat je kunt toepassen op wat normale, alledaagse christenen in hun innerlijk van Gods aanwezigheid ervaren. Daarom blijft van alle brillen die mij gegeven zijn de veertiende-eeuwse nog steeds het scherpste beeld geven.Maar klopt er ook maar iets van dat beeld? Want daar ging het nou net over. Zoals ik al zei: een hard bewijs in de moderne zin ga je niet krijgen, maar er is wel iets dat mij persoonlijk er alle vertrouwen in geeft. En dat is de enorme berg overeenkomsten tussen dit soort ervaringen en de teksten daarover uit de meest uiteenlopende momenten en culturen. Soms tot op de meest verfijnde details.Het ligt niet voor de hand dat de Indiase mysticus Adi Shankara uit de achtste eeuw veel Augustinus had gelezen. Toch komt hij met begrippen die naadloos passen op hoe Augustinus de structuur van de ziel voor zich zag. Ik beweer niet dat hun ideeën hetzelfde waren - dat zou kinderachtig zijn. Ze opereerden zelfs met totaal verschillende wereldbeelden in het achterhoofd. Shankara met het idee dat alles één is en alle verschillen maar illusies zijn. Dat het leven een cyclus is die zich eindeloos herhaalt. Augustinus met het idee dat afzonderlijke dingen - en vooral personen - er maar al te zeer toe doen en ook een bestemming hebben. Maar op micro-niveau passen de onderdelen die ze onderscheiden in de werkelijkheid en vooral in de menselijke ziel, vrijwel naadloos in elkaars systeem. Als er een schroefje of een lagertje in Shankara’s brommer kapot gaat kan hij er zonder problemen een reserve-exemplaar van Augustinus inschroeven.Dat komt omdat ze beiden niet zomaar speculatief zaten te fantaseren, maar zich baseerden op het heel intens beleven en observeren van hun eigen innerlijk. En wat God daar allemaal in uitspookte.En zo gaat het steeds. De meeste geestelijke tradities van de mensheid hebben twee gezichten. Een aspect dat we ‘mythologisch’ of ‘dogmatisch’ of ‘systematisch’ noemen. Dat is een in symbolen gevatte vertelling over hoe de wereld en God of de goden zijn, hoe ze zo geworden zijn en hoe ze ooit eens zullen zijn. En hoe de mensen daar in passen. Dat geheel noemen we ook wel ‘exoterisch,’ vrij vertaald ‘buitenkanterig.’ Voor iedereen onmiddellijk zichtbaar.Niet alle, maar wel veel religieuze culturen hebben daarnaast ook een gezicht dat we van oudsher ‘esoterisch’ noemen, zeg maar ‘binnenkanterig,’ ‘innerlijk.’ Daarmee bedoelen we dat een deel van de aanhangers van die traditie zich bezig houden met het observeren en verwoorden en delen van hun meest directe godsontmoetingen. Het woord ‘esoterisch’ heeft bij ons een heel rare bijklank gekregen omdat het sinds de jaren zestig vooral wordt geassocieerd met de meer fantastische randjes van de traditie. De ‘stoute,’ ‘verboden’ randjes vooral. Heksen en waarzeggerij en wichelroedelopen en zo. Daarom gebruik ik zelf liever ‘mystiek’ of ‘contemplatief.’ Dat zijn beide min of meer synoniemen.Hoe dan ook is dat het deel van de religieuze kennis dat rechtstreeks op ervaring, ontmoeting, beleving steunt. En dus ook alle grenzen tussen religieuze systemen met voeten treedt.De eenvoudigste verklaring daarvoor is dat mystici met vergelijkbare bevindingen komen omdat ze met dezelfde werkelijkheid in contact treden. Wereldbeelden verschillen, smaken en culturen en mentaliteiten. Maar God, de Absolute, is overal en altijd dezelfde. En duidelijk ook overal en altijd aanwezig. Beschikbaar. Of, om nog maar eens een ander woord te gebruiken: echt. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  32. 22

    Scholastica

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  33. 21

    De Zaaier

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  34. 20

    De Hygiëne van het Heilige

    Hoe koester je God?Stel je voor: een archeoloog zoekt al jaren in de Pyreneeën naar een geheimzinnig heiligdom waar de Heilige Graal verstopt zou moeten zijn: de kelk die Jezus gebruikte bij het laatste Avondmaal. Al die tijd heeft hij niks gevonden, maar nu is er hoop in zijn hart.In de crypte van een vervallen kapel op een bergtop heeft hij een zware deksteen van rode zandsteen laten lichten. Die bleek een schacht met een wenteltrap te verbergen. De archeoloog daalt langs die trap af naar de geheimzinnige diepten. Hij komt uit in een doolhof van flamboyante gotische galerijen, bont beschilderd met taferelen uit de graallegenden over koning Arthur en de koene ridders Galahad en Parcival.Die worden flakkerend verlicht door brandende toortsen aan de muren. Woont hier iemand die die toortsen aan heeft gestoken? Hij ziet geen mens. Hij huivert. Behoedzaam dringt hij steeds verder en verder binnen in dit wonderlijke oord. Uiteindelijk vindt hij een enorme poort van zilver, vol nissen met heiligen met gouden stralenkransen. Hij duwt er tegenaan. Ze moeten wel loodzwaar zijn, maar toch draaien ze geruisloos open, met een zucht, als van een kluisdeur.Voor hem strekt zich het heilige der heiligen uit, met gewelven zo hoog dat ze boven zijn hoofd in een lazuurblauwe schemering lijken te verdwijnen. In de verte ziet hij een altaar met een schrijn in de vorm van een toren, waar een zacht licht uit straalt. Met knikkende knieën loopt hij verder. En ziet dan dit...(intro)Religie is er om een ruimte aan te bieden waarin mensen tot de ontmoeting met God kunnen komen, en ín God met elkaar. Dat doet religie door op heilige plaatsen op heilige momenten heilige handelingen te stellen. Voor zover we kunnen overzien is dit alles een merkwaardig, maar noodzakelijk element van een gezonde samenleving. Niet alleen is het verschijnsel religie zo goed als universeel maar ook worden er vrijwel consequent veel geld, middelen, gebouwen en mensen in geïnvesteerd. Onze postmoderne, westerse samenleving is de enige echte uitzondering, maar daarover later meer.Het resultaat van al die moeite manifesteert zich in de vorm van momenten in het mensenleven dat alles wat seculier is, al het tijdelijke, met andere woorden, heel de strijd om het bestaan, de dagelijkse dingen, de zorgen en problemen, de begeerten en ambities, conflicten en verwijten, even tot zwijgen komen. Nou vinden mensen het heel moeilijk die dingen los te laten, al is het maar voor een ogenblik. Om dat mogelijk te maken is alleen de meest oprechte ernst afdoende.We zoeken daar immers de Absolute, de grond onder de werkelijkheid zelf. Nou wil de ironie dat juist het meest ontzagwekkende ook het meest kwetsbare is. Het fluistert in plaats van te schreeuwen, het uit zich als het suizen van een zachte bries. Het is, met andere woorden, alleen waarneembaar en verstaanbaar als meer lawaaierige elementen worden geweerd.Ik bedoel dat niet alleen letterlijk, in de vorm van geluid, maar ook visueel, sociaal, psychologisch en dan vergeet ik vast ook nog wel een paar aspecten meer. Al die dingen kunnen, als ze op het verkeerde moment of in de verkeerde combinatie het heiligdom binnengebracht worden, de sacrale spanning breken die het religieuze ritueel zijn geloofwaardigheid geeft. Daar is maar heel weinig voor nodig en de gevolgen zijn onmiddellijk dodelijk. Als het verkeerd gaat kan iedereen eigenlijk wel gewoon naar huis.Sterker nog: het is maar beter dat iedereen dat dan ook doet, want bedorven religie is een bijzonder giftige substantie voor de ziel. Het bederf van het beste geeft het allerslechtste, zei de heilige Augustinus al in de vierde eeuw of zo. Vergelijk het maar met een restaurantkeuken vol ratten, schimmel en kotsende koks.Sacrale hygiëne is wat ons tegenwoordig nogal eens ontbreekt. Het onvermogen om het profane te scheiden van het heilige.En dat terwijl het niet zo heel moeilijk is zodra je weet waar het probleem zit. Het enige wat nodig is, is onbeschaamde eerbied. Je niet schamen het heilige te eerbiedigen. Durven te knielen, durven ontzag te hebben. Zonder ironie. Naakt voor God te staan en dat uit te houden. De meest uiterste Realiteit te herkennen en te erkennen. En die - in het heiligdom - op geen enkele manier te relativeren. Als iets in strijd voelt met de wijding van die plaats is het waarschijnlijk ook in strijd met de wijding van die plaats.Vaak is het verschil tussen de twee categorieën sterk cultureel bepaald. Bij ons in het westen wordt het heilige bij uitstek geassocieerd met het oude, het verstilde, het trage en het natuurlijke. Dat is voor sommige postmoderne dramkousen een reden om er juist de hele tijd met platvoeten doorheen te willen banjeren. Maar dit soort associaties veranderen maar heel traag, en hebben met inclusiviteit of uitsluiting niks te maken. Als je ze niet respecteert heeft de Kerk geen enkele zin meer. De heilige zal er zich objectief nog wel manifesteren, maar op een manier die niet subjectief te ervaren is door de mensen voor wie het bedoeld is.Nou verwachten jullie natuurlijk van mij een vurig pleidooi voor een zo snel mogelijke terugkeer naar de traditionele Latijnse Mis. En het klopt wel dat ik iets in die richting uiteindelijk verstandig zou vinden. Maar wat ik vind doet er niet zoveel toe. De meesten van ons mogen dat helemaal niet, kunnen dat ook niet en er zijn er ook nog best veel die het ook niet zouden willen, vooral de oudjes niet. En oudjes hebben ook een ziel.Prima. Maar werk er dan omheen. Want zoals het de afgelopen zestig jaar is gegaan kan het echt niet langer. Dat is mensen hun broodnodige religieuze behoeften onthouden.Als jij verantwoordelijk bent voor de liturgie is je enige taak de mensen met God te laten communiceren, in alle betekenissen van dat woord. Zorg dan dat je leidingen niet verstopt zitten met braggel die nergens voor nodig is en je bestaan tot dat van een loodgieter zonder waterpomptang degradeert.En wat is die braggel dan zoal?Lach me maar uit, maar ik gebruik daarvoor de Indiana Jonestest. Het is om je rot te schamen dat Steven Spielberg duidelijk beter weet hoe je het heilige kan laten beklijven dan veel priesters, maar daar kan ik ook niks aan doen.Dus: stel je voor: Indiana Jones heeft in een grottenstelsel achter een waterval een exotisch heiligdom ontdekt. Daar ergens zou het astrale amulet van troeliepoelie moeten rusten op een met geheimzinnigheid omringd altaar.Welnu: alles wat in die film bij de bioscoopgangers het opschorten van het ongeloof zou kunnen verstoren heeft ook geen plaats in de kerk. De naam Troeliepoelie is dus alvast niet goed. Net als go-zondag, startzondag, Night-Fever en ga zo maar verder.Ook is de muziek van doorslaggevend belang. Als er naast de omineuze talisman twee afgodische priesters met kettingen van schedels zitten die uit volle borst oubollige liedjes met onoprechte teksten zitten te kwelen met een gitaar wordt de film geen kaskraker.Als het grootste deel van de ceremonie uit praten en voorlezen en dan nog meer praten bestaat komt het niet goed. Zo ook als de orakels van Oetsiepoetsie voor het altaar van Troeliepoelie worden voorgelezen door een vrijwilligster in een roze legging die niet weet waar de klemtonen horen te liggen en bovendien alle onheilsdreigingen van een lieflijke kleuterjuffrouwencadans voorziet.Als er een vlag naast het altaar staat die oproept tot donaties en die ook nog eens een zo zakelijk mogelijk ontwerp heeft flopt het hele spul ongenadig. Natuurlijk is het hartstikke belangrijk dat de mensen solidair zijn met hun heiligdommen. Natuurlijk moeten die afgodische priesters eten en af en toe een nieuwe schedelketting. Ook is het fijn als de grot wordt schoongemaakt en, als het moet, wordt gestut zodat hij niet boven het hoofd van de afgodische priesters in elkaar stort.Maar dan nog: die vlag hoort niet in het heiligdom, maar in het bezoekerscentrum aan het begin van het pad dat naar de grot leidt. Hetzelfde geldt voor kindertekeningen en tentoonstellingen over de sokkenbrei-acties voor de bevroren tenen in Fins-Lapland.Als er te zien is dat een schoonmaker fluitend vlak voor het altaar van Troeliepoelie langsloopt en onder het stofzuigen even zijn bril erop legt is het magische moment voorbij. Überhaupt is het respecteren van taboes belangrijk als het gaat om het heilige. ‘Doe je schoenen uit, want deze plaats is heilig,’ zij God tegen Mozes. Daarom helpt het als echt niemand op het priesterkoor is die daar niet persé moet zijn. En dan nog het liefst in liturgische kleding.En even voor de helderheid: dat alles oplossen hoeft niet duur of extreem ingewikkeld te zijn. Het is vaak eerder een kwestie van weglaten dan van toevoegen. Van opruimen dan van opdirken. Ik ben zelf toevallig van de barok en de overdaad, maar dat kost heel veel tijd en gedoe om precies goed te krijgen. Precies de andere kant op werkt ook. Tenzij je een plaats van volksdevotie beheert, zoals een plaatselijk bedevaartsoord of zo, maar dat is een vak apart dat we hier nu maar even zullen laten voor wat het is.Het toverwoord is hygiëne. Het heilige is een eigen categorie die geen vermenging met andere verdraagt, anders gaat het onmiddellijk bescheiden aan de kant en wordt onzichtbaar.Dus: roept iets de sfeer op van zakelijkheid, politiek, huiselijke gezelligheid of therapeutische afstandelijkheid? Dan moet het uit de buurt van het altaar gehouden worden. Is iets ontworpen alsof het met commercie te maken heeft, dus roep het associaties op met het bedrijfsleven? Nee!Berucht was op een gegeven moment het nieuwe schepje waarmee je in Houthem zand uit het graf van de heilige Gerlachus kunt scheppen. Dat was, waarschijnlijk door een reclamebureau, zo gelikt herontworpen dat het de gewijde sfeer in de war stuurde. Soms kun je het ook juist uit liefde te goed je best doen. Roept iets de basisschool of de tennisclub in herinnering? Nee! Allemaal prima dingen, maar niet hier en nu. Heeft het de sfeer van entertainment over zich? Nee!Een mens kan niet schakelen van atmosfeer zonder dat dat bakken energie kost. De religieuze atmosfeer is tegelijk een van de sterkste en een van de meest kwetsbare die er bestaat. Laat mensen daar rustig in verwijlen om te wachten tot God ze daar wil omarmen, en laat de kletspraatjes met de kinderen, de reclamevlaggen, de manga-poppetjes en de truttenliedjes buiten. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  35. 19

    Wat doen religieuze rituelen?

    Het gebeurt op een dag, dat Jezus in Bethanië is, in het huis van Simon de melaatse. Er verschijnt een vrouw met een albasten flesje pure nardusbalsem dat driehonderd denarieën waard is - zeg maar dertigduizend euro naar de huidige maatstaven. Ze breekt dat flesje open en giet het uit over Jezus’ hoofd. De leerlingen worden woedend. Hoeveel armen hadden met dat geld wel niet geholpen kunnen worden? Maar Jezus reageert onverwacht. Hij zegt: zij heeft een goed werk aan mij gedaan. De armen hebben jullie immers altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie.Een idioot verhaal en een vervelende man, die Jezus, zijn wij geneigd te denken. Hij doet hier haast wat denken aan een van die sekteleiders die zich wentelen in luxe en de idolate verering van hun slachtoffers. Maar als wij zo denken zou dat wel eens kunnen komen omdat wij zelf vervreemd zijn van een essentieel onderdeel van ons menszijn. In de vorige twee afleveringen hebben wij nagedacht over wat godsdienst eigenlijk is, en de conclusie getrokken dat een religie waarschijnlijk in essentie samenvalt met haar rituele doen en laten.Maar wat is nou eigenlijk het concrete effect van die rare handelingen? Is het pure verspilling van middelen en zelfs mensen, of doet het wel degelijk iets? Wat krijgen wij terug voor de kostbare nardusbalsem die wij uitgieten over het hoofd van God? Daarover gaat het vandaag.(intro)Het is mijn persoonlijke overtuiging dat menselijke samenlevingen altijd gefundeerd zijn op een dragende godsdienst, en de essentie van die godsdienst is het ritueel. Als het ritueel niet meer gerespecteerd wordt of zelfs helemaal stilvalt vervliegen ook de leerstellingen en de normen en waarden van de religie en daarmee van de hele maatschappij die op die religie was gebaseerd. Die begint vanaf dat moment dan ook uit elkaar te vallen.Ik denk er al heel lang zo over, en word ook mijn hele leven al steeds weer in die overtuiging bevestigd door wat ik om mij heen zie gebeuren. Wij kennen de symptomen ervan allemaal, want wij leven er elke dag mee. Ik heb het over al deze dingen trouwens ook al uitgebreid gehad in de vorige twee afleveringen van deze serie. Mocht je die nog willen bekijken, dan staan er links in de beschrijving hieronder.Maar toch, wat doen religieuze rituelen nou eigenlijk concreet? Het doopsel mag dan een wassing zijn: als anti-bacteriële maatregel stelt het niet veel voor. Het heilig Misoffer mag dan wel een maaltijd zijn, maar je dagelijkse portie calorieën zal je er niet uit kunnen halen. Met andere woorden: alles wat je materieel van een religie kunt zien en vastpakken is schijnbaar ondoelmatige verspilling. Verloren moeite en tijd. Van de dure gebouwen, de offers en de geïnvesteerde tijd is er weinig tot geen tastbaar rendement te verwachten. Toch speelt het hele gedoe op de een of andere manier een cruciale rol bij het instandhouden van samenlevingen, maar hoe? Wat is nou eigenlijk puur technisch het gevolg van een ritueel? Wat doet het?We hebben al gezien dat culturele antropologen en godsdienstsociologen of hoe dat volkje zich op een zeker moment ook maar mag noemen de grootste moeite heeft met definiëren van wat religie eigenlijk is. Met het interpreteren van religieuze rituelen loopt het nog veel verder uit de hand. Dat komt omdat de academische godsdienstwetenschappen allesbehalve waardenvrij zijn ontstaan en opgebouwd. Het voert een beetje te ver om de hele geschiedenis hier uit de doeken te doen. Mocht je willen weten hoe die wereld tikt, dan kan ik je van harte aanbevelen het werkje ‘Denken over religie’ van Valeer Neckebrouck eens door te nemen. Dat is heel toegankelijk geschreven en leest eigenlijk als een thriller.In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat er een touwtrekwedstrijd is geweest tussen twee soorten godsdienstonderzoekers.Aan de ene kant stonden geleerden die stiekem romantici waren. Zij droomden over oerreligies en archetypen en moedergodinnen en zo. Zij waren ook geneigd aan religie een grote zelfstandige waarde toe te kennen.Aan de andere kant stonden geleerden die stiekem politici waren en meer droomden over het betrappen en uiteindelijk slopen van machtsstructuren. Zij zagen religie bovendien meestal louter functioneel, als een sociaal instrument.Bijna niemand in dit hele proces had trouwens veel achting voor het moderne Europese christendom, en dat werd er niet beter op toen marxistisch-achtige ideeën een steeds grotere rol in álle menswetenschappen gingen spelen. Als je dus in het nieuws of zo hoort over zogenaamd ‘wetenschappelijk onderzoeken’ naar religie, bijvoorbeeld naar het secularisatieproces, dan weet je dat je niet zit te kijken naar de droge observaties van feiten. Er is in de wereld van de sociologie eigenlijk geen serieuze academische distantie, al het gescherm met statistiek en kwantitatief onderzoek ten spijt. Ook die kleuren zich immers makkelijk aan de hand van de smaak van de onderzoeker door de precieze vragen die hij stelt of juist angstvallig vermijdt.Goed, laten we evengoed de conclusies van de beroemdste van die figuren maar even snel de revue laten passeren, zodat we een idee krijgen van de sfeer. Ze lijken in eerste instantie interessanter dan ze in feite zijn, dus we doen dit even zak zak allez-hoppe.We beginnen natuurlijk in de negentiende eeuw. Toen zagen figuren als Tylor, Frazer en Malinowski, allemaal vroege antropologen, religieuze rituelen nog voornamelijk als futiele pogingen van het magische denken om de natuurkrachten te beïnvloeden. Beheersing te krijgen over de onbeheersbare bedreigingen van het leven. Een beetje zoals moderne huiskameratheïstische verjaardagsfeestjesorakels er tegenaan kijken.Iets later, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verschijnen er antropologen als Arnold van Gennep en Victor Turner. Zij zien godsdienstige rituelen vooral als rites de passage, overgangsrituelen: door ceremoniële transformaties door te maken krijg jij als individu een andere positie in de gemeenschap. Daardoor ga jij je meer met het collectief identificeren en dat wint dan weer aan betekenis, hechtheid en stabiliteit.Verder ontsnappen we ook deze aflevering natuurlijk weer niet aan Émile Durkheim met zijn idee dat de religie - en dus ook het ritueel - een projectie van de samenleving zelf is. God is, volgens hem, de maatschappij die zichzelf viert en zich daardoor bevestigt en versterkt. Denk maar aan hooligans die ‘we are the champions’ zingen. Zoiets.Iemand die bekend staat als gematigd, maar stiekem waarschijnlijk de meest cynische grapjas van het hele stel is, is Clifford Geertz. Hij ziet de rituelen van een religie als niks anders dan de trukendoos die het wereldbeeld van die godsdienst zo écht laat lijken. Rituelen zijn volgens hem georkestreerde belevingen die een religieus systeem de illusie van tastbaarheid, zichtbaarheid en geloofwaardigheid moeten geven. Het lijkt er trouwens niet op dat Clifford Geertz ooit echt tot de beleving van een religieus ritueel is doorgedrongen, maar dat terzijde.Dan gaan we nog even naar Peter Berger. Dat is misschien dan weer de meest zinnige denker uit deze richting. Hij ziet religieus ritueel als een ordenend systeem dat de bestaande werkelijkheid - die van zichzelf chaotisch en betekenisloos is - zin en structuur moet geven. Bij Berger zet je je door rituelen te voltrekken in feite een bril op de neus die een soort duidend raster over de wereld legt. Die verandert daardoor wel niet objectief, maar wordt voor de mens wel veel beter te navigeren zonder in paniek te raken.Je merkt wel dat ik tot nu toe alleen denkers heb behandeld die religieuze rituelen reductionistisch functionalistisch interpreteren. Ze reduceren religie tot een instrument van de maatschappelijke orde, tot een onderdeel van de machtsstructuur in samenlevingen.Niemand van al deze figuren ziet religie als een zelfstandig aspect van het menselijke leven, laat staan als de geestelijke wortel ervan. Natuurlijk zijn er ook geleerden geweest die daar heel anders tegenaan keken.De eerste daarvan was, in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, Rudolf Otto. Hij definieerde ‘het heilige’ als een onuitsprekelijk fenomeen dat eigenlijk door elke mens weleens wordt ervaren. Het is tegelijk heel aantrekkelijk maar ook héél angstwekkend. Hij noemt het dan ook het ‘mysterium tremendum et fascinans,’ het vreeswekkende en fascinerende mysterie. De mens zoekt ernaar en verlangt ernaar, maar schrikt er tegelijk voor terug. Het wordt door de mens gekoesterd maar ook met taboes omgeven.Hij beschreef religieuze rituelen als het instrumentarium dat de mens ontwikkelt om met dat heilige om te gaan. Misschien nog wel zijn meest blijvende bijdrage aan het denken over religie is de uitvinding van het woord ‘numineus’ en ‘het numineuze.’ Dat betekent bijna hetzelfde als ‘het heilige,’ maar dan in de ruwere, oudere, minder opgepoetste variant, ontdaan van zijn ethische component.Verwant daaraan is het denken van de Nederlandse godsdiensthistoricus Gerardus van der Leeuw. Hij nam het idee van ‘het heilige’ in feite van Otto over, maar noemde het ‘de macht.’ Daarmee bedoelde hij niet een projectie van sociale of politieke macht, maar een reëel ervaren, overweldigende werkelijkheid die de mens treft, aanspreekt en voor zich opeist. Het uitvoeren van rituelen is bij hem een écht deelnemen aan die macht. Het offer is een échte overgave, het gebed een écht aanroepen en het stellen van sacrale handelingen stelt de Macht écht tegenwoordig.De twee schoolmakende academische denkers die het meeste respect hadden voor religieuze tradities waren waarschijnlijk wel Carl Gustav Jung en Mircea Eliade. Dat ging zo ver dat ze beiden, waarschijnlijk juist daardoor, wat in de berm van het wetenschappelijke onderzoek zijn beland. Het zijn bijna zelf meer religieuze dan wetenschappelijke denkers.Allereerst is daar de psycholoog Jung. Voor hem drukken rituelen innerlijke processen uit. Ze werken alleen door ze uit te voeren, niet door ze te begrijpen. Ze leggen een verbinding tussen je onbewuste en je ego - zo noemt Jung het deel van je psyche dat je bewust ervaart als je ‘zelf,’ als je ‘ik.’ Jung ziet de menselijke geest als een soort ijsberg, waarvan je alleen het topje waarneemt, terwijl het grootste deel onder waterspiegel verborgen blijft. Je onbewuste is dus veel groter en betekenisvoller dan je ego. Het zit vol met vergeten, onderdrukte en emotioneel geladen ervaringen die ooit bewust waren.Bovendien bestaat er volgens Jung daarnaast ook nog eens zoiets als het ‘collectief onbewuste.’ Dat is een diep verborgen laag van de menselijke psyche die je met de hele mensheid gemeenschappelijk hebt, onafhankelijk van je persoonlijke ervaringen. Het is een reservoir van latente beelden en ervaringen die je doorgegeven hebt gekregen van je menselijke en zelfs dierlijke voorouders. Jung noemt de meest fundamentele van die beelden ‘archetypen.’ Dat zijn beelden die universeel zijn en zich manifesteren in dromen, mythen, kunst en religie. Zie ze maar als de geestelijke tegenhanger van je DNA.Je voelt al wel aankomen dat Jung religieuze rituelen niet ziet als middelen om iets transcendents, iets ‘boven je’ af te dwingen, zoals een werkelijk bestaande God. Het zijn symbolische handelingen die onbewuste werkelijkheden in je eigen psyche zichtbaar en hanteerbaar maken.Hij ziet ze dan ook als uiterst noodzakelijk. Als het onbewuste zich niet kan uitdrukken in rituelen zal het zich beginnen uit te drukken in symptomen. Rituelen zijn, met andere woorden, beschermend. Ze voorkomen dat je overspoeld wordt door archetypische krachten zoals schuld, doodsangst, honger naar verlossing enzovoort. Door te helpen die dingen op een gezonde manier door te maken spelen ze bovendien een belangrijke rol bij individuatie, het vormen van een hele en gezonde persoonlijkheid.Nou vraag je je misschien af waarom ik Jung bij de meest religieuze denkers plaats. Jung erkent immers geen overstijgende, transcendente - zeg maar bovennatuurlijke - werkelijkheid en geeft religie een functie in het innerlijke universum van de menselijke psyche die in feite een heelal op zichzelf wordt, op deze manier. Toch is het taalregister van Jung zo religieus dat hij zoiets als de huistheoloog van zo ongeveer alle moderne neo-heidense stromingen is geworden. Dat was zeker niet wat hij bij leven ambieerde, maar het kwam toch eigenlijk ook voor niemand echt onverwacht. De mens heeft bij Jung zélf zulke numineuze diepten dat je zijn innerlijk rustig als quasi goddelijk kunt interpreteren. Dat komt dan wel niet in de buurt van christendom of iets dergelijks, maar het is ook geen zuiver materialistisch reductionisme meer.Om dit gedeelte af te sluiten wil ik nog graag iets zeggen over Mircea Eliade, en dan gaan we verder.Mircea Eliade was een Roemeense godsdiensthistoricus die lange tijd verbonden was aan de universiteit van Chicago. Voor hem is de werkelijkheid niet uitputtend te verklaren door middel van economie, sociologie, psychologie en ga zo maar verder. De wereld is niet toevallig, absurd en betekenisloos, maar verzadigd van betekenis. Religie is dan ook geen bijproduct van machtsstructuren of existentiële angsten maar de primaire manier waarop de mens zich tot de werkelijkheid verhoudt.Bij zijn denken over rituelen staat een heel specifiek begrip van hem centraal, een heilige oertijd die hij, in het Latijn, illud tempus noemt. Die oertijd is een soort essentieel moment waarop heel het universum ‘klopt.’ Denk maar aan hoe sprookjes vaak beginnen: ‘er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan...’Mythen en rituelen doorbreken de gewone tijd en ruimte en stellen die volmaakte oertijd hier en nu tegenwoordig en maken dat de meest reële werkelijkheid ook in het hier en nu ervaren kan worden. Dat is geen originele gedachte, maar doet sterk denken aan hoe de oudere kerken, die van vóór de reformatie, aankijken tegen hoe hun Sacramenten werken.Eliades denken is nog steeds invloedrijk, maar eerder impliciet, als een gênant geheimpje. Als onderzoeker was hij wel eens geneigd oogkleppen op te hebben en zijn theorieën op dingen te projecteren die zich daar in werkelijkheid helemaal niet voor leenden. Daar maakten vrijwel al zijn collega’s zich net zo goed af en toe schuldig aan, maar hem werd het niet vergeven. Ten eerste omdat hij er voor de oorlog extreemrechtse ideeën op na had gehouden, die in de cultuur van dat moment in de mode waren geweest.Maar toch waarschijnlijk ook vooral omdat zijn eigen houding als te open voor het idee van een reëel bestaande overstijgende werkelijkheid werd ervaren. Omdat hij, met andere woorden - als té religieus werd beschouwd. Dat was niet populair bij de erfgenamen van Durkheim en de zijnen, die in de praktijk een atheïstische houding als vanzelfsprekend beschouwden. Datzelfde effect verklaart volgens mij trouwens ook het vervagen van de erfenis van Jung in de psychologie, waar de afkeer van God nog veel drammerige proporties aan zou nemen.Goed. We hebben nu een waslijst aan ideeën over waar religieuze rituelen goed voor zouden kunnen zijn. Waarom samenlevingen er maar tijd, energie, geld en zelfs mensen in blijven investeren.Als ik nou mijzelf observeer bij mijn meningsvorming over dit alles valt mij op dat ik van de meeste van die zienswijzen wel iets meeneem, maar ze toch ook steeds weer geneigd ben te relativeren.Natuurlijk is mijn motivatie niet in de eerste plaats wetenschappelijk. Ik benader het fenomeen godsdienstig ritueel niet als buitenstaander. Ik ben nota bene een rooms-katholieke priestermonnik. Toch ben ik ook niet tevreden met een louter theologische benadering. Ik leef in een wereld die heel klein geworden is. Een wereld vol verschillende werelden die elkaar vroeger nauwelijks raakten, maar elkaar nu eigenlijk niet meer kunnen vermijden, en dat ook niet zouden moeten willen. Ik wil dus graag met een klein beetje afstand kunnen kijken naar mijn eigen geloofservaring om er ook over kunnen praten met atheïsten en mensen van andere tradities dan de mijne, vooral mijn ‘collega’s,’ om ze zo maar even te noemen. Hindoeïstische swami’s, boeddhistische monniken, islamitische sufi’s enzovoort.Juist die contacten hebben mij er trouwens van overtuigd dat de directe ervaring van het heilige iets universeels in zich draagt. Iets dat formele theologische systemen overstijgt. Er zijn bergen getuigenissen van mensen uit de meest verscheiden religieuze tradities die onmiddellijke godservaringen beschrijven. Die komen veel beter met elkaar overeen dan de dogmatische en ethische teksten van onderscheiden religies. Dat geldt zelfs als ze er totaal verschillende theorieën op na houden van wie of wat dat Heilige of die God dan wel zou moeten zijn. Wat ook opvalt is dat de omstandigheden waaronder die ontmoetingen plaatsvinden wel erg vaak op elkaar lijken.En religieus ritueel heeft met die omstandigheden te maken. Niet dat ze consequent samenvallen met godservaringen, alsof die er mechanisch door op te roepen zouden zijn. Ook is het niet zo dat het hier en nu voltrekken van een religieus ritueel een voorwaarde zou zijn voor een ontmoeting met het Absolute. Maar meestal kleurt het ritueel toch de context van mystieke belevenissen. En zo kom ik tot wat ik denk dat de functie van religieuze rituelen is of zou moeten zijn.Religieuze rituelen zijn er om in de profane werkelijkheid ruimte te scheppen waarin mensen God kunnen ontmoeten, en in God elkaar.Een geslaagd religieus ritueel doorbreekt inderdaad tijd en ruimte, zoals Eliade wil. Het stelt een illud tempus tegenwoordig, een heilig hier en nu dat de banaliteit van het dagelijkse onderbreekt. Denk maar aan het moment van de consecratie in de Mis, waarbij je plotseling onder het kruis van Christus staat die zich in jou uitgiet om je te voeden. In die onderbreking, dat tussenin, kan het Absolute worden ontmoet en erkend. Maar niet om na het ritueel weer te vervliegen. Want dat laat je ook blijvend anders kijken naar juist die grauwe dagelijksheid, die profane wereld. Die krijgt meer zin en structuur naarmate je meer spiritueel volwassen wordt. Een beetje zoals Berger beschreef. Natuurlijk kijk ik er wel onbevangener religieus tegenaan. Na de transformatie van het ritueel te hebben doorgemaakt heb je een andere bril op je neus die je toont dat ook het hele gewone door God gegeven is en in God hangt. Achter elke beige minuut verschuilt zich de sprankeling van het wonder van het bestaan. En niet alleen je blik naar de buitenwereld is veranderd, maar ook je blik op jezelf. Hier kan de gedachtenwereld van Jung dan weer een hulp zijn. Want het ritueel opent je de deur naar je innerlijk, waar zich een heelal verbergt dat groter is dan de kosmos om je heen. En ook dat is gemaakt om God te ontmoeten. Je ontdekt dat je in het centrum daarvan, in de celkern van je ziel door Hem, of Haar, of Dinges elk moment van je bestaan aan jezelf geschonken wordt. Geen wonder dat je heimwee hebt naar dat fascinerende mysterie, ook al is het tegelijk ook zo angstwekkend. Het blijkt dat je eraan ontspringt!En het is weer daarbinnen, in God, dat je je medemensen wérkelijk ontmoet en kan aanvaarden. Zij ontspringen immers aan dezelfde bron en worden door dezelfde liefde in het bestaan gewild.Dat is wat godsdienstig ritueel hoort te doen. En heel vaak lukt dat ook. Maar bij ons in het moderne westen lukt het nog vaker niet. Want ritueel is ook kwetsbaar. Het vergt vakmanschap en talent om het geslaagd in stand te kunnen houden en toe te kunnen dienen.Daarom gaat het de volgende keer over goed priesterschap. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  36. 18

    Paulus´ Bekering

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  37. 17

    Is religie niet meer dan een ritueel?

    Wat is religie? Daarover heb ik hier al het een en ander gezegd. Heb je dat nou nog niet gezien, dan vind je dat hierboven of hiernaast en ook nog eens in de beschrijving. Vandaag borduur ik daarop voort. Ik benader het fenomeen even niet theologisch, maar eerder antropologisch. Een klein beetje afstand doet soms wonderen voor de helderheid.Religie valt volgens mij ten diepste samen met haar ritueel. Zij heeft natuurlijk nog een hele hoop andere aspecten, maar die bloeien volgens mij op uit het ritueel en blijven afhankelijk van het ritueel. Vergelijk het maar met een zangstem uit de radio. Als je de stekker eruit trekt stopt het liedje midden in een zin. Zo is ook de religie dood zodra zij niet meer ritueel wordt uitgevoerd of wanneer haar rituelen niet meer serieus wordt genomen.In 394 dwong de fanatiek christelijke keizer Theodosius de Vestaalse maagden om hun heilige haardvuur te doven. Op hetzelfde moment veranderde de godin Vesta van een godin in een herinnering. Net zo werd op een dag de orakelpriesteres van Delphi van de driepoot getrokken waarop zij altijd boven de vulkanische dampen had gehangen. Op die dag stierf niet alleen de stem van haar voorspellingen, maar loste ook de god Apollo met dampen en al in de lucht op. Hij veranderde van een levende werkelijkheid in een cultureel symbool.Priesters en aanverwante religieuze bedienaars worden in de antropologie niet voor niets ‘rituele specialisten’ genoemd. Hun identiteit en vooral ook hun autoriteit ontlenen ze niet aan de verhalen die ze vertellen of de regels die ze stellen, laat staan aan hun eigen wijsheid, maar alleen en louter uit het ritueel dat ze voltrekken.Dat ritueel heeft veel meer om het lijf dan er op het eerste gezicht aan af te zien is. Het lijkt meer op een organisme dan op een menselijke constructie. De priesters bedenken het niet en maken het niet maar ontvangen het uit de traditie: ze zijn er niet zomaar meester over. Zodra ze er zodanig aan gaan sleutelen dat het als mensenwerk ervaren kan worden valt de vervoering dood en wordt het ritueel een plichtpleging.Als zo’n kunstmatig ingrijpen in het ritueel universeel worden opgelegd of ingevoerd, en als de priesters daarin verharden, dan begint hun godsdienst af te sterven en daarmee tegelijk ook hun autoriteit. Dus ook de autoriteit die ze nodig hebben om hun fout eventueel nog te herstellen. Mochten ze dat nog willen dan moeten ze snel zijn, anders hebben ze hun religie per ongeluk per decreet opgeheven.Of ze wijs zijn of niet en of ze een goed verhaal vertellen of niet doet er dan plotseling nauwelijks nog toe: er blijft van hun traditie niets over dan een schim waar mensen uit gewoonte en nostalgie misschien nog een tijdje aan meedoen, maar waar ze zich niet meer aan gebonden voelen en waaraan ze ook geen fundamenteel houvast meer vinden. Dat kan nooit langer dan één generatie vol te houden zijn.Ritueel is in een religie nucleair - in de beide betekenissen van dat woord. Ten eerste omdat het de nucleus, het dragende middelpunt ervan uitmaakt. Je kunt verhalen vertellen en regels stellen, maar die zijn op zichzelf nooit langdurig genoeg overtuigend om een samenleving te dragen. Mensen hebben weliswaar verstand, maar dat maakt ze nog geen rationele wezens. Mensen zijn in eerste instantie affectief, in tweede instantie gevoelswezens en pas daarna denken ze misschien af en toe ook nog wel eens na.Dus als jij een verhaal te vertellen hebt, een openbaring of een wet, dan zal die pas overtuigen als hij bezield is en als ook anderen dan jijzelf werkelijk contact kunnen maken met die ziel. Daarvoor zal alleen taal nooit genoeg zijn. Ten eerste omdat zelfs de beste gedichten en verhalen onverdraaglijk worden als je ze maar vaak genoeg hoort. Ten tweede omdat taal een veel grover instrument is dan veel mensen denken. Het meest wezenlijke van het leven kun je er niet in uitdrukken. Waarom je van iemand houdt, bijvoorbeeld. Ten derde omdat taal leeft en dus voortdurend verandert. Wat vandaag indrukwekkend klinkt werkt over een jaar of dertig in het beste geval nog aandoenlijk, maar meestal alleen nog potsierlijk.Ook kan taal liegen. De enige manier waarop je zeker kan weten dat je niet voor de gek wordt gehouden is wanneer je zelf rechtstreeks in gemeenschap kan treden met wie of wat die taal bezielt. Als je het bewustzijn van degene die tegen je spreekt kunt proeven of meebeleven. Zoiets is onmogelijk met alleen woorden of beelden tot stand te brengen. Dat kan alleen op de extatische manier die we sacramenteel noemen, en die wordt door riten bewerkt. Daarom draagt het ritueel de leer en de ethiek, en niet andersom.Als ik luister naar een verhaal uit het Evangelie weet ik niet of het waar is. Het is wel oud en eerbiedwaardig, maar dat zijn de verhalen over Apollo en Vesta ook. Het is wel ontroerend, maar dat is het verhaal over het meisje met de zwavelstokjes ook. Er worden wel heel verstandige dingen in gezegd, maar dat doen de dialogen van Plato ook. Pas op het moment dat ik het altaar nader en zie dat daar God zich laat slachten en zich te eten geeft aan mij, omdat Hij met heel zijn wezen wil dat ik leef, wordt dit verhaal ineens een heel ander verhaal. Het ritueel kan mij niet meer bedriegen omdat het mij laat deelnemen aan zijn ziel.Maar dat maakt het ritueel ook nucleair in de andere betekenis van het woord: gevaarlijk en alverwoestend als het wordt misbruikt. Je kunt er een cultuur of samenleving - een leefwereld - mee verlichten en voeden en verwarmen, maar je kunt diezelfde wereld er ook volkomen mee vernietigen. De goddelijke vonk ervan kan weliswaar zelf niet bedriegen, want die is wat zij is. Maar ze kan wel worden vervalst.Ten eerste kan zij worden gesuggereerd waar zij in werkelijkheid niet brandt.Bijvoorbeeld als politici of grote bedrijven echo’s van het ritueel gebruiken om zichzelf of hun producten met een afgodische afglans op te tuigen. De hoogmis van het Apple-event en de epische muziek die klinkt als op een partijcongres de lijsttrekker verschijnt. Natuurlijk duurt een dergelijke illusie nooit lang, en wordt bovendien bijna altijd afgestraft, uiteindelijk. De vervalsers kunnen namelijk nooit voldoen aan de verwachtingen die door dergelijk gedrag worden gewekt.Erger is het wanneer niet de suggestie van het heilige wordt vervalst, maar het heilige zelf. Dat gebeurt wanneer de bedienaars ervan overmoedig worden en denken dat ze het heilige naar hun eigen smaak kunnen herscheppen, minder primitief maken, logischer, meer bij de tijd.Zij lijken op tuinlieden die alle takken van een kromme appelboom zagen en ze er daarna recht weer aanschroeven. En er dan verbaasd over zijn als hij in het voorjaar geen bloesem meer zet.Zij lijken op een onnozel meisje dat trouwt met een jongen die ze niet bemint zoals hij is, maar die ze denkt nog wel te kunnen veranderen. Dat draait op scheiding uit. Of op het verdwijnen van God uit het ritueel, in dit geval.Dat is een absolute ramp voor iedereen die zich daarin heeft geïnvesteerd. Want het ritueel is niet alleen nucleair voor de religie, maar de religie is weer nucleair voor de individuele gelovigen en uiteindelijk voor de samenleving die erop is gebaseerd. Want elke samenleving is uiteindelijk religieus gefundeerd, steunt ergens diep in de fundamenten op het Absolute. Zonder dat is nu eenmaal geen mens in staat zijn individuele en tijdelijke belangen en zorgen en vooral zijn eigen wil lang genoeg op te schorten om zich te voegen naar een gezamenlijk bestaan. Niet voor niks zeggen de vadertjes van het Tweede Vaticaanse Concilie in hun document over de Kerk: “Door deel te nemen aan het Eucharistisch Offer, bron en hoogtepunt van heel het christelijk leven, dragen zij het goddelijk Slachtoffer en met dit offer ook zichzelf, aan God op.” Dat gezamenlijke zijn moet een gezicht hebben dat het louter menselijke te boven gaat. Moet groter zijn dan een charismatische leider die er eventjes is en dan weer verdwijnt. Moet ook groter zijn dan een logische afspraak of een rationele filosofie. Want die zijn nu eenmaal zonder overstijgend fundament voor mensen niet uit te houden. En dan mankeert het ze aan identiteit en zelfvertrouwen en dat is een toestand die verwoestende uitbarstingen van onzekerheid voortbrengt.Onze voorouders wisten dit alles veel beter dan wij en waren allesbehalve gek toen ze hun bloed, zweet, tranen en centen investeerden in hun kerken en kathedralen. De toeristen die erin samendrommen hebben geen flauw benul dat heel die stenen symfonie draait om het opdragen van de Mis. Dat komt waarschijnlijk ook omdat die Mis niet veel indruk meer maakt. Ze werkt nogal eens als die rechtgezaagde appelboom waar ik het daarnet al even over had. Het paradoxale is, dat juist alle pogingen om haar toegankelijker te maken haar onverstaanbaar hebben gemaakt. Zó zakelijk en rationeel, zo verbaal en vol met lappen tekst dat alleen theologische experts er het wonder nog in kunnen onderscheiden. Anderen zien meestal een wat verveelde meneer in een gifgroene poncho die achter een keukentafel eindeloos staat te praten en op een gegeven moment even met een koekje zwaait. Dat alles terwijl de vijf mensen die voor de keukentafel zitten halfhartig oubollige teksten zingen op Poolse volksmelodietjes.Menselijkerwijs is de zaak hiermee verloren, en dus onze cultuur en onze leefwereld ook. Zonder Mis is zal er al snel geen westen meer zijn. De scheuren en spleten openbaren zich al overal. Het is de vraag of we daar wanhopig van moeten worden. Misschien is onze God gewoon moe en wil Hij naar bed. Om morgen, nieuw, weer op te staan.Of is dat helemaal nergens voor nodig en zetten we gewoon door? Beginnen we weer met onze cultus serieus te nemen, en daarmee ook onze kunst, onze muziek, onze literatuur en onze manieren? Niet om ze af te schermen en er anderen mee te slaan, even voor de helderheid, maar om gedeeld en gevierd te worden. Volgens mij kan dat nog steeds. Maar als we dat willen moeten we wel een gedegen en principieel antwoord hebben op de volgende vragen: Mag de grond van onze kerken weer heilig zijn, mogen onze priesters gewoon hun geheimpjes met God hebben en mogen de gelovigen gewoon weer verstaan in plaats van alles te moeten begrijpen?Of gaan we liever kapot dan toe te geven dat we eraf hadden moeten blijven?Zeg het maar. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  38. 16

    Wat is religie?

    Er zijn van die vormen van zogenaamd christendom die je het liefst gisteren nog zou zien verdwijnen. Dat dacht burgemeester Hoes van Tilburg deze week nou ook. Hij hoorde dat de Frontrunners een dienst in zijn stad wilden houden. De Frontrunners zijn een club van van die typische fastfoodprotestanten Amerikaanse stijl die beweren met gebed mensen te kunnen genezen van allerlei ziekten. En ook van autisme en homoseksualiteit, klaarblijkelijk. Echt lekkere types. Gods onkruid, zullen we maar zeggen.Burgemeester Hoes had daar dan ook allemaal niet zo’n zin in, en meende een trucje te kunnen uithalen om die rare groep te weren. Het gebouw dat zij zouden gebruiken voor hun zogenaamde kerkdienst was geen officiële kerk maar een buurtcentrum met zalen. In het bestemmingsplan van een gemeente heeft zo’n gebouw een andere status dan een kerk. Ook waren voor de dienst kaarten verstrekt, zij het gratis, maar toch deed dit alles de burgemeester besluiten dat het niet om een kerkdienst ging, maar om een evenement. En evenementen vallen niet zomaar onder vrijheid van godsdienst. En kunnen dus om allerlei redenen verboden worden.De situatie draaide uit op chaos, de dienst werd door de politie onderbroken en hun voorganger Tom de Wal gearresteerd. Die genoot zichtbaar van de situatie en begon onmiddellijk de catacombenmartelaar uit te hangen. En met succes. Weliswaar waren er niet veel mensen die nou zo’n medelijden hadden met deze specifieke meneer en zijn volgelingen, maar wel vond men dat de godsdienstvrijheid geweld aan was gedaan. En dat doen we in dit land principieel niet.De burgemeester voelde zelf duidelijk ook nattigheid. Hij begon tenminste al vrijwel direct na het hele circus een terugtrekkende en verzoenende toon aan te slaan. Het riekt er met andere woorden naar dat iemand hem ondertussen heeft uitgelegd dat hij een bestuurlijke blunder heeft begaan. De uitkomst is op dit moment nog niet duidelijk, dus we zullen het zien.Het lijkt zo simpel. Wanneer is een bijeenkomst een religieuze plechtigheid en wanneer niet? Stel je voor: ik geef in een zaaltje in Groningen een lezing over mystieke theologie. Die gaat vanzelfsprekend over God. Want mystiek is het ontmoeten van God. Toch is die lezing daarom nog geen godsdienstige plechtigheid. Maar wat dan als ik afsluit met gebed?Wat als bijvoorbeeld een topvoetballer een kruisje slaat voor een wedstrijd en heel de tribune hem toejuicht? Gooit Femke Halsema dan de Amsterdam Arena op slot?En kan de gemeente trouwens eigenlijk wel besluiten wat een kerkgebouw is en wat niet? Want dat is toch eigenlijk een theologische kwestie. En wij hebben in Nederland een strenge scheiding van godsdienst en staat. Dus aan wie had burgemeester Hoes nou eens moeten vragen wanneer een bijeenkomst een kerkdienst is en wanneer niet?Aan de godsdienstwetenschappers van de universiteit! Dat is misschien een idee! Tilburg heeft niet voor niks de meest vooraanstaande katholieke theologische faculteit van het land, toch?Maar als hij dat werkelijk zou doen zou hij raar op de koffie komen. Dan zou hij namelijk van de heren professoren het volgende antwoord krijgen.‘Wij kunnen daar geen antwoord op geven omdat niemand weet wat religie is. Niemand kan je een werkbare definitie van het woord religie geven.Dat is toch wel raar. Religie is toch een begrip waar iedereen beeld bij heeft. Daar kunnen we het toch niet bij laten zitten. Er moet voor die arme burgemeester van Tilburg toch een antwoord mogelijk zijn?Kom op, ik vogel samen met jullie even uit wat religie ook alweer was. Want dat weten we toch stiekem allemaal? Of niet dan?Laten we voorzichtig beginnen en nog niet gelijk te veel invullen. Religie is iets dat zich spontaan manifesteert in groepen mensen. Dat is alvast iets. Ook kunnen we wel veilig naar het verleden kijken, want dat verandert niet meer en staat vast. Toch? Religie is iets dat altijd zo goed als alomtegenwoordig is geweest, kunnen we dan zeggen. Als archeologen opgravingen doen vinden ze vrijwel altijd sporen van gebouwen en voorwerpen en gewoonten die erop wijzen dat mensen veel energie en bezit investeerden in... nou, eigenlijk het weggooien en in brand steken en verspillen van energie en bezit. Ze bouwden een soort paleizen voor standbeelden die ze ook nog eten en drinken gaven. Of ze begroeven hun doden met een hele uitzet. Of ze gooiden hun kostbaarste spullen in moerassen. Sommigen van hen werden priesters en priesteressen en wijdden hun hele leven aan het uitvoeren van handelingen die geen praktisch nut hadden. Het lijkt erop dat ze probeerden iets ongrijpbaars of iemand met wie je niet op de normale manier een praatje aan kunt knopen een plaats te geven in hun dagelijks leven. Een belangrijke plaats zelfs.Enfin, als je goed hebt opgelet heb je al wel opgemerkt dat ik voortdurend woordjes als ‘vrijwel altijd,’ ‘bijna overal,’ en ‘zo goed als dit of dat’ gebruik. Ik ben de hele tijd aan het nuanceren en bijstellen. Hou dat even in gedachten.Goed: laten we eens een beginnetje van een definitie van religie proberen te bakken: ‘Religie is een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ Dat durf ik nog wel te zeggen.Maar zo laat ik ook wel veel weg. Ik laat zelfs, voor mijn gevoel, het belangrijkste weg. Stel je voor dat je zou moeten raden naar wat er bedoeld wordt met de omschrijving: ‘...een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ ‘Voetbal,’ zou je misschien zeggen. Of ‘ambtenarij!’Mijn definitie is dus zo incompleet dat ie volkomen waardeloos is. En we weten onmiddellijk wat eraan mankeert: goden en priesters en tempels en rituelen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.Zo dachten de beroemde onderzoekers op dit terrein in de negentiende en twintigste eeuw er ook over. Zij waren de eersten die probeerden academische definities van religie op te stellen, en kwamen allemaal precies met die elementen. De eerste die wordt genoemd is meestal de antropoloog Edward Burnett Tylor die in 1871 religie definieerde als ‘het geloof in geestelijke wezens.’Dat klinkt de meesten van jullie waarschijnlijk logisch in de oren. Duh. Alleen zijn volgens Tylors definitie een heel stel religies geen religies. Waaronder een paar toch best belangrijke. Zoals de meest klassieke vorm van theravada boeddhisme. Zeg maar Laos en Thailand en zo. Confucianisme, daoisme en zen. China en Japan zijn dus ook niet religieus, schijnbaar.Dat werkte dus niet en er kwamen nieuwe, verbeterde definities. De psycholoog William James schreef in 1902 over religie als ‘...de gevoelens, daden en ervaringen van individuele mensen in hun eenzaamheid als zij menen zich te verhouden tot wat zij dan ook maar als het heilige beschouwen.’Je ziet dat het al snel ingewikkelder wordt. Toen hij probeerde uit te leggen wat ‘dat heilige’ dan zou moeten zijn kwam hij uit op alles wat de mensen als een godheid behandelen, waarmee hij eigenlijk gewoon herhaalde wat hij al gezegd had.De meest invloedrijke figuur ooit op dit terrein was waarschijnlijk Émile Durkheim, een van de grondleggers van de academische sociologie, moge God het hem vergeven. Hij definieerde een religie als: ‘...een geïntegreerd systeem van geloofspunten en praktijken met betrekking tot heilige dingen, dat wil zeggen dingen die zijn afgezonderd en verboden. Allen die die geloofspunten en praktijken aanhangen vormen zich tot een enkele morele gemeenschap, een kerk.’Geen mirakel van literaire schoonheid, deze beschrijving, maar bovendien bleef er ook niet veel van overeind.De ellende is namelijk dat sinds al die definities zijn opgesteld, er massa’s antropologen en dergelijke over de wereld zijn uitgezwermd om zoveel mogelijk culturen in kaart te brengen. Die kwamen vervolgens met uitzonderingen op ongeveer elk element in elke definitie. ‘In de Siberische Taiga,’ zo beginnen ze dan, ‘leeft een stam die...’ Die stam blijkt dan wel gewoonten te hebben die wij als religieus zouden bestempelen, maar geen goden te hebben en ook geen geesten en geen priesters en zo verder en zo meer. Jij gaat dan vervolgens je definitie weer aanpassen, waarop zij met een zeevolk uit Polynesië komen dat zeker dingen doet die jij naar godsdienst vindt rieken, maar die niet passen in jouw beschrijving.Je zou, met veel hangen en wurgen, misschien tot zoiets kunnen komen als: ‘Het verschijnsel religie wekt de indruk een vorm van uitwisseling te willen zijn tussen mensen en een werkelijkheid die via de normale menselijke communicatiemethoden niet bereikbaar is.’Goed, ik begin alweer in drijfzand te lopen. Want wat is een normale menselijke communicatiemethode? Zijn godsdienstige rituelen geen normale menselijke communicatiemethoden? Mensen zijn rare, ingewikkelde beesten en dingen die mensen samendoen kun je niet zomaar meten met een apparaat of een gps-bepaling of zo. Je kan niet iemand een thermometer in zijn achterste steken en daar de intensiteit van zijn godsvrucht aan aflezen, als is zoiets wel geprobeerd. Daarom zijn er legio nogal ingewikkelde methoden uitgedokterd om er toch iets over te zeggen. Ik zou je die uit de doeken kunnen doen, maar ik begin nu al te gapen.De ster die op dit moment nog eventjes het helderst schijnt aan het firmament van dit soort onderzoek is een Amerikaanse antropoloog met de welluidende naam Clifford Geertz. Ik lees je zijn definitie nog even voor, juist om je te laten zien hoe dit alles uit de hand loopt, en daarna gaan we naar een meer praktische benadering voor onszelf op zoek. Daar gaat ie, Clifford Geertz:‘Religie is een systeem van symbolen dat ertoe werkt krachtige, alomtegenwoordige en langdurige stemmingen en drijfveren in mensen te vestigen, door opvattingen te formuleren over een algemene orde van het bestaan en deze opvattingen te bekleden met een zodanige schijn van feitelijkheid dat die stemmingen en drijfveren zich als bij uitstek werkelijk voordoen.’[1]Je merkt al wel dat de goede man niet onbevooroordeeld is ten opzichte van zijn onderwerp. Het klinkt bijna als een complottheorie. Een hele wollige, slaapverwekkende complottheorie, dat wel.Ik wil, zoals ik al zei, weg uit deze fuik. Want ik weet heel goed wat ik met het fenomeen religie bedoel, en ook wat ik er wel en niet mee wil. Zodoende neem ik mijn toevlucht tot een oude woestijnvaderstruc. Die zegt: sla de satan met Beëlzebub, oftewel: ga het probleem te lijf met zijn eigen wapens.Daarom grijp ik maar even naar het werk van een andere coryfee van de godsdienstwetenschappen: Talal Asad. Hij zegt, ik parafraseer het maar even, dat religie een westers, christelijk, Europees etiket is dat je alleen in de Europese culturele ruimte zonder ongelukken kunt gebruiken.Natuurlijk niet omdat de ervaring die het beschrijft elders niet bestaat, maar omdat die ervaring verder nergens op die manier als iets afzonderlijks van de rest van de cultuur wordt beschouwd. Het woord ‘religieus’ heeft alleen zin als er ook een woord ‘seculier’ bestaat dat doelt op een bereik waar al het godsdienstige geen directe, formele macht heeft of zou moeten hebben.Welnu, het ‘seculiere’ is een uitvinding van het christendom. Daarbuiten heeft het nooit bestaan, en het blijkt ook lastig te exporteren. Mensen uit andere culturen snappen gewoon niet waar je het over hebt. En dat is ook niet zo vreemd als we nog eens beter kijken naar wat de wortel ervan is.Talal Asad schrijft het idee van ‘het seculiere’ specifiek toe aan het protestantisme en de verlichting en nog een paar van die typische lievelingsdingetjes van de intelligentia van de vorige eeuw.Hij maakt het alleen veel te ingewikkeld. In werkelijkheid is ‘het seculiere’ een uitvinding van Jezus Christus, of anders van een van zijn evangelisten die Hem het idee in de mond heeft gelegd.Bij Mattheüs, Marcus en Lucas zegt Jezus: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.’ Johannes maakt het nog bonter. Als Jezus helemaal tot pulp geslagen en met doornen gekroond voor Pilatus wordt neergezet vraagt die Hem naar zijn koninkrijk. Dan zegt Hij:‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben en hebben voorkomen dat Ik zou worden uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet van hier.’Dit alles heeft voor zowel de praktijk als de betekenis van deze hele problematiek natuurlijk verregaande consequenties. Want als het onderscheid tussen religieus en niet-religieus een uitgesproken christelijke manier van kijken is, zou de staat zich daar volgens haar eigen principes helemaal niet mee bezig mogen houden. Als zij bepaalt wat wel en geen kerk is gedraagt zij zich impliciet als een religieuze autoriteit. Een christelijke autoriteit, zelfs.Aan dat dilemma ontsnappen kan de staat niet, want ook haar eigen heilige principes zijn precies dat: heilig. Het idee van de scheiding van Kerk en staat is fundamenteel christelijk.Goed, religie is dus een westers begrip dat christelijke wortels heeft en alleen in de westerse context zin heeft. En waaraan in het westen ook niet te ontsnappen valt, duidelijk. Maar wat ís het nou eigenlijk? Want daar zijn we nog steeds niet uit.Mijn persoonlijke mening is dat religie stiekem een werkwoord is, en dat het slaat op het rituelen voltrekken. Religie is dus volgens mij synoniem met liturgie.Waarom daarover een hoop mensen boos zullen worden en wat dat allemaal betekent leg ik de volgende keer uit.[1] C. GEERTZ, Religion as a Cultural System, in ID., The Interpretation of Cultures, New York, Basic Books, 1973, 87–125, hier 90. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  39. 15

    Geloven in een sprookje

    Door alle Bijbelverafgoding waar we mee te kampen hebben - daar heb ik het eerder al eens over gehad - is het lastig om nog onbevangen bezig te zijn met de Heilige Schrift. Dat is jammer, want die zit toch wel degelijk vol heerlijke geheimen en kan zelfs letterlijk betoverend zijn. Daar kun je alleen nauwelijks nog je mond over opentrekken zonder dat mensen al gelijk weer een lichtgroene teint krijgen en om een spuugbakje vragen. Voor de schoonheid en de heiligheid van de Bijbel zijn er bijna geen woorden meer te vinden die nog niet besmet zijn met de sfeer van het akelige, en meestal onoprechte gedweep ermee waar je overal tegenaan loopt. Daarom neem ik, om er tóch iets over te kunnen zeggen, mijn toevlucht tot dat ándere beroemde heilige boek. Ik bedoel natuurlijk ‘Het oneindige verhaal,’ van Michael Ende.Het ‘Oneindige verhaal’ verscheen in 1979 en is een fantasy-boek. Het werd voor kinderen geschreven, maar de schrijver ervan was dermate briljant dat het ook voor volwassenen boeiende kost is.Het speelt zich af in twee werelden. De onze, waarin wij leven en die wij maar al te goed kennen, en een andere, die Fantasia heet en die in feite opbloeit uit onze verbeelding. Traditioneel wordt het boek daarom uitgegeven in twee kleuren letters, donkerblauw en roestbruin.Het verhaal begint in die roestbruine letters, en die vertellen wat er gebeurt in ónze wereld. Die waarin je elke dag je sokken aantrekt. Ze vertellen over Bastiaan, een dromerig jongetje dat veel te dik is, tenminste dat vinden de kinderen op zijn school. Niemand wil met hem bevriend zijn, en hij wordt gepest en geslagen. Op een regenachtige dag is hij weer eens op de vlucht voor een stel agressieve pestkoppen en duikt hij een winkel in om zich voor hen te verstoppen. Die winkel blijkt een antiquariaat te zijn, een winkel voor tweedehands boeken. Daar krijgt hij een plotselinge opwelling en steelt een geheimzinnig boek. Hij weet er ongezien mee weg te komen, maar daarna weet hij niet waar hij naartoe moet. Hij sluipt de school binnen waar hij in de les had moeten zitten en verstopt zich op de zolder. Hij installeert zich op een berg oude turnmatten begint te lezen. Vanaf daar gaat het verhaal verder in de donkerblauwe letters.Die vertegenwoordigen de tekst ín het geheimzinnige boek. Dat is enorm, gebonden in rood fluweel en versierd met een ovalen medaillon op de voorkant. Dat draagt de titel ‘Het oneindige verhaal’ en wordt omkranst door twee slangen die elkaar in de staart bijten. Het boek gaat over het rijk Fantasia, dat oneindig is en zonder grenzen, maar toch een middelpunt heeft.In dat middelpunt staat een ivoren toren waar ‘de kleine keizerin’ woont, een geheimzinnige oerkracht in de gestalte van een jong meisje. Fantasia, dat bevolkt wordt door alle fantasiewezens die je je maar voor kunt stellen - feeën en vampieren, trollen en dwaallichten, dwergen en reuzen ezovoort - is in gevaar. Overal wordt het land aangevreten door plekken waar niets meer is. Geen donker, geen grijs, geen verrotting, maar gewoon helemaal niets. Naar later blijkt komen alle fantasieën die in Fantasia door dat niets zijn opgeslokt, plaatsen en gebouwen, maar vooral wézens, in de roestbruine mensenwereld terecht. Maar niet als zichzelf, maar als leugens. Geperverteerde fantasieën dus.Dat alles blijkt te komen omdat de kleine keizerin ziek is. Dat overkomt haar eens in de zoveel tijd, en ze kan alleen worden genezen als ze een nieuwe naam krijgt. Maar die kan dan weer alleen een kind uit ónze wereld haar geven. Een kind omdat alleen een kind nog fantasieën heeft waar geen spoortje onwaarachtigheid kleeft. Een kind uit ónze wereld omdat alle wezens van Fantasia zelf fantasieën zijn en fantasieën kunnen niet fantaseren. Dat snapt een kind.De bewuste redder blijkt deze keer natuurlijk onze antiheld uit het roestbruine gedeelte van het boek te zijn, Bastiaan, de verlegen, dikkige jongen op de zolder van zijn school. En hij stelt niet teleur. Halverwege het boek geeft hij de kleine keizerin inderdaad een nieuwe naam. En dan gebeurt het ongelooflijke.Ten eerste wordt natuurlijk het rijk Fantasia genezen en vernieuwd. Maar ook wordt Bastiaan zelf het boek in gezogen. Aan het einde van het liedje is niet alleen het land van de fabels gered en de kleine keizerin genezen, maar ook Bastiaan zelf een heel stuk volwassener en zelfverzekerder geworden.Ik denk eigenlijk niet dat Michael Ende de Bijbel in zijn achterhoofd had bij het schrijven van het Oneindige Verhaal. Dan zou het waarschijnlijk ook nooit zo’n mooi boek zijn geworden, want opzettelijke allegorie en alles wat daarop lijkt wordt meestal vreselijk saai. Toch pakt de gelijkenis mij elke keer weer bij de strot.Het boek dat Bastiaan uit het antiquariaat stal bleek uiteindelijk te zijn bedoeld om letterlijk binnen te gaan, in te kruipen. Daardoor veranderde niet alleen Bastiaan, maar ook het boek zelf. De ziel ervan kreeg een nieuwe naam en heel de wereld die erin besloten lag bloeide opnieuw op.Dat is precies wat er ook met de Bijbel aan de hand is. Die is niet gemaakt om de mensenwereld in amber te gieten en op te sluiten in een staat van onveranderlijkheid. Ook niet om zelf in amber te worden gegoten. Om als een kostbaar afgodsbeeld in een vitrine te worden geconserveerd en daar verder tiranniek te liggen zijn.Mits de Bijbel wordt aangenomen op de manier zoals hij bedoeld is, kan hij dienen als een soort poort naar Gods eigen ivoren toren en Gods eigen kleine keizerin. Want Gods eigen Fantasia hoeven we niet meer te zoeken: daar wonen wij al. Wij zijn er geboren en gaan er dood. Wij trekken er elke dag onze sokken aan. Maar de schoonheid ervan en het schaterende plezier waarmee God het in al zijn kinderlijke onbevangenheid heeft geschapen kunnen we er maar heel af en toe in terugvinden. Want net als het Fantasia in het boek van Michael Ende is ook het rijk waar wij wonen ziek. Een grijze wezenloosheid grijpt overal om zich heen. Die noemen we in onze traditie ‘zonde’ maar als je daar teveel mee bent doodgegooid is gewoon ‘wezenloosheid’ ook een prima woord.Wezenloosheid vreet daar om zich heen waar je de schoonheid en de waarheid en de goedheid van de wereld en de mensen om je heen niet meer ziet. Als je geen dankbaarheid meer voelt, maar in plaats daarvan ontevreden honger.Toen de wereld net geschapen was, en de mensen ook, kregen zij van God de taak alles een naam te geven. Met andere woorden: om zich over alles te verwonderen en daar stem aan te geven. De gave van de schepping werkelijk aan te nemen.Het lijkt erop dat onze wereld nu weer een nieuwe naam nodig heeftEerder is de Bijbel bedoeld als brandstof voor onze reis naar de sterren, naar het rijk Gods. Niet voor niets wordt Gods woord overal in de Bijbel gegeten. In het Oude Testament door Ezechiël en Jeremia, en in het Nieuwe Testament door Johannes.Nou is het zo dat wat je eet deel gaat uitmaken van je eigen wezen, van je eigen wereld, van je bestaan hier en nu. Maar daarvoor moet het wel ook worden verteerd. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt het geen vrucht voort. Daarom moet ook de Bijbel worden geconsumeerd om geen afgod te worden.Als we de Bijbel niet langer een Onding willen laten zijn zullen we er anders mee om moeten springen. De tegenstrijdigheden erin niet verdoezelen, maar vieren als een uitnodiging om er vrij mee om te springen. Teksten die in het jaar driehonderd voor Christus geschreven zijn niet behandelen alsof hun geldingskracht hier en nu onveranderd zou kunnen zijn. De geestkracht die erin besloten ligt moet eerst door ons eigen bewustzijn worden getransformeerd om in onze wereld de creativiteit te kunnen dienen. Moet worden gegeten en gedronken om te kunnen spreken op zo’n manier dat er licht uit bloeit in plaats van verstarring.Ten eerste kun je dat doen door niet alleen de Bijbel zelf te lezen, maar ook de verhalen en ideeën die de traditie daar later op heeft laten groeien. Het hoogtepunt van het christelijke voorstellingsvermogen tot nu toe ligt helemaal niet in de Bijbel. Dat is maar goed ook! Stel je voor dat je deel uit moet maken van een beschaving die tweeduizend jaar geleden al gepiekt zou hebben. Wat moet je hier dan nog? Lees dus de werken van de grote mystici, geniet van de kunst van Rafaël en Fra Angelico en ja, ook van die van de neogoten en zoeteplaatjesbakkers. Alles heeft zijn tijd en plaats. Laat je meevoeren door de muziek van Palestrina en de Gregoriaanse gezangen en de wonderlijke Hildegard.Maar vooral: zoek een plaats waar de liturgie, dus het rituele vieren van de Kerk, nog echt wijding en mysterie mag zijn. Het meest kostbare wat we op dat terrein hebben is de zogenaamde ‘Oude Mis,’ maar die is vaak ontoegankelijk, zelfs waar ze gevierd wordt. Dat komt omdat ze vaak wordt opgedragen in extreem conservatieve en door politieke bijzaken gedomineerde gemeenschappen. In een monastieke setting heb je nog de beste kans daarvan verschoond te blijven, maar zo’n situatie doet zich in Nederland eigenlijk alleen ergens in het uiterste noordpuntje van Groningen voor. Daarom is het soms beter om een kerk te zoeken waar de moderne liturgie op een klassieke manier wordt gevierd. De abdij van Vaals is daarin de absolute kampioen, maar veel grote steden hebben ook wel een kerk waar dat gebeurt. Het is soms even zoeken, maar van levensbelang als je echt iets van Gods Woord wilt begrijpen. Want dat is geen boek, maar een Persoon. En Hij wacht niet op jou als een vlinder geplet tussen vellen papier, maar in de gestalte van de Sacramenten in de Kerk. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  40. 14

    Epifanie

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  41. 13

    Wanneer alles Winter wordt

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  42. 12

    Heden is u de Verlosser geboren!

    Vier weken hebben we zitten uitkijken naar de geboorte van de Verlosser. Advent, noemen we dat. We hebben, in het donkerst van het jaar, langzaamaan toegeleefd naar het moment dat het licht de nacht zou breken. Of nou ja: langzaam. In November was er al niet meer aan de lichtjes en de ballen te ontsnappen. De goede Sinterklaas is gekomen en gegaan met zijn zak en zijn pakjes, net als de heilige Lucia met haar kaarsenkroon. Zoals meestal is het ook dit jaar niet gaan sneeuwen, maar vriezen doet het wel. Dat helpt bij het krijgen van een kerstgevoel, hoe onnozel dat ook is. En, toch nog weer sneller dan verwacht is het dan kerstmis.Een stelletje sjofele herders krijgt Hem het eerst in de gaten, omdat een legermacht van engelen ze nuchter dronken heeft gevoerd met hemelse muziek. ‘Heden is U de Redder geboren!’ Betoverd hebben ze hun schapen bij elkaar geroepen en zijn ze naar Bethlehem gegaan. En daar is Hij dan, die Verlosser, die Redder, die Heiland. In een stal, in een voederbak voor de beesten.Een Kindje zoals alle andere kindertjes, eigenlijk, hebben die herders misschien wel gedacht. Een beetje kreukelig nog, ook. Vreselijk breekbaar tevoorschijn gekomen in een levensgevaarlijke wereld die je eigenlijk beter kunt vermijden, meestal.Maar dat heeft Hij dus niet gedaan. En zal Hij ook later niet doen. Heden is U de Redder geboren.Hij had niet hoeven komen. Hij had ook in het licht kunnen blijven, boven de wolken en achter de maan, waar er niet gehuild en niet geleden wordt. Per slot van rekening was het niet zíjn fout dat de wereld zo donker en lelijk was geworden. Wat kon Hij eraan doen?Hij kon er geboren worden, duidelijk, en dat was precies wat Hij deed. Hij kon er aanwezig zijn, niet wegblijven, niet wegkijken, niet wegkruipen in zijn eigen behaaglijke veiligheid.En dat is vriendelijk van Hem, maar wat moeten wij ermee. Hebben we dáár nou zo lang naar uitgekeken, hebben we dáár onze hoop op gesteld? Is dát onze Redder? Een frommelig baby’tje dat net zo hard poept en blèrt als alle andere. Natuurlijk is het wel lief en schattig, maar dat zijn ze allemaal, in het begin.Je stelt je bij een goddelijke reddingsbrigade toch wat anders voor. Gered worden is sowieso een beetje een onduidelijke toestand in dit geval. Want In sommige situaties is gered worden een uitgemaakte zaak. Als je aan je vingernagels aan een dakgoot hangt en er komt iemand met een ladder aanrennen ben je maar wat blij. Of als je je net heerlijk hebt laten gaan op een wc waar dan vervolgens geen wc-papier meer blijkt te hangen. Een hele opluchting als er dan iemand, waarschijnlijk grinnikend, een nieuwe rol aanreikt door het kiertje van de deur. Net zo voor situaties met liften die vastzitten, brandblussers en reddingsboten. Acute situaties met acute oplossingen, sommige ernstig, andere niet, maar het is duidelijk wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren.Maar het is niet zo’n soort redding die de pasgeboren Redder komt brengen. Voor wie heel de werkelijkheid is scheefgelopen is er een totaal ander soort redding nodig. Waar er door verbittering, verslaving, trauma, chronische teleurstelling of verzuring een hele andere wereld is ontstaan dan die, die je je had voorgesteld. Waar het moeilijk is om je kinderlijke blik te bewaren, niet te verharden en te verdrogen en cynisch te worden.Dit kleine Reddertje moet je niet zien als een ambulance met zwaailichten of een ladder met een brandweerman. Dit kleine Reddertje is meer zoiets als een zaadje dat in een donkere winternacht in een kale doodse wereld in de aarde valt. Dit is een Redder die redt door er gewoon te zijn. En dat is tegelijk ook het enige dat Hij echt van óns vraagt. Er gewoon te zijn. Om te redden, maar ook om ons te láten redden en om ons daarover te verwonderen.Want zo moeilijk hoeft het allemaal niet te zijn. Het kan al in het piepklein gebeuren. Zoiets als een onverwacht vriendelijke opmerking die iemand maakt, en die in eerste instantie niet zoveel lijkt voor te stellen. Maar die dan langzaam maar zeker je hele stemming laat opklaren. Als je het wil zien.Zoiets als een oplossing die nog vlak onder je gedachten rijp ligt te worden, maar die je toch al aan voelt komen. Lijkt niks voor te stellen, is ook nog niks, maar wordt vrijwel zeker wat. Als je het wil zien.Zoiets als het breken van de koorts als je flink ziek bent. Lijkt niks voor te stellen, je kan het moment niet eens precies aanwijzen. Je bent ook nog lang niet beter, maar al het onbehagen dat er nog is wijst naar beter worden in plaats van beroerder. Als je je eraan overgeeft.Het kleine Reddertje in de stal van Bethlehem is het teken van dat soort redding, de redding die groeit uit aandacht. Hij is zoiets als het zaadje van de hoop. De hoop op een nieuwe wereld die er nog niet is, maar stiekem ook al wel, als je het wil zien. Er ligt nog een pak sneeuw overheen, en het is ook nog lang geen april, maar in het verborgene ligt de warmte van het nieuwe voorjaar al te flonkeren. Als een sterretje dat uit de hemel is gevallen om ons een Reddertje te worden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  43. 11

    De verzuchting in je hete kern

    Lezing uit de eerste brief van de heilige Paulus aan de christenen van Korinthe (4, 1-5)1 Zó moet een mens ons beschouwen: als helpers van Christus en uitdelers van geheimenissen van God.2 Welnu, onder uitdelers wordt slechts vereist dat men betrouwbaar blijkt.3 Mij maakt het bijna niets uit dat ik door u word geoordeeld of door enige menselijke instantie; ik beoordeel ook mijzelf niet;4 want ik ben mij van niets bewust, ik ben daardoor echter niet gerechtvaardigd; maar die over mij oordeelt is de Heer.5 Oordeelt dan niet vóór de tijd, totdat de Heer komt, hij zal ook aan het licht brengen wat verborgen is in het duister en de overleggingen der harten openbaar maken; en dán zal aan een ieder de lof toekomen van Godswege.Uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (3, 1-6)1 In het vijftiende jaar van de heerschappij van Tiberius Caesar -als Pontius Pilatus heerst over Judea, Herodes viervorst over Galilea is, zijn broer Filippus viervorst is van Iturea en de streek van Trachonitis, en Lysanias viervorst van Abilene is,2 onder heiligdomsoverste Annas, en Kajafas- geschiedt het woord van God aan Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.3 Hij komt tot heel de streek van de Jordaan, predikend een doop van bekering tot loslating van zonden,-4 zoals geschreven is in de boekrol van de uitspraken van Jesaja de profeet: ‘de stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt recht zijn paden!-5 elke kloof moet worden gevuld en elke berg, elke heuvel geslecht; de kronkelingen rechtgetrokken en de barre wegen vlak gemaakt:6 alle vlees zal zien de redding door God!’ (Jes. 40,3-5)PreekWaar wachten wij eigenlijk op? Niet alleen in de Advent, maar als christenen in het algemeen? Want is de portée van het hele christen zijn niet dat je wacht op Christus? Dat je Hem verwacht? Wat is een christen? Iemand die Jezus verwacht.In iedere menselijke ziel schuilt een heiligdom. Bij een christen is dat heiligdom vol van maar één gebed: kom, Heer Jezus, kom, mijn ziel heeft dorst naar jou.Betekent dat dan dat wij bestaan uit een stelletje idioten dat uit een antiek pak papier de aankomstdatum van een soort buitenaards wezen probeert te berekenen? Nee. De waarheid is dat wij over de details van Jezus’ komst geen flauw idee hebben. ‘Gij zult de Mensenzoon zien komen op de wolken des hemels met zijn engelen,’ horen we Hem zeggen. Sommige mensen menen dat heel letterlijk te kunnen nemen. Die vergeten dan weer dat Hij elders zegt dat je op die jongste dag overal ter wereld, waar je ook bent, die komst van Hem zal kunnen meemaken.“Als men u dan zegt: Zie, Hij is in de woestijn — gaat er niet heen;zie, Hij is in de binnenkamers — gelooft het niet.Want zoals de bliksem uitgaat van het oosten en zichtbaar is tot het westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.”Tenzij Hij alle dimensies door elkaar zal roeren of zichzelf door de kopieermachine zal trekken tot het zwart ziet van de Jezussen zal de werkelijkheid toch wel subtieler in elkaar zitten dan de fantasieën van Amerikaanse evangelicalen. En sommige valse Mariaverschijningen, zou ik daar nog aan toe moeten voegen.Hoe dan ook zal Jezus je niet voor niks laten wachten. Ook niet als het einde der tijden pas komt lang nadat jij bent gestorven. Hij komt je precies tegemoet in dat kleine heiligdom in je ziel, waar de Geest van God smeekt met onuitsprekelijke verzuchtingen: kom, Heer Jezus, kom!Het is ook precies daarom dat Johannes ons oproept de bergen te slopen en de sloten te dempen zodat de Heer vrij baan heeft bij zijn komst.Dat wordt meestal nogal nauw moreel geïnterpreteerd. Wij moeten brave jongens en meisjes zijn, anders slaat hij ons huisje over en moeten we in de zak naar... o, wacht, dat was die andere komst. Die hebben we al gehad.Natuurlijk maakt het deel uit van ons open staan voor God dat wij niet vol egoïsme zitten, niet alles en iedereen ondergeschikt maken aan onze platte begeerten. Daarbij maakt het niet uit of die begeerten financieel, seksueel of in bredere zin emotioneel zijn. De begeerte om serieus te worden genomen, te worden geëerd, te worden geraadpleegd en te worden gehoorzaamd is uiteindelijk precies dezelfde als de lust naar lichamelijke of materiële bevrediging. Het heeft allemaal te maken met een schreeuwende behoefte aan voltooiing en geborgenheid. Veilig zijn en geaccpeteerd worden.Maar als je je veiligheid en je bevestiging verwacht van dingen en mensen en geld en plezier verwacht je die automatisch niet van de liefde zelf. De komende Jezus. En dan zit je deur op slot, net als die van de bruid van het hooglied. Die liep al ik weet niet hoeveel coupletten te kwelen naar haar beminde. O, o, wat hield ze van die man. En, kijk aan: in een zekere nacht stond hij voor haar deur en fluisterde haar toe door het sleutelgat. En zij was te beroerd om haar nest uit te komen om voor hem open te doen. Daarna moest ze ik weet niet wat trotseren om het weer in orde te krijgen. Niet zij die zomaar roepen: ‘Heer, Heer!’ beërven het koninkrijk der hemelen.Het openstaan en verwachten en zuchten naar Christus is niet zomaar moreel. Het is ook niet zomaar esthetisch of zomaar emotioneel. Het is niet zomaar seksueel, laat staan intellectueel. Het is universeel. Het maakt je hele wezen uit. Je bent hier op aarde om met alles wat je bent, met heel je belevingswereld en alles en iedereen verenigd en nieuw te worden gemaakt in Hem.Hoe dat kan heeft Hij al eens voorgedaan. Wie het Koninkrijk wil beërven moet worden als een Kind. Onvoorwaardelijk hier en nu aanwezig en bereikbaar. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  44. 10

    Hoe krijg ik mijn kerstgevoel op gang?

    Het is zo ongeveer twaalf graden boven nul en vooral drijfnat. Het is ook al half december geweest, en we verlangen zo langzamerhand naar een beetje kerstgevoel. We hebben de halve ballen- en lichtjesafdeling van de Intratuin naar binnen gesleept, draaien de godganselijke dag kerstdeuntjes en eten alleen nog stamppotten en dingen met speculaaskruiden erin. En toch wil dat kerstgevoel maar niet opkomen. Waar doen we het eigenlijk allemaal nog voor?Voor veel van ons duurt de winter gewoon te lang. Weliswaar wordt het nooit écht koud, maar er is een soort eindeloze herfst ontstaan. Alsof het van november tot april altijd maar gewoon, eeh, november blijft. Gíng het maar gewoon eens lekker vriezen, daar knapt een mens van op. In plaats daarvan regent en waait het vooral veel, en zitten we binnen een beetje te verzinnen hoe we ons eens zullen vermaken. Dat komt in de praktijk meestal neer op zitten te pielen op je telefoon terwijl de muggen om je hoofd zoemen. In december.Precies daarom doen we waarschijnlijk zo’n moeite voor kerst. Precies daarom hebben we er zo’n honger naar en zo’n zin in. Precies daarom zijn de lichtjes en de ballen niet aan te slepen en is er een acute uitbraak van verlichte rendieren en knipperende pegelgoten. Wij sterven niet zo zeer meer aan oorlogen en pandemieën als wel aan de verveling. Het is niet het duister dat ons dreigt, maar vijftig tinten grijs.Daar is ten eerste internetgrijs. Internetgrijs ontstaat wanneer er zóveel geuren en kleuren door elkaar geroerd worden dat ze eindigen in grijs, net zoals de pluis die nadat je de gekleurde was hebt gedraaid in het filter van de machine achterblijft. Dat grijs draag je bovendien met je mee, door de kleine tiran in je broekzak.Verder is er sociaal grijs. De meesten van jullie kunnen het zich waarschijnlijk nauwelijks herinneren, of je was gewoon nog niet geboren, maar nog niet zo lang geleden liepen mensen spontaan bij elkaar binnen en belden elkaar spontaan op. Nu maken we dagen en soms weken van tevoren een afspraak om het gezellig te hebben, alsof we naar de tandarts gaan. Dat wordt op de een of andere manier toch nooit hetzelfde. Maar we hebben het zoveel drukker dan de mensen vroeger met... ja waarmee eigenlijk?Dan is er nog het creatieve grijs. We hoeven niks meer te maken omdat alles te koop is. Een trui van de Zara zit strakker in elkaar dan eentje die je zelf gebreid hebt en pakt meestal nog goedkoper uit ook. Een kippenhok timmeren hoeft ook niet meer, dat haal je je gewoon bij de Welkoop of zo. Zingen en muziek maken is ook een hoop moeite voor niks, want dat kan Adèle beter, en die is elk moment beschikbaar, overal. Tekenen en schilderen dito: daar wordt elektronisch in voorzien en dat is ook nog beter voor het milieu en je hebt er geen rotzooi van in huis.Naar buiten, dan maar? Even weg van de telefoon en het eindeloze entertainment? Maar buiten is het grijs, het regent en er is niks te zien. De bomen zijn kaal en het gras heeft de grijsgroene kleur van boontjes uit een potje in de supermarkt.Maar gelukkig is er dus kerst. Het mag dan wel te warm zijn, maar donker is het wel en binnen kun je het zo decemberig maken als je wilt, toch? Dus proppen we ons hele huis vol zilverglas en dennentakken.Maar we voelen er niks bij, nogal eens. Het kerstgevoel ontsnapt ons net zoals een naam die je voor op de tong ligt maar toch niet kan zeggen. Of iets wat je aan de zijkant van je blik steeds heel even meent te zien, maar toch niet scherp in het vizier kunt krijgen. Al die kerstmaatregelen die je hebt genomen - ballen, lichtjes en speculaas - lijken de onkerstigheid van je stemming, en trouwens van je hele wereld - alleen maar te onderstrepen.Goed, genoeg geklaagd. Wat gaan we eraan doen?We beginnen met het weer. Daar is niks aan te doen. Beter opletten is het enige dat ik kan verzinnen. Want die zes maanden november zijn maar schijn. Ook als de winter niet de sneeuw brengt die je van hem verwacht brengt hij misschien stiekem wel dingen die je níet verwacht. Dus toch maar gewoon het bos in en fietsen in plaats van met de auto. Want ook die eindeloze regen is meer een idee dan een werkelijkheid.Dan het probleem van het benauwende internetgrijs. Veel van mijn collega priesters dringen erop aan maar eens streng te gaan internetvasten. Dat klinkt heel verstandig - en dat is het ook - als je het kunt opbrengen. Maar dat kunnen de meesten van ons helemaal niet. Want we zijn ermee vergroeid. En niks is zo frustrerend als mislukte goede voornemens. Krijg je geen kerstgevoel van.Maar misschien is er een gulden middenweg? Vertraging in plaats van vasten? We wéten dat het niet het héle internet is, maar dat het een paar hele specifieke sociale media zijn die ons het meest verslaven en onze aandacht wegvreten. Misschien zou je alleen díe de nek om kunnen draaien en dat gewoon vol kunnen houden. Want ze zijn net zo dodelijk voor jouw kerstgevoel als koning Herodes voor het Kindje Jezus. Ik noem geen namen, we weten allemaal welke het zijn.En dan verder eens dingen gaan doen die erop gebaseerd zijn dat er iets geboren moet worden. Dat je moet bevallen van iets. Want dat is wat kerst uiteindelijk ís. Dat midden in het donker - of de grijsheid - er iets in de wereld verschijnt dat nieuw licht en nieuwe hoop brengt. En die vallen niet uit de hemel neer en worden ons niet van buiten opgedrongen.Dat God is ménsgeworden in het Kindje Jezus betekent juist dat het licht en de blijdschap worden geboren uit de wereld zélf. Uit jou, om precies te zijn. Je hoeft het heil niet van elders te verwachten: je draagt het zelf al in je mee. Je loopt het alleen voortdurend voorbij.Goed, even pas op de plaats. Als je het ware kerstgevoel wilt krijgen, dus als God in jou Mens moet worden, moet je eerst weten wie die God is. Anders kun je persen totdat je blauw aanloopt, maar dan is frustratie het enige dat je tevoorschijn krijgt. Gelukkig is het helemaal niet moeilijk om te weten wie God is, want daar hebben we de traditie voor. En die zegt drie dingen over God: God schept, God redt en God maakt één.Aspect één: God schept. Dus jij ook. Dat Maria Carey en Adèle beter kunnen zingen dan jij is vast waar, maar doe het toch maar. Maak muziek. Of teken of schilder of brei, in godsnaam. Schrijf een kerstverhaal, timmer een tuinbank. Hoe dan ook: maak iets. Het mag nuttig zijn, maar daar mag het niet om gaan. Maak niet iets omdat je het nodig hebt, maar omdat je een Maker bént. Een Schepper bént. Maak om te zijn, niet om te maken.Aspect twee: God redt. Dus jij ook. Niet door in een soort schaatspak met een cape door de lucht te vliegen en ontsporende treinen te stoppen. Dat lijkt me niet erg realistisch. Ook niet door zieken te genezen door handoplegging of geld op de bankrekeningen van goede doelen te storten. Dat laatste moet je misschien wel doen, maar dat is té abstract om je ervan te doordringen dat je bent gemaakt om een redder te zijn. Dat doe je vooral door de behoeften van mensen om je heen te zien en daar iets op te ondernemen. In onze samenleving is dat vaak vereenzaming en verveling.Misschien gaat het dan om mensen op leeftijd of mensen die gewoon sociaal niet zo handig zijn en buiten de boot vallen. Het is niet nodig om specifiek op zoek te gaan naar mensen om te redden. Ze doen zich vast en zeker spontaan aan je voor. Meestal zijn het namelijk net zulke mensen als jijzelf. Doorsnee mensen met doorsnee angsten en verlangens en vooral: doorsnee verveling. En jij hebt weliswaar geen spandex superkrachten maar wel één superkracht die daar ver bovenuit stijgt: aandacht en aanwezigheid. Superman is er niet, jij bent er wel. Dat maakt jou de gegarandeerde winnaar. Je kunt die aanwezigheid in Tiktok investeren. Je kunt ook iemand ontmoeten. En redder zijn.Aspect drie. Verenigen. God maakt één. Om God de Vereniger op aarde te zetten komt er wel meer kijken dan die andere twee. Het begint bij zelf mensen vergeven. Dat klinkt makkelijk, maar dat is het soms niet. Wel als het gaat om mensen die je gewoon een keer goed op je bord hebben gescheten. Vervelende mensen. Irritante mensen. Die zijn fantastisch om je vergeefcapaciteiten op te oefenen. En dan mag je ook best van jezelf verwachten dat dat zo’n beetje lukt, ook. Maar er zijn ook mensen die écht kwaad te vergeven hebben. Van die mensen kun je dat niet eisen. Het is letterlijk een godsgenade als ze dat tóch lukt.Maar verenigen eindigt niet bij vergeven. Ook het samenbrengen van mensen en het bewaren van de goed sfeer hoort daarbij. Juist met kerst vinden mensen dat vaak een enorme uitdaging. En dat is het ook, omdat we getraind zijn sensatie te zoeken in plaats van te relativeren. Verontwaardiging te voeren in plaats van te dempen. Overal een mening over te hebben in plaats van ons te beperken tot dingen waar we ook echt verstand van hebben. Op die drie punten eens een andere koers kiezen levert wonderlijke resultaten op.En dan kalmeert misschien de storm van grijzigheid in je hoofd, het flikkerende duister en de lawaaierige verveling. Misschien klaart het nét genoeg op om de ster te zien schitteren die je bij je kerstgevoel brengt. Misschien ook niet. Dan prop je je gewoon vol met kerstkransjes en overgebleven pepernoten en tiktok je je tussen de muggen helemaal suf terwijl je ondertussen je familie uitscheldt. Even later is kerst gewoon weer voorbij en groeit het voorjaar. En volgend jaar probeer je het gewoon opnieuw. Leven is leren. In de hemel rusten we uit. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  45. 9

    Het gouddraadje verbergt zich nog...

    Lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi4 Verheugt u in de Heer, altijd; nog eens zal ik zeggen: verheugt u!5 Laat uw vriendelijkheid bekend worden aan alle mensen. De Heer is nabij.6 Weest over niets bezorgd,- nee, laten in alles, in aanbidding en smeking met dankzegging, uw vragen bekend worden bij God.7 En de vrede van God, die alle denken te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.Lezing uit het heilig Evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes19 En dit is het getuigenis van Johannes, wanneer de Judeeërs vanuit Jeruzalem tot hem heiligdomsdienaren en Levieten zenden om hem de vraag te stellen: u, wie bent u?20 Hij belijdt,- hij loochent het niet en belijdt: ík ben de Gezalfde niet!21 Ze vragen hem: wat dan wél?- bent u Elia? Hij zegt: dat ben ik niet! De profeet,- bent u dat? En hij antwoordt: nee!22 Dan zeggen ze tot hem: wie bent u, zodat wij een antwoord kunnen geven aan wie ons hebben gestuurd?- wat zegt u over uzelf?23 Hij verklaart: ik, ik ben ‘de stem van een roepende in de woestijn: maakt recht de weg van de Heer!’ (Jes. 40,3), zoals Jesaja, de profeet, gezegd heeft.24 Ook zijn er afgezanten geweest uit de gelederen van de Farizeeërs.25 Ze stellen hem een vraag en zeggen tot hem: waarom doopt u dan, als u niet de Gezalfde bent, niet Elia en niet de profeet?26 Johannes antwoordt hun en zegt: ik doop in water; midden onder u staat hij -van wie u het niet weet-27 die, na mij, komende is, voor wie ik niet waardig ben om zelfs maar de riem van zijn schoeisel los te maken!28 Dat alles geschiedt in Betanië aan de overzij van de Jordaan,- want daar was het dat Johannes doopte.PreekVerheugt u in de Heer. Midden onder U staat Hij - van wie u het niet weet.Wij mensen voelen ons nog best vaak door God in de steek gelaten - ook als wij gelovige mensen zijn. Hoe moeilijk is het om een zonnige kijk op het leven te houden als de wereld steeds donkerder, dommer en wezenlozer lijkt te worden. En kouder en wreder - want die dingen horen bij elkaar.Wij denken dat veel van die ellende uniek is voor onze tijd. Dat ónze specifieke vorm van dreiging en donkerte wel de meest vervreemdende moet zijn die er ooit gezien is. Met onze oorlogen en uit elkaar vallende beschaving, met onze atoomdreiging en klimaatcrisis.Maar de vorige keer was het de builenpest en de keer daarvoor enorme hongersnood en waar de mensen in de prehistorie over piekerden: daarover wil ik niet eens nadenken.De wereld waarin Jezus mens werd was in ieder geval niet fraaier dan de onze. We denken wel vaak met verwondering en bewondering terug aan de Grieks-Romeinse beschaving, maar in werkelijkheid was het een wereld op een andere planeet. Een wereld waar voor tederheid en zachtheid niet veel ruimte was. Zowel met de hemel als de aarde hadden de mensen een harde, zakelijke verhouding. Als ze zich wilden vermaken gingen ze naar de arena om te zien hoe mensen elkaar de hersens insloegen, of op allerlei sadistische manieren werden vermoord.Jezus hoorde dan ook nog weer eens bij een uithoek van dat rijk waar geen rekening mee werd gehouden, behalve dan wanneer het moest worden onderdrukt en gekoeioneerd.De mensen daar zullen wel niet automatisch een zonnige blik op het leven hebben gehad. Eigenlijk geldt dat voor de meeste mensen: wegzinken in gepieker kost niet veel moeite. Het licht zien dan weer wel. Het lijkt nogal eens alsof onze ogen te vechten hebben tegen een tegenwind van duisternis en grijze nietszeggendheid.Maar die dingen zijn maar schijn, zegt Johannes ons.Midden onder U staat Hij die gij niet kent. Jullie wachte op het heil, maar het is er al! Je hoeft het maar te zien.Zoals vandaag het licht door onze paarse gewaden schijnt en ze roze kleurt, zo is ook - in alle verborgenheid - het licht verweven met onze duisternis.Toen ik dertig jaar geleden op het seminarie zat heerste nog alom de verplichte lelijkheid. Omdat de priesters vergeten waren dat ze niet namens zichzelf aan het altaar stonden, moesten alle gewaden lijken op jute zakken. Anders zou het immers onbescheiden zijn. Hadden ze beseft dat ze sowieso als individu helemaal achter Christus dienden te verdwijnen tijdens de liturgie, dan hadden ze zich die genante modeshow kunnen besparen. Dan hadden ze rustig in de koninklijke traditie van schoonheid en majesteit kunnen verder vieren zonder ook maar de minste schaamte. Maar zo ging het dus niet.Om te bewijzen hoe verschrikkelijk nederig ze wel niet waren gingen ze rondlopen in jurken die bedoeld waren associaties met herders en vissers uit het Galilea van de eerste eeuw op te roepen. Maar omdat het toch de liturgie was, en ook wel een beetje omdat ze stiekem toch nog steeds wel best ijdel waren, zat er dan toch weer een gouddraadje doorheen. Het was ruw en boers en met schreeuwerige kleuren chroomgroen en cadmiumrood met af en toe een glittertje erdoor. Een beetje zoals de maillot van een koorddanseres in het circus die te vaak gewassen is.Heel de vormgeving van toen bewees al gelijk de mislukking ervan. Want de werkelijkheid van Gods kinderen is natuurlijk nooit plat en grof, en al zeker niet donker. Want midden onder jullie staat Hij die jullie niet kennen. Maar die jullie toch meer eigen dan vreemd is, en dichterbij dan je bij jezelf bent.Hoe hopeloos, hard, prozaïsch en troosteloos deze wereld ook lijkt, en hoe kapot gemaakt door zonde en haat: stiekem verbergt zich de gouden draad vlak onder de oppervlakte. De draad van het zijn zelf, de Vader die alles in het bestaan houdt. De draad van de vormen, geuren en kleuren zoals ze wél bedoeld zijn, uit de hand van de Zoon, die komt. En de draad die dat alles samenbindt en eenheid schenkt, uit de hand van de Geest. We zien het nog niet, we wachten nog. Op wat er in feite de hele tijd al is... This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  46. 8

    Heilige of Midwintergodin?

    De grote martelaressen hebben altijd zoiets als een speciale status gehad op de heiligenkalender. Ze maken op de een of andere manier emoties los waar hun mannelijke tegenhangers niet aan kunnen tippen. Natuurlijk: Laurentius en Sebastiaan worden met enthousiasme vereerd, en dat is ook altijd zo geweest. Maar Agnes, Cecilia en Dorothea komen toch nog net nog iets vaker voor op onze kerkmuren en sokkels, om nog maar te zwijgen van Catharina en Barbara. Dat waren in de middeleeuwen wel echt een soort halve godinnen. Dat is ironisch, want ze zijn nou juist vermoord omdat ze weigerden aan goden en godinnen te offeren. De heilige van deze week, Lucia, is een wel héél speciaal geval. Zij stierf de marteldood op Sicilië en schopte het, nota bene in de negentiende eeuw, tot zoiets als de heidense moedergodin van Scandinavië, of all places.Om maar even met het begin te beginnen, de legende van Lucia gaat als volgt (ik geef hem hier met alle middeleeuwse versieringen erop en eraan, we zijn niet gereformeerd). Lucia was een christelijk meisje in de stad Syracuse op Sicilië, in de derde eeuw. Natuurlijk was zij beeldschoon, van adel en razend intelligent, want zo hoort dat. Haar vader stierf al vroeg, zodat haar moeder Eutychia het hoofd van het gezin werd. Die moest pragmatisch denken, en wilde Lucia uithuwelijken aan een rijke heidense jongeman. Die bleek natuurlijk een snoodaard te zijn, die haar alleen wilde hebben vanwege haar centen en haar mooie ogen.Zij wilde trouwens sowieso niet trouwen, want zij had haar maagdelijkheid aan Christus beloofd, en wilde haar bruidsschat uitdelen aan de armen, zodat zij in het hemelse koninkrijk een schat zou bezitten.Haar moeder wilde van dit alles niks weten, maar begon op den duur te twijfelen. Zij had al een hele tijd aan bloedverlies geleden en zich geen raad geweten. Daarop had haar dochter Lucia een heilige droom gekregen. In die droom verscheen haar de heilige Agatha. Die was 52 jaar daarvoor vermoord tijdens de vervolging onder keizer Decius, en deed het ene wonder na het andere. ‘Stuur je moeder maar naar mij,’ zei Agatha. ‘Want jouw geloof en vertrouwen zijn zo groot dat ik haar door Gods genade genezing wil schenken. En jijzelf zult de glorie van Syracuse worden.’ En natuurlijk ging het ook precies zo: na een hoop drammen en aandringen van Lucia ging Eutychia naar Agatha’s graf en was onmiddellijk en definitief gezond.‘Nou heb je het bewijs dat ik niet maar wat loop te dromen,’ had Lucia tegen haar moeder gezegd. ‘Laat me dus een godgewijde maagd blijven en mijn geld aan de armen geven. Eutychia, praktisch als ze was, stribbelde nog wel even tegen - dat geld kon toch ook gewoon voor de zekerheid nog even bewaard worden en zo, maar er hielp letterlijk geen lieve moedertje aan. Lucia was begonnen haar goud en haar juwelen uit te delen aan de armsten van de armen.De man die eerst met haar zou trouwen kreeg daarvan te horen, en werd woedend. Hij liep naar de heidense gouverneur en gaf haar aan als christen. Zij werd onmiddellijk gevangengenomen. ‘Offer aan de beschermgeest van de keizer, anders zetten we je in een hoerenkast,’ was de boodschap. Maar natuurlijk was Lucia nergens toe te bewegen. Letterlijk niet. Ze was niet meer van haar plaats te krijgen. Niet met een hele troep soldaten en zelfs niet met een span ossen. De gouverneur raakte in paniek van haar. Was ze bezeten door een kwade godheid of een demonische presentie? Hij liet hout en takkenbossen tegen haar opstapelen om haar levend te verbranden, maar zij was als de drie jongelingen in de vuuroven uit het boek Daniël. Het vuur laaide hoog op, maar zij stond stil en sereen en ongeschonden tussen de vlammen.Onder de toeschouwers stond haar valse bruidegom, die haar om alle verkeerde redenen had willen hebben en niet had kunnen zien wie zij werkelijk was. Toen zij hem in de menigte ontwaarde trok zij haar eigen ogen uit de kassen en bood ze hem aan. ‘Hier heb je je juwelen,’ zei ze erbij.De gouverneur begon bang te worden dat dit spektakel van christelijke standvastigheid een bekeringsgolf zou veroorzaken. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot de enige remedie die romeinse beambten hadden tegen onverwoestbare heilige vrouwen. Hij liet haar de hals doorsnijden. Op de een of andere manier gaan ze daar altijd wél dood aan, en zo ging het nu ook. Lucia zuchtte bevallig en gaf de geest.Goed, de werkelijkheid zal wel tegelijk een stuk minder feeëriek én een stuk minder gruwelijk en toch ook tegelijk een stuk grimmiger zijn geweest. Want romeinse heiligenverhalen zijn nou eenmaal een hoop dingen door elkaar. Je wordt er soms een beetje duizelig van.Hoe dan ook veroorzaakte Lucia typisch zo’n kettingreactie die van de toevalligheden aan elkaar hangt, en toch volkomen logisch uitpakt. Waar dat griezelverhaal van die ogen precies vandaan komt weten we niet, want dat verschijnt pas heel laat. Maar tegen die tijd was ze zeker al de beschermheilige van de ooglijders. In combinatie met de datum van haar feest maakte haar dat tot een mythische gestalte in de donkerste en somberste tijd van het jaar.Zo werd zij in de middeleeuwen een brengster van troost voor wie het niet meer zag zitten. Ofwel door het donker en de kou, ofwel door oogkwalen.En dan gebeurt er iets geks. Aan het einde van de negentiende eeuw kregen de mensen in het westen voor het eerst last van hun gebrek aan identiteit. Dat gebeurde het eerst in protestantse gebieden, waar de godsdienst totaal geen ruimte liet voor de verbinding met de natuur en het onbenoembare in de menselijke ziel. Intellectuelen, zoals de gebroeders Grimm in Duitsland, en Hans Christian Andersen in Denemarken, begonnen eerst sprookjes en motieven uit het volksgeloof op te tekenen, en daarna te bewerken. Zij werden razend populair, en er groeide zoiets als een verlangen naar de heidense onderlaag van de beschaving en dat deel van de christelijke erfenis dat daar contact mee kon maken. Dat deel dus, dat de protestantse kerk had afgedankt en verwaarloosd.Zo kwam ook Lucia van de storthoop terug, nota bene in het hoge noorden, in Zweden. Officieel ging het om een puur seculier iets, iets van buiten de Kerk. Die deed immers daar niet meer aan heiligen op die manier. Het begon in gegoede burgerfamilies waar veel boeken werden gelezen en graag werd geknutseld. Een van de meisjes mocht Lucia zijn. Zij kreeg een krans met brandende kaarsen op het hoofd om, in het donkerste van het jaar, het naderende licht zelf te worden. Het licht van de komende Verlosser, het Licht van de terugkerende zon. Het licht van de onverwoestbare hoop.Als een lopend vuurtje verspreidde dat lieve gebruik zich over heel Scandinavië, net zoals de kersboom dat al eerder in Duitsland had gedaan. Want beide hebben natuurlijk stiekem dezelfde worteltjes. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  47. 7

    Inleiding op het Christendom IV

    Na de kruisdood van Christus begon het “goede gerucht” zich te verspreiden dat Hij leefde, dat Hij verrezen was. Zijn graf was leeg, en Hij verscheen aan een paar vrouwen uit zijn gevolg, en daarna aan zijn apostelen. En waarschijnlijk bleef het nog een hele tijd min of meer bij dat kleine groepje. De brieven van Paulus waren er nog niet, en de Evangeliën zoals wij die kennen begonnen zelfs pas dertig jaar later op het toneel te verschijnen. De Paasboodschap was in het begin dus een mondelinge boodschap. Zoals ik al zei werd het vaak een ‘goed gerucht,’ genoemd. Bij een kleine, maar zeer gemotiveerde groep mensen viel dat gerucht in goede aarde en schoot wortel.De apostelen krijgen de GeestDe eerste kiem van die groep mensen was het gezelschap van de twaalf apostelen. Judas Iskariot was weliswaar afgevallen nadat hij Jezus verraden had en zich daarna had verhangen, maar in zijn plaats was Matthias gekozen. Er waren dus vanaf de verrijzenis twaalf “hoofdgetuigen” en daarnaast nog een gezelschap van andere leerlingen die Jezus persoonlijk hadden gekend en uit eerste hand over Hem konden vertellen. Zij waren ook de eersten die waren geconfronteerd met het wonderlijke fenomeen “Heilige Geest.” Vóór zijn dood en verrijzen had Jezus beloofd dat die zou worden uitgestort, en inderdaad hadden de apostelen vijftig dagen later een doordringende ervaring.Er klonk ten eerste een suizende wind in de kamer waar ze bij elkaar waren. Die wind was een bekend teken van Gods zelfopenbaring. Al in de verhalen over Elia wordt gesproken over zijn aanwezigheid als het “suizen van een zachte bries.” Ten tweede verschenen er boven de hoofden van de apostelen tongen van vuur. Tijdens zijn prediking had Jezus uitdrukkelijk gezegd: “vuur ben Ik komen brengen op aarde, en hoe verlang Ik dat het oplaait!” Vuur was, net als wind en storm, één van de tekenen van Gods Majesteit. Ten slotte hoorde ineens iedereen de apostelen spreken in zijn eigen taal: Parthen, Meden en Elamieten, Mesopotamiërs, Kappadociërs en mensen uit Pontus en de Romeinse provincie Asia (het westen van het huidige Turkije). Deze gebeurtenissen worden van oudsher beschouwd als de geboorte van het verschijnsel “Kerk.”Het fenomeen “Kerk” Het woord “Kerk” is niet meer voor iedereen vanzelfsprekend, en betekent bovendien niet voor alle christenen hetzelfde. Het Nederlandse woord “Kerk” komt, net als het Engelse “Church” en het Duitse “Kirche” van het Griekse genitief “Kyriake,” dat letterlijk “van de Heer” betekent. De Latijnse talen hebben het over “Chiesa,” “Église,” “Iglesia” of iets van dien aard. Die woorden zijn afgeleid van “Ekklesia,” grofweg de “samengeroepen gemeenschap.” Het werd gebruikt voor de volksvertegenwoordigers van Athene in de klassieke oudheid, maar in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) ook voor het samengeroepen Israël. In het Nieuwe Testament slaat het op de jonge christelijke gemeenschap, ook vaak voor de specifieke christelijke gemeenschap van een bepaalde plaats.In de oude Kerken die wortelen in de oorspronkelijke christelijke gemeenten van de oudheid – dus grofweg de oriëntaals- en oosters-orthodoxen en de katholieken – wordt er grote waarde gehecht aan het verschijnsel “Kerk.” De Kerk is de familie van alle gelovigen. De Kerk is tegelijk de Moeder van de christenen en het Lichaam van Christus op aarde. Juist omdat het op een lichaam lijkt is het ook een hiërarchisch opgebouwde organisatie met ambten die door een ongebroken stamboom op de apostelen worden teruggevoerd (“apostolische successie”). Iedereen heeft in dit gebeuren zijn eigen plaats en functie. Er wordt geloofd dat Gods beloften een garantie vormen dat de Kerk tot aan het einde der tijden nooit helemaal aan het kwaad ten onder zal gaan. Bovendien garandeert diezelfde ambtsopvolging de reële werkzaamheid van bepaalde rituele handelingen, zogenaamde “Sacramenten.” Sacramenten zijn tekenen die datgene bewerken waarnaar ze verwijzen. Ze vormen een confrontatie met Gods heilige Aanwezigheid en verlossende werken die objectief en gegarandeerd is, bemiddeld door het stoffelijke hier en nu. De meeste ervan worden toegediend door zogenaamde ‘geestelijken,’ gelovigen die speciaal daarvoor zijn aangesteld en gewijd. Die komen in drie graden, bisschoppen, priesters en diakens. De Kerk is georganiseerd in bisdommen, elk met een zogenaamde “bisschop” aan het hoofd, die de volheid van het priesterschap heeft ontvangen en alle Sacramenten kan bedienen. Hij wordt beschouwd als een directe opvolger van de apostelen. Hij wijdt op zijn beurt priesters die gewoon “priester” worden genoemd en die verschillende functies kunnen hebben. Meestal werken ze in zogenaamde “parochies,” de christelijke gemeenschappen op lokaal niveau, maar sommigen van hen zijn ook monnik in een klooster of werken in een ziekenhuis of in het leger of iets dergelijks. Er zijn ook nog “diakens,” die de derde trap van het priesterschap vertegenwoordigen. Zij zijn in de meeste bisdommen in ons deel van de wereld tegenwoordig zeldzaam. Van oudsher helpen zij de bisschop met de praktische christelijke naastenliefde in de christengemeenschap, ook materieel.De hiërarchie bestaat dus uit bisschoppen, priesters en diakens, die de taak hebben het Evangelie te verkondigen en uit te leggen (inclusief de daaruit af te leiden theologie en bepaalde morele consequenties daarvan), de Sacramenten te bedienen en in het algemeen de gelovigen met raad en daad terzijde te staan. Men pleegt dat alles samen “zielzorg” of “pastoraal” te noemen. De doorsnee katholiek of orthodox krijgt in zijn leven het meest te maken met gewone priesters. Zij zijn degenen die doorgaans de Sacramenten bedienen aan de gelovigen in de parochies.Van die Sacramenten zijn er zeven: Het doopsel, het Vormsel, de Eucharistie, het Huwelijk, de Priesterwijding, de Ziekenzalving en de Biecht. Ze bestaan in een bijzondere samenhang die heel het leven van de christen draagt en omsluit. Het hart ervan op aarde – en dus van heel de Kerk op aarde – is de Eucharistie, het Misoffer. Het is daar dat Christus het meest condens en tastbaar op aarde aanwezig is in zijn Wezen en Werken.Verwarrend aan dit hele gebeuren is dat het voortdurend door mensen gedragen moet worden van wie de persoonlijke heiligheid niet gegarandeerd is. Volgens het klassieke christendom hecht God er bijzonder aan de persoonlijke vrijheid van zijn gelovigen in stand te laten, dus ook de vrijheid om een stuk verdriet te zijn. Ook de priesters veranderen niet plotseling in lichtgevende engelengestalten door de verheven ambten die ze bekleden. Dat heeft volgens de theologie weliswaar geen consequenties voor de objectieve werking van de Sacramenten als zodanig, maar natuurlijk wel voor de geloofwaardigheid en daarmee de ontvangst ervan. Jantje kan nog zo’n dief, leugenaar en hoereerder zijn, als zijn priesterwijding ooit “geldig” was zijn zijn Missen, Ziekenzalvingen en absoluties het nu ook. Dat alleen de meest scherpzinnige en koelbloedige gelovigen dat nog in de gaten hebben en dat de rest ondertussen de benen heeft genomen en er niet meer in gelooft is een ander verhaal.Het is overigens een klassieke fout (“klerikalisme”) om door de technische opbouw van de Kerk de blik teveel op de geestelijkheid gericht te houden en de rest (de zogenaamde “lekengelovigen”) uit het oog te verliezen. Zij zijn uiteindelijk degenen die bepalen hoeveel “Christus” er in “Kerk” zit, niet hun pastoor.Afhankelijk van of men het heeft over de Griekse (orthodoxe) of Latijnse (katholieke) variant ervan wordt de top van de piramide gevormd door de bisschoppen van de plaatselijke Kerken samen als opvolgers van de apostelen (verzameld in zogenaamde “synoden”) of door de paus, die de bisschop is van Rome en specifiek als opvolger van de apostel Petrus wordt beschouwd. Dat verschil wordt nogal eens heel groot gemaakt, maar idealiter lijkt de katholieke werkelijkheid veel meer op de Griekse dan men doorgaans in de gaten heeft. Meer synodaal ingestelde pausen (Cf. Johannes XXIII, Paulus VI, Benedictus XVI) worden afgewisseld met meer autoritaire (Cf. Pius X, Franciscus) maar in de praktijk zijn oosterse patriarchen doorgaans met minstens evenveel macht bekleed, en onderhevig aan precies dezelfde dynamiek. Als je kijkt naar de korte termijn (jaren) functioneren beide modellen meestal zo slecht dat het droogkomisch aandoet. Op de lange termijn (eeuwen) kon het hele gebeuren tot minstens de eerste helft van de twintigste eeuw als “menselijkerwijs stabiel” worden betiteld. Dat lijkt wel niet de hoofdprijs, en dat is het ook niet, maar het is ook niet niks. Elke historicus zal je vertellen dat het ronduit indrukwekkend is. De rooms-katholieke Kerk is in feite de enige instelling van het Romeinse Rijk die nog gewoon bestaat en zelfs nog een soort van functioneert.Twee dingen moeten wij steeds goed in de gaten houden als wij dit fenomeen werkelijk willen begrijpen. Ten eerste kan de Kerk niet los worden gezien van onze cultuur en beschaving. Zij is er de ruggengraat van. Voor zover we kunnen nagaan was van alle beschavingen waarvan wij nog weet hebben de een of andere vorm van religie de uiteindelijke drager, en voor onze moderne, westerse beschaving is dat stiekem niet anders. Ook de grote meerderheid van mensen in de westerse wereld die nog nooit een kerkgebouw van binnen heeft gezien denkt de hele dag onbewust langs lijnen die door het christendom zijn uitgezet (of er juist expliciet tegenin lopen, maar ook dan worden ze er nog steeds door bepaald). Hoezeer de geseculariseerde westerling ook denkt in een wereld te leven die bevrijd is van godsdienstige wetten en waarden, in werkelijkheid “hangt” heel zijn subjectieve belevingswereld aan een skelet van vormen en normen, dromen en gewoonten, woorden en vanzelfsprekendheden die volledig uit de christelijke geschiedenis en cultuur zijn gevormd en voortgevloeid. Zelfs de geest van onze zogenaamde harde wetenschappen is in feite uit het christelijke kloosterwezen ontsnapt. De pater die dat heeft laten gebeuren zit daarover waarschijnlijk nog steeds te balen in het vagevuur.Het tweede dat wij niet uit het oog mogen verliezen is dat dat hele spulletje uitermate nederige worteltjes heeft. Twaalf analfabetische dromers uit een bezet achterland die waarschijnlijk enorm naar vis hebben gestonken.Daar gaan we nu even naar terug, en we proberen ons te verplaatsen in die tijd en in die eenvoudige, bevlogen mensen, die er geen vermoeden van hadden dat er een wereld zou worden gebouwd op wat zij aangereikt hadden gekregen. Sterker nog: alles wijst erop dat zij verwachtten dat het einde der tijden elk moment voor de deur kon staan. Dat er dus helemaal niks meer te groeien viel.Over het lot van de meeste van de apostelen van Jezus zijn wij vaag op de hoogte omdat zich daarover tradities hebben gevormd. Jacobus de mindere bleef duidelijk in Jeruzalem en leidde daar de plaatselijke jonge Kerk. De anderen waaierden uit over de hele toenmalig bekende wereld, tenminste volgens de verhalen. Thomas zou het Evangelie zelfs helemaal tot in het zuiden van India gebracht hebben. Hoe betrouwbaar die verhalen zijn zullen we nooit meer kunnen achterhalen. Wel lijkt het er sterk op dat de apostelen stuk voor stuk gewelddadig aan hun einde kwamen, behalve Johannes.Het is juist die Johannes die van de twaalf de meest merkbare sporen heeft achtergelaten, waarover later meer. Het werk van de rest van de apostelen werd al vrijwel ogenblikkelijk totaal overvleugeld – en in het geval van Jacobus de mindere waarschijnlijk zelfs tenietgedaan – door het missiewerk van een apostel die Jezus nooit in levenden lijve had ontmoet, namelijk Paulus.Laten we - voor we ons in die Paulus verliezen - even kijken naar die gemeente van Jacobus in Jeruzalem om het vervolg in perspectief te kunnen plaatsen. Jezus was een vrome jood en zijn apostelen ook. Ze waren besneden, gingen naar de synagoge en hielden zich aan de wet van Mozes. Het is wel duidelijk dat de primitieve christengemeenschap in Jeruzalem aanvankelijk op precies diezelfde manier joods was. Wellicht hadden een aantal heidenen zich als toehoorders aangesloten, maar zij konden pas volwaardig deelnemen aan het christelijke leven door eerst joden te worden: dus zich te laten besnijden en zich te verplichten tot de joodse wetten. De Romeins-Griekse religieuze belevingswereld was een zeer vrijblijvende en diffuse werkelijkheid, dus een dergelijk engagement lag voor de gemiddelde hellenistische spirituele zoeker niet voor de hand. Die leek – ter oriëntatie – waarschijnlijk wel wat op wat pastoors tegenwoordig “vlindertjes” plegen te noemen. Men shopte zich uit het aanbod een comfortabele collage van vertrouwde en exotische religieuze elementen bij elkaar, zonder zich ook maar ergens toe te willen verplichten. Het moest vooral “leuk” blijven (er is niets nieuws onder de zon). Dat een dergelijke houding niet verenigbaar was met het eerst in je geslachtsdeel laten knippen en het daarna levenslang afzien van bloedworst en spekjes in je stamppot spreekt vanzelf. Het christendom zou dan ook zeer waarschijnlijk het vasthouden aan de Mozaïsche Wet niet hebben overleefd: het zou aan wet en besnijdenis zijn doodgebloed, zoals zoveel apocalyptische sekten in de loop van de joodse geschiedenis. Het ging echter anders.Paulus, de man die alles veranderdeDe show wordt namelijk volledig gestolen door een complete outsider met de naam Paulus. Iemand die Jezus zelfs nooit in levenden lijve heeft ontmoet gaat er volledig met het momentum vandoor. Deze Paulus was aanvankelijk een farizeeër van het precieze soort geweest, die zich juist aan de christenen bij uitstek had geërgerd. In het boek handelingen wordt vermeld dat hij een leerling van de beroemde Rabbi Gamaliël was geweest. Eigenlijk is dat een wat vreemd gegeven, want die staat, ook in het Nieuwe Testament zelf, bekend als zeer tolerant, dus dat rijmt slecht met Paulus’ latere onverdraagzaamheid. Die verschijnt namelijk op het toneel als een jonge scherpslijper die met instemming aanwezig is bij het stenigen van de eerste christelijke martelaar Stefanus. Even later neemt hij zelfs schijnbaar zelf de leiding bij het opjagen en doden van christenen. Nou zetten studenten zich wel eens vaker af tegen de ideeën van hun professoren. In ieder geval getuigt Paulus er in zijn brieven zelf van dat hij zich ontwikkeld had tot een fanatieke christenvervolger. Hoe dan ook maakt hij vervolgens een bekering door. Die stipt hij eigenlijk maar heel terloops aan in zijn brieven. Een meer uitgebreide beschrijving vinden we in het boek Handelingen, maar daarmee moeten we voorzichtig zijn. Er zijn uit dat werk wel veel meer details op te maken dan uit Paulus’ eigen brieven, maar het is daar ook nogal eens mee in tegenspraak. Dat maakt het hele boek als historische bron verdacht. Het is ook pas veel later geschreven, rond het jaar 80, door dezelfde auteur als het Evangelie van Lucas.Hoe de verschijning van Jezus aan Paulus ook heeft plaatsgevonden: hij maakt in ieder geval een stormachtige ommekeer door en begint het christendom hartstochtelijk te prediken in plaats van te bestrijden. Daarbij is er een enorm verschil met de manier waarop de twaalf apostelen tot dan toe te werk waren gegaan. Zij waren vissers uit Galilea die weliswaar gewend waren aan de aanwezigheid van de Grieks-Romeinse cultuur in hun omgeving, maar alleen op een afstand. Het is onwaarschijnlijk dat ze veel kennis hadden van de Griekse taal en ze hadden niets te zoeken in de steden van de Decapolis, de Griekstalige plaatsen in hun omgeving.Paulus zelf daarentegen was juist een vergriekste jood, uit Klein-Azië, dus uit de Griekse wereld. Weliswaar sprak hij Aramees, maar zijn moedertaal was waarschijnlijk Koinè-Grieks. Het is niet verwonderlijk dat hij niet alleen veel meer dan de andere apostelen begreep van de klassieke cultuur, maar er ook meer voor open stond. Het was makkelijker voor hem zich in de heidense mentaliteit te verplaatsten. Dat stelde hem in staat stappen te zetten die voor de apostelen van Jezus in eerste instantie ondenkbaar waren geweest. Zodoende doopte hij heidenen zonder van ze te eisen zich te laten besnijden en de joodse Wet aan te nemen. In eerste instantie bracht hem dat met de apostelen in conflict, maar het lijkt erop dat ze zijn legitimiteit als “apostel van de heidenen” na een ontmoeting in Jeruzalem toch hebben geaccepteerd. Het is overigens de vraag of ze zelf zijn voorbeeld ook hebben gevolgd, onbesneden heidenen in hun gemeenschappen hebben opgenomen of hun dieet hebben aangepast. In ieder geval zou hun werkelijkheid volledig overvleugeld worden door het meer “heidense” christendom van Paulus. Die begon als een soort losgeslagen natuurkracht heel het oostelijke middellandse-zeegebied rond te reizen en overal gemeentes te stichten. Nergens bleef hij echt hangen, hij zette de boel op en vertrok dan weer. Hij liet soms medewerkers rondreizen om het hele spulletje tenminste enigszins in de gaten te houden en schreef bij gelegenheid brieven, meestal om bepaalde controversen te beslechten. Of zijn theologie al erg overeen kwam met de latere christelijke orthodoxie (van oost en west) is niet helemaal zeker, maar wel zeker is die orthodoxie grotendeels gebouwd op (een interpretatie van) het denken in zijn brieven. Dat compliceert de zaken behoorlijk, omdat Paulus die brieven schreef naar aanleiding van concrete problemen in de gemeenten en dus niet als overzichten van zijn theologische overtuigingen. Die kunnen er dan ook maar zeer gedeeltelijk uit worden gedestilleerd. Er zouden op basis van diezelfde brieven ook andere dogmatische constructies mogelijk zijn. Een auteur als Bart Ehrman gaat er bijvoorbeeld vanuit dat het denken van Paulus trekken had die hedendaagse christenen bepaald tegen de borst zouden stuiten. Christus zou volgens Paulus geen God, maar een engel zijn geweest, om maar eens iets te noemen. Bizar genoeg zou hem dat in dezelfde categorie als de hedendaagse Jehova’s Getuigen plaatsen. Natuurlijk blijven dit soort theorieën altijd een hoog speculatief gehalte hebben. Ook in het geval van dit standpunt van Ehrman gaat het zeker niet om een algemeen geaccepteerd historisch feit. Wel gaat het – voor zover ik het kan peilen – om een eerlijk standpunt van een integere wetenschapper. Daarom hecht ik eraan dit soort dingen toch steeds weer te vermelden. De EbionietenDe eerste eeuwen van het christendom zijn er dan ook consistent groepen heel joods gebleven christenen aantoonbaar. Het meest in het oog springt een beweging die de “Ebionieten” (“armen”) werd genoemd. Ze zouden tegenwoordig wellicht zoiets als “messiasbelijdende joden” zijn genoemd. Ze hielden vast aan de joodse gebruiken, en hadden een visie op Christus die minder schuurde met de belangrijkste joodse geloofsopvattingen dan die van Paulus. Zo ontkenden ze Jezus’ maagdelijke geboorte, zijn goddelijke natuur en zijn verlossend lijden. De precieze werkelijkheid die achter de Ebionieten schuil gaat is moeilijk in het vizier te krijgen om een aantal redenen.* Ten eerste is alle informatie die we over hen hebben afkomstig van kerkvaders, te beginnen met Justinus de Martelaar (100-165) en Ireneüs van Lyon (130-202) en eindigend met Epiphanius van Salamis (c.320-403) en Hiëronymus van Stridon (347- 420). Hiëronymus schrijft op zo’n manier over hen dat het duidelijk is dat ze ondertussen niet meer aanwezig waren. De kerkvaders zijn (even generaliserend) het minst sympathieke contingent op de heiligenkalender. Ze waren – als ze het eventjes iets minder druk hadden met politieke intriges – voortdurend bezig verschillende soorten ketters te definiëren en te vervloeken. Zodra de ketters op waren vervloekten ze nogal eens elkaar. Informatie afkomstig van hen over mensen met wie ze het niet eens waren is – voorzichtig geformuleerd – niet de meest historisch betrouwbare stof ooit geproduceerd.* Ten tweede bestaat een stroming waarvan de geschiedenis driehonderd jaar beslaat per definitie uit een veelheid van ideeën. Zelfs een enkel menselijk individu verandert gedurende zijn leven ongeveer elke tien jaar in een andere persoon. Hier hebben we het over een hele groep individuen met min of meer vergelijkbare ideeën (maar niet met absoluut dezelfde voorstellingen daarvan, want zoiets bestaat eenvoudigweg niet). Die groep vernieuwt zich in een hele reeks generaties onder steeds verschillende omstandigheden.Vertegenwoordigden de Ebionieten een traditie die terugging op de leer van de joodschristelijke gemeente in Jeruzalem? Misschien wel, maar misschien ook niet. Terzijde: Schrift en Traditie Dit is een goed moment voor een terzijde over de Schrift en de traditie. Zoals ondertussen wel duidelijk zou moeten zijn is de historische werkelijkheid achter de Bijbelse geschriften vaak onmogelijk nog te achterhalen. Eigenlijk was dat al duidelijk sinds de protestantse reformatie van de zestiende eeuw. Toen eisten lekengelovigen het recht op om de Bijbel met eigen ogen te lezen. Dat werd ook voor het eerst een reële mogelijkheid, omdat er in steeds meer talen vertalingen verschenen. Bovendien werden boeken in het algemeen plotseling een stuk betaalbaarder door de uitvinding van de boekdrukkunst. Weliswaar waren nog steeds verreweg de meeste mensen analfabeet, maar je hoefde tenminste niet meer schatrijk te zijn én Grieks en Hebreeuws of Latijn te beheersen om de Bijbel te kunnen lezen. Veel mensen schrokken zich vervolgens bij hun eerste blik in de Schrift helemaal wild. Wat ze tussen de kaften van hun Bijbels aantroffen leek in eerste instantie een heel andere werkelijkheid te ademen dan de verhalen die ze kenden en de beelden die in de kerken aan de muren hingen.De conclusie had toen moeten zijn dat de verzameling van de Bijbelse geschriften ontoegankelijk, onhanteerbaar en ook gewoon onnut en zelfs schadelijk is zonder een leeswijzer. Die leeswijzer noemen wij traditie. Zonder traditie is de Bijbel een stapel geschriften uit een tijd die zo ver terug ligt dat we geen toegang meer hebben tot de werkelijke inhoud ervan. Punt. Gelukkig hebben wij wél een traditie. Die is gegroeid uit het bevechten, overwegen, bediscussiëren, bestuderen, herkauwen maar vooral bidden van die Heilige Schrift door alle gelovigen samen: de Kerk.De christenen aanbidden een Drie-ene God. Dat is geen Drie-ene God die als een buitenaards Wezen vreemd opduikt uit het niks, maar onze onze eerste Oorzaak, die ons voortdurend in het bestaan houdt. Bovendien is Hij de God naar wiens beeld en gelijkenis wij geschapen zijn. Dat geldt zelfs voor zijn Drievuldigheid. Wij zijn mensen met een geheugen, een intellect en een vrije wil, mensen met een verleden, een nu en een toekomst, mensen met een oorsprong, bewustzijn en streven. Wij wortelen in een geloof in een drievuldige God waaruit onze persoonlijke drievuldige identiteit opbloeit. Dat geloof hebben wij gekregen van onze voorouders. Tegelijk proberen wij dat geloof hier en nu te leven. Door lief te hebben, voornamelijk, te hopen op en streven naar geluk hier en in de eeuwigheid, voor onszelf en alle mensen. Door die drie bewegingen die ons aangeboren zijn lijken wij op de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.Dit alles veronderstelt dat wij om kunnen gaan met een zekere mate van onzekerheid over de historische wortels van onze godsdienst. Anders zouden wij immers maar een derde van ons eigen wezen serieus nemen. Een mens is immers niet alleen méér dan zijn verstand, hij is ook méér dan zijn geheugen.* Het is vanzelfsprekend dat de religieuze traditie groeit en zich steeds weer vernieuwt. Ook de mens doet dat immers, individueel en collectief. De door onze voorouders doorgegeven geschriften, rituelen en schematische geloofspunten (“dogmata”) veranderen niet (de meeste) of maar heel langzaam (sommige), maar de interpretatie van al die elementen is in elk mensenleven steeds weer nieuw en in elk tijdsgewricht van de geschiedenis ook weer.* Daarbij speelt de volksdevotie een even grote rol als de “grote” theologie, omdat zich in het gebedsleven van gewone mensen de atmosfeer vormt waarin de formele traditie zich ontwikkelt. Niemand heeft het geloof en het gebed geleerd uit de catechismus, laat staan de “Denzinger.” Dat heeft ook zo gegolden voor Thomas van Aquino, Ignatius van Loyola, Hadewijch van Antwerpen, Henri de Lubac en Yves Congar. Ook zij leerden geloven van mensen die hen na stonden, waarschijnlijk niet in de laatste plaats hun moeders en grootmoeders.* De publieke openbaring is afgesloten na de dood van de laatste schrijver van een Bijbelboek (ook al hebben we geen flauw idee wie dat was en wanneer. Ergens in de tweede eeuw, waarschijnlijk). Dat betekent alleen op geen enkele manier dat God toen ook is overleden, of opgehouden heeft zich met ons te bemoeien, of dat de Heilige Geest op vakantie is gegaan. In de groeiende traditie van de Kerk, opbloeiend uit de humus van de Schrift openbaart Hij zich hier en nu in elke gelovige christen en in alle christenen samen. Dát zijn de voornaamste ontmoetingsmomenten met Hem: in onze ziel (gebed) en in de naaste.De vorming van de christelijke orthodoxieEr bestond bij dat zogenaamde afsluiten van de algemene Bijbelse openbaring in de tweede eeuw nog geen afgeronde “orthodoxe” theologie. Die hebben wij te danken (of te wijten, want daar is niet iedereen het over eens) aan de twee of drie eeuwen daarna. Zoals ik nu denk ik wel genoeg heb onderstreept is de Bijbelse overlevering op zichzelf allesbehalve ordelijk en eenduidig. Oude en Nieuwe Testament samen vormen als het ware een vergelijking die op een hele reeks manieren kan worden opgelost. Al die oplossingen zijn (min of meer) coherent met het voorgegeven Bijbelse materiaal, maar niet met elkaar. Zo’n situatie is het perfecte recept voor een waaier aan verschillende stromingen en theologische burgeroorlogen, en dat is dan ook precies wat er gebeurde. Dat begon pas echt op te vallen nadat de keizers Constantijn en Licinius in 313 besloten de christenen niet langer te vervolgen. Ineens was het duidelijk dat “het christendom” niet bestond, maar wel een hele kluwen “christendommen,” waarvan er op dat moment nog geen enkele echt de overhand had. Al die verschillende smaken begonnen elkaar onmiddellijk vurig te bestrijden. In eerste instantie met polemische geschriften en in azijn gedrenkte debatten, maar iets later vaak ook te vuur en te zwaard.Christologische diversiteitDe meeste van die conflicten draaiden om de christologie, dus om de vraag wie of wat Jezus Christus nu precies was en wat zijn optreden precies betekende voor de werkelijkheid van zowel het menselijke leven als de gestalte van God. We noemen een paar voorbeelden van stromingen om een beeld te krijgen van de sfeer, zonder ook maar in de buurt te komen van enige vorm van volledigheid. Ga er maar vanuit dat praktisch elke plaatselijke Kerk haar eigen smaak had, die ook nog eens een aantal keren wisselde in de periode van driehonderd jaar waarover wij hier spreken. Het ironische is, dat pas uit het gevecht tégen allerlei ideeën over Christus, die wij nu heel raar vinden, de orthodoxe christelijke denktrant geboren zou worden die wij nu nog kennen, en heel vanzelfsprekend vinden. Maar die, als ze aan het begin van het proces zou zijn opgedoken, waarschijnlijk net zo hard als ketterij in de vuilnisemmer zou zijn beland als het patripassionisme en het monotheletisme.Hoe zagen die rare ideeën eruit? Ik geef een paar voorbeelden.* Adoptionisme – Christus was een gewoon mens – maar wel voortreffelijk – die bij zijn doopsel door God werd “geadopteerd,” waarmee in dit geval een soort heilige bezetenheid wordt bedoeld. Op het kruis werd hij door God weer verlaten, want gekruisigd worden is beneden diens waardigheid. Inderdaad: de God van deze variant loop niet over van empathisch vermogen.* Marcionisme – De god van het Oude Testament, de schepper van de wereld, is een lagere godheid met kwade bedoelingen die de mensen in de materie heeft opgesloten. Christus is een engelachtig wezen dat door de échte God is gestuurd om de mensheid uit de materie te verlossen door ze kennis van de werkelijkheid over te dragen. Hij staat zelf boven de materie en is dus louter geestelijk. Van de Bijbel zijn alleen sommige stukken van het Nieuwe Testament heilig. De rest is vervalst, en heel het hele Oude Testament is kwaadaardig, want afkomstig van de boze God. * Arianisme – Christus is zoiets als een super-engel, door wie God de wereld heeft geschapen en die door God naar de aarde is gezonden om de mensheid te verlossen. Hij is zelf een schepsel, dus duidelijk ondergeschikt aan God, maar heeft wel een soort afgeleide goddelijkheid. Deze stroming is in de late oudheid lange tijd dominant geweest, ook aan het keizerlijke hof. * Monofysitisme – Jezus heeft maar één natuur, namelijk de goddelijke. Zijn menselijke natuur is geheel in de goddelijke opgelost. Niet alle zogenaamde monofysieten hingen deze radicale variant aan. In werkelijkheid waren hun ideeën vaak gematigder. * Nestorianisme – De menselijke en goddelijke natuur van Jezus zijn juist streng van elkaar gescheiden in Hem. Daarom is Maria bijvoorbeeld wel de moeder van Jezus, maar niet de moeder van God. * Monotheletisme – Jezus heeft weliswaar twee naturen, maar maar één wil (de goddelijke).Het keizerlijke hof in Constantinopel had zijn handen vol aan al die religieuze ruzies. Die braken namelijk overal tegelijk uit en bedreigden de stabiliteit van het rijk. Wel gaat het veel te ver om Constantijn als een soort ontwerper van de christelijke theologie af te schilderen. Dat wordt wel eens geprobeerd door lieden die een broertje dood hebben aan vooral de orthodoxe hoofdstroom daarvan, maar die vlieger gaat niet op. Constantijn was geen theoloog, maar een - waarschijnlijk redelijk cynische - machtspoliticus. Zijn interesse lag niet in de eerste plaats in de inhoud van al dat religieuze geharrewar. Wél eiste hij rust in de tent omdat dat belangrijk was voor de stabiliteit van het keizerrijk.Oecumenische concilies Om die rust te krijgen liet hij in 325 zoveel mogelijk bisschoppen bij elkaar komen in een zogenaamd concilie (maatgevende kerkvergadering) in Nicea, een stad in de buurt van Constantinopel. Daar werd de eerste versie van onze huidige geloofsbelijdenis geformuleerd, het “credo” (“ik geloof”). De hoofdthema’s waren de Drieëenheid en de goddelijke natuur van Christus. Op het concilie van Nicea volgden nog een aantal “oecumenische,” dus algemene, concilies, waarop steeds knopen werden doorgehakt die te maken hadden met de nieuwste theologische conflicten. We sommen de eerste zeven hier op. Die worden door zowel de oosters-orthodoxen als de katholieken erkend.* Nicea I (325)* Bevestigde de goddelijke natuur van Christus tegen de Arianen. De Zoon is één in wezen met de Vader, dus werkelijk God. Geen engel, of een halfgod zoals Hercules of zo. * Constantinopel I (381) * Bevestigde de Persoon van de Heilige Geest (die dus niet alleen maar een onpersoonlijke kracht van God is) en diens eenheid met de Vader en de Zoon tegen de zogenaamde “pneumatomachen,” “zij die vechten tegen de Geest.” De geloofsbelijdenis van Nicea werd daar aangevuld tot de versie die wij nu nog gebruiken.* Efeze I (431) * Bevestigde de goddelijke en menselijke natuur van Christus in zijn ene Persoon, tegen de leer van Nestorius. Maria is Theotokos (Godbaarster) en niet alleen Christotokos (Christusbaarster). Nestorius was geen randfiguur, maar de toenmalige patriarch van Constantinopel en een belangrijke exponent van de School van Antiochië. Hij had dus meer dan serieuze invloed. Het grootste deel van de Kerk van Perzië volgde hem en verbrak de kerkelijke gemeenschap met de andere Kerken. Zo’n breuk in de Kerk noemen we een schisma. Deze “Kerk van het Oosten” bestaat nog altijd in een heel eigen traditie. Waarschijnlijk speelde zij later een niet onbelangrijke rol bij het ontstaan van de islam.* Chalcedon (451) * Bevestigde de twee naturen in de ene Persoon van Christus opnieuw, maar nu tegen het andere uiterste, namelijk het monofysitisme van Eutyches. Die hield dat in Christus de menselijke natuur geheel was versmolten met de goddelijke, en daarin in feite was “opgelost.” Het concilie formuleerde daartegen dat er in Christus twee verenigde en onscheidbare, maar ook onveranderlijke naturen zijn en blijven. Ook op Chalcedon volgde een schisma, nu met het zwaartepunt in Syrië en Libanon. Daaruit kwamen de zogenaamde oriëntaals-orthodoxe Kerken voort.* Constantinopel II (553) * Een poging om de monofysieten te verzoenen nadat dat eerder al door de keizer op een onhandige manier was geprobeerd, waardoor de zaken er nog ingewikkelder op waren geworden. Ook nu mislukte dat streven trouwens weer. Verder werden een aantal ideeën van de vierde-eeuwse kerkvader Origenes veroordeeld, zoals de pre-existentie van de zielen (denk aan het Platonisme!) en het idee dat aan het einde van de geschiedenis allen met zekerheid gered zouden worden, het universalisme.* Constantinopel III (680) * Tegen het Monotheletisme van Heraclius, dat beweerde dat er in Christus maar één wil was, namelijk de goddelijke. Dit was een schijnbare vermindering van zijn menselijkheid, en werd zodoende door het concilie afgewezen.* Nicea II (787) * Veroordeling van het iconoclasme (de beeldensloperij). Onder invloed van de opkomende islam was het in Constantinopel in de achtste eeuw tot een verbod op afbeeldingen gekomen. Het concilie veroordeelde dit en herstelde de verering van de ikonen in ere.Deze hele reeks vergaderingen – stuk voor stuk reacties op eerder ontstane conflicten – beslaat de periode waarin de theologie die wij tegenwoordig “orthodox” noemen langzamerhand ontstond. Tot in de vierde eeuw zijn er geen christenen geweest die expliciet geloofden in iets wat erg leek op wat wij in onze catechismussen hebben staan. Alle vroege kerkvaders verkondigden dingen die tegenwoordig als dwalingen zouden worden beschouwd. Er bestond wel een “mentaliteit” of “smaak” die je als proto-orthodox, dus als voorloper van de orthodoxie, zou kunnen beschouwen. Die was alleen vrijwel nooit dominant, zelfs niet na het concilie van Nicea. De opvolgers van Constantijn werden al snel en voor lange tijd Ariaans. Zij trokken zich dus van de beslissingen van hun voorganger niets aan. Daarna kregen ze weer een hele tijd Nestoriaans-achtige neigingen onder invloed van de islam (die waarschijnlijk min of meer uit datzelfde nestorianisme is geboren). Soms bestonden er verschillende stromingen bijna vreedzaam naast elkaar, zoals nu nog de monumenten in Ravenna laten zien. Daar staan zowel een ariaanse als een orthodoxe doopkerk, die ooit tegelijkertijd in bedrijf waren. Die situatie duurde echter nooit lang. Heel dit proces bestond immers niet uit onpersoonlijke krachten die willoos tegen elkaar aan drukten. Het ging om mensen met conflicterende ideeën, conflicterende karakters en conflicterende belangen.De belangrijkste protagonisten van deze hele dynamiek noemen wij de kerkvaders. De kerkvaders bewoonden een tijdvak van zo’n vijfhonderd jaar, van de tweede (bijvoorbeeld Justinus de martelaar) tot het begin van de zevende eeuw (Gregorius de Grote wordt als de laatste kerkvader beschouwd. Hij stierf in 604). Om ons daarin tenminste enigszins te kunnen oriënteren verdelen wij ze in groepen.* De Latijnse en Griekse kerkvaders, naar de taal van hun geschriften. * De Westerse en Oosterse kerkvaders, wat bijna dezelfde groepen oplevert, maar niet helemaal. * De apostolische vaders – de vaders die de eerste generatie na de apostelen vormden en soms nog leerlingen van hen waren geweest, of leerlingen van hun leerlingen. Paus Clemens (+ 100), Ignatius van Antiochië (+ 110), Papias (+ 130), Polycarpus (+ 156) zijn de meest bekende voorbeelden. Ireneüs van Lyon (+202) wordt wel als de laatste van hen beschouwd.* De vroege vaders, zoals Clemens van Alexandrië, tertullianus en Origenes. * De late vaders. Denk aan Gregorius en Isidorus.Dit alles waaiert uit tot een verwarrende zwerm vaders, dus kwam men in de middeleeuwen met de lijst van de zogenaamde ‘grote vaders,’ vier Latijnse en vier Griekse.* De grote Latijnse en Griekse kerkvaders: * Latijns: Ambrosius, Augustinus, Hiëronymus en Gregorius. * Grieks: Athanasius, Basilius, Chrysostomus en Cyrillus. * Dit zijn, op Gregorius na, allemaal figuren uit de vierde en de vijfde eeuw, de hoogtij van de patristische tijd (de “kerkvadertijd”). Het gros van de kerkvaders leefde in diezelfde periode. Merk op dat het niet allemaal heiligen waren, ook verschillende zogenaamde ‘ketters’ hebben het tot de lijst van kerkvaders geschopt, zoals Origenes en Tertullianus. Ook diegenen die wél op de heiligenkalender staan voldoen lang niet allemaal aan onze criteria voor verheffende karakters. Chrysostomus, Cyrillus en Athanasius waren vreselijke dogmatische heethoofden en Hiëronymus staat zelfs bekend als een van de meest moeilijke karakters uit de hele wereldgeschiedenis.De meesten van deze kerkvaders waren bisschoppen van belangrijkere steden in het Romeinse rijk. Verreweg het meeste prestige hadden Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem. Dat zijn de zogenaamde klassieke “patriarchaten,” die staan voor afzonderlijke tradities en soms zelfs zelfstandige Kerken. Rome en Constantinopel ontwikkelden zich op de lange termijn tot de centra van de belangrijkste christelijke stromingen, het katholicisme en de oosterse orthodoxie. Alexandrië en Antiochië werden de centra van de oriëntaalse en Koptische Kerken, die altijd veel kleiner zijn gebleven. Hoewel daar dus niet het politieke zwaartepunt lag, zijn zij op het gebied van de theologische inhoud lange tijd veel belangrijker geweest dan Rome en Constantinopel. Dat had te maken met het feit dat de twee belangrijkste christelijke opleidingscentra, de zogenaamde didaskalia daar gevestigd waren. Die hadden elk een heel eigen karakter, en hebben veel bijgedragen aan de vorming van de theologie zoals wij die nog altijd kennen. De Alexandrijnse school stond bekend om haar allegorische benadering van het Bijbelse materiaal. Zeker voor moderne lezers is het soms verbijsterend om te zien hoe vrij de kerkvaders met de Schrift konden omgaan. Uit twee woorden – soms ook nog met een redelijk banale, huishoudelijke inhoud – worden hele spirituele, morele en dogmatische tapijten geweven, in duizend kleuren. De school van Antiochië was ondertussen een stuk nuchterder ingesteld, en hield het bij een zekere vorm van letterlijkheid. Wel werd ook daar druk aan typologie gedaan, dus aan het opsporen van voorafbeeldingen van nieuwtestamentische werkelijkheden in het Oude Testament. Geen van beide scholen was overigens solide orthodox, tenminste in moderne ogen. Dat illustreert nog maar weer eens dat er toen nog geen helder uitgelijnde rechtgelovigheid bestond. Die vormde zich juist op dat moment, in een heetgebakerd proces. Daarbij hebben beide scholen meerdere eeuwen bestaan en veranderden dus ook meerdere keren van atmosfeer en stijl. De beroemdste theoloog uit de vroegere Alexandrijnse school was de kerkvader Origenes, die er de meest exotische ideeën op nahield die nogal eens meer Platoons dan christelijk aandeden. Latere coryfeeën zoals Cyrillus en Athanasius wilden met hem niet meer geassocieerd worden. Het didaskalion van Antiochië was dan weer in eerste instantie de bakermat van het Nestorianisme, maar bracht ook de heilige Johannes Chrysostomos voort, ongeveer de ziel van de oosterse orthodoxie. Die was dan weer in eerste instantie bevriend met Theodorus van Mopsuestia, die door de Nestorianen en de Syro-Malabaren als een heilige, maar door de orthodoxen als een ketter wordt beschouwd. Het siert de scholen van Antiochië en Alexandrië dat ze vogels van zo verschillende pluimage hebben voortgebracht. Er heerste duidelijk – minstens een deel van de tijd – een soort van academische vrijheid. Uiteindelijk belandde de school van Alexandrië in de schoot van de oriëntaalse Kerken en die van Antiochië in die van de orthodoxen. Tegen die tijd was hun rol echter ook wel ongeveer uitgespeeld.Mede door de bemoeienis van de keizers in het oosten en de visigotische en andere heersers in het westen duurde de periode van de vorming van de orthodoxe theologie de volle eerste zeshonderd jaar na Christus. Waarschijnlijk ook vooral door die politieke factor was het eigenlijk een heel onsympathiek proces, met grotendeels onsympathieke protagonisten. Niet voor niks hoort een groot deel van de heiligen uit die periode tot het contingent op de kalender dat wel liturgisch wordt herdacht, maar nauwelijks door het christenvolk met devotie wordt gekoesterd. Men roept hen niet aan als men in de zorgen zit, daarvoor heeft men de monnikenheiligen uit dezelfde periode, zoals de heilige Antonius Abt. De enige van de bisschoppen die het tot volksheilige heeft geschopt is die van Myra, een gat aan de Lycische kust dat nooit van enig belang is geweest. We noemen hem Sint Nicolaas, en er is geen woord van hem overgeleverd. Wel schijnt hij Arius een mep te hebben verkocht, maar dat zal de vrome gelovigen worst zijn. Zij roepen hem niet aan om zijn rechtgelovigheid, maar om zijn vaderlijke steun. In Rusland gaat dat zelfs zo ver dat men zegt: “Mocht God de Vader nog eens overlijden, dan hebben wij gelukkig de goede Sint Nicolaas nog.” Zo zie je maar dat “belangrijk” een zeer relatief begrip is. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  48. 6

    Zuiverheid en puurheid

    In de Advent verwachten we eigenlijk de verhalen uit het begin van de Evangelieën van Lucas en Mattheüs te horen. De verhalen over de aankondiging en de geboorte van Johannes de Doper, vooruit. Maar vooral ook de boodschap van de engel aan Maria, de droom van Jozef en het bezoek van de zwangere Maria aan haar nicht Elisabeth. Het kindje Johannes in de schoot van Elizabeth sprong van blijdschap op toen het zijn kleine Verlossertje in de buik van Maria herkende. Dát zijn opwekkende verhalen, dáár kunnen we wat mee. Dáár krijgen we een kerstgevoel van.Dus waarom in vredesnaam worden we alle vier de zondagen van de Advent doodgegooid met diezelfde Johannes, maar dan als hij al lang niet meer schattig is? Een stinkende, magere mopperkont in de woestijn. Bekeer u! Het einde is nabij! roept hij. De evangelisten schrijven heel optimistisch dat Jan en alleman zich door Johannes liet dopen, maar ik vermoed dat het in werkelijkheid niet meer dan een handjevol zal zijn geweest. Per slot van rekening hebben er in alle tijden van die verfomfaaide types rondgelopen die het einde der tijden verkondigden. Alleen dwaze oude vrouwen en mensen met een aanleg voor schizofrenie geloven in zoiets. Toch?Inderdaad. En meestal komen die bedrogen uit. Ten eerste zijn de meeste zedenprekers flessentrekkers. Let maar eens op. Hoe meer het over eerlijkheid en zuiverheid gaat, hoe meer het naar vis begint te ruiken. En die vis is zelden vers.Ik las deze week in de Elsevier een column van een zekere Daniela Hooghiemstra die, zoals de meeste mensen bij de Elsevier, niet overloopt van de lievige zweverigheid. Dat werd ook al gelijk duidelijk bij de eerste zin van die column. “Als iemand het woord ‘eerlijk’ in de mond neemt,’ zo schreef zij, ‘moet je altijd opletten. Net als ‘zuiver,’ ook een alarmbel.” Zij had zich evengoed door een vriendin laten meeslepen naar een yoga-les. “Wij, in de meerderheid vrouwen,” zo ging ze verder, “moesten liggend op de grond onze ogen sluiten, en het volgende dat ik wist, was dat de yogaleraar in al zijn zuiverheid bovenop mij lag.”Ik neem aan dat die eerste yogales voor mevrouw Hooghiemstra ook gelijk de laatste was. Niks ontluistert een boodschap zo grondig als wanneer de boodschapper hele andere dingen doet dan wat hij zegt.Priesters lopen daar vaak over te piekeren. Ook diegenen die niet bovenop je gaan liggen. De kans, bijvoorbeeld, dat ikzelf mij niet zou kunnen bedwingen om plotseling bovenop jullie te komen liggen is klein. Of het zou zo moeten zijn dat deze preekstoel niet vast genoeg aan de muur zit...Het lijkt erop dat het mee gaat vallen. Toch weet ik donders goed dat ik niet samenval met mijn boodschap, dat er tussen het Evangelie dat ik breng en mijn eigen werkelijkheid overal kieren en gaten zitten. En hobbels en bobbels.En Christus wil dat ik met kerst niet alleen vroom zit te dénken aan zijn geboorte hier op aarde, ooit eens lang geleden: hij wil ook - en vooral - hier en nu in en uit mij geboren worden.Nou komt hij best over een paar kieren en gaten en bobbels heen: de stal in Bethlehem was ook bepaald geen paleis met geboende marmeren vloeren.Maar ik verlang er toch ook zelf naar Hem niet te ontvangen in een donker en smerig hol.En zo geldt het niet alleen voor gewijde priesters. Dat geldt zo voor alle gedoopte christenen, die per definitie een vorm van priesterschap uitoefenen. Elke christen bemiddelt tussen deze wereld en God, is een ladder die van de hemel naar de aarde loopt, en waarlangs engelen zouden moeten afdalen en opstijgen.Daarom houden we onze aandacht toch nog maar even op wat die uitgebeende schreeuwlelijk van een Johannes allemaal roept in de woestijn.Baan een weg voor de Heer. Maak zijn paden recht.En of Daniela Hooghiemstra dat nou een goed idee vindt of niet: eerlijkheid en puurheid worden dan toch weer begrippen waar we niet omheen kunnen. Niet om anderen over te halen onze schone schijn te slikken. Wél om, heel stil en diep van binnen, onszélf aan te toetsen.Ben ik wel genoeg zoals de tollenaar in de tempel, die zei: ik weet dat ik hier eigenlijk niet mag zijn, omdat ik onwaardig ben deze heilige plaats te betreden. Of toch weer meer zoals de farizeeër die zegt: maar kijk eens naar hoe uitgesproken tof ik ben!De eerlijkheid en puurheid die Johannes van ons eist zijn de eerlijkheid en puurheid van een hart dat zich niet verbergt. Zich niet verstopt achter hobbels en bobbels en kieren en gaten.Maar die zich, naakt, voor God stelt en zijn best doet dat uit te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  49. 5

    Wie bidt er nog tot Sint Nicolaas?

    Sinterklaas als kinderfeest is superleuk, niks meer aan doen. Maar wat betekent Nicolaas eigenlijk als heilige? Zijn er nog mensen die serieus bidden tot Nicolaas? Doet de Kerk nog wat aan hem? Want hij is toch in 1969 van de kalender geschrapt? Of niet dan?O, wat was hij geliefd, de hele middeleeuwen door. Zowel in West- als in Oost-Europa hielden alle mensen van de heilige Nicolaas, tot de protestanten met hun anti-heiligencampagne begonnen. En zelfs die protestanten konden hem eigenlijk niet loslaten. Hij bleef, samen met de heilige Martinus, bij de reformatie zo’n beetje hangen. Hij raakte wel wat verfrommeld, verhuisde naar Spanje, kreeg omstreden personeel en veranderde in een zoetekauw, maar hij vertikte het toch ook te verdwijnen, hoe hard de dominees ook tegen hem preekten. Een beetje zoals zo’n balletje snot dat aan je vinger blijft plakken wat je ook doet. Of een bubbel onder het linoleum die je wel op en neer kan wrijven, maar nooit echt weg krijgt.Hoe dan ook, wie is nou eigenlijk deze Nicolaas die maar niet weg te branden is? Nou, we weten in ieder geval redelijk zeker dat hij bestaan heeft, en dat is al heel wat in dit soort gevallen. Zijn levensbeschrijvingen zijn weliswaar pas heel laat geschreven en staan vol met de gebruikelijke gezellige flauwekul, maar zijn naam komt al wel voor in oude lijsten met bisschoppen. Ook werden er al vóór de zesde eeuw kerken aan hem gewijd en staat zijn feest ook al heel vroeg op allerlei kalenders.Bijna iedereen is het erover eens dat hij bisschop was en in de vierde eeuw moet hebben geleefd, dus in de volle bloei van de kerkvadertijd. Dat was geen sympathieke periode. Het klinkt bizar, maar de meeste heiligen uit die tijd waren ruziezoekers en vechtersbazen. Dat is niet helemaal hun eigen schuld: het was precies in die tijd dat de officiële leer van het christendom zich aan het vormen was. Dat gebeurde vooral door eindeloos te filosoferen en soms ook te fantaseren over wie die Jezus Christus nou eigenlijk was geweest. Daarbij bloeide er van alles op, ook ideeën die achteraf niet zo gelukkig waren, en die moesten dan weer bestreden worden.De Romeinse keizers waren niet dol op al dat theologische geharrewar, want dat bracht de politieke stabiliteit van het keizerrijk in gevaar. Soms grepen ze dus in. Tegenwoordig wordt vaak gezegd: ‘de christelijke theologie is bedacht door keizer Constantijn’ of iets in die geest. Maar dat is onzinnig. Hij zou niet hebben geweten waar hij zou hebben moeten beginnen. Wat hij wel deed was zoveel mogelijk bisschoppen van overal vandaan bij elkaar in één hok stoppen en eisen dat ze tot een gemeenschappelijke consensus zouden komen. Een concilie, werd zoiets genoemd. De eerste keer dat hij dat deed bracht hij ze bij elkaar in stad niet ver van Constantinopel, Nicea, het huidige Iznik in Turkije. Daar werd voor het eerst vastgelegd dat Christus één in wezen met God de Vader is, tegen de leer van Arius.Ik vertel het zo uitgebreid omdat er van de heilige Nicolaas wordt verteld dat hij niet alleen op dat concilie in Nicea aanwezig was, maar ook nog die Arius, wiens leer daar bestreden werd, een mep verkocht zou hebben. Zo’n rare gedachte was dat niet, want Myra, waar Nicolaas bisschop was, lag maar zo’n twee weken reizen van Nicea vandaan. Doenlijk, voor die tijd. Ook zet het verhaal Nicolaas neer als een belangrijke speler in de kerkgeschiedenis en een stoere voorvechter van de rechte leer.Hij was er alleen waarschijnlijk niet, want hij komt niet voor op de deelnemerslijsten. Misschien had hij een griepje. Misschien had hij wat anders te doen. We weten het gewoon niet.Goed, wat weten we dan wel? Hij was dus bisschop van Myra. Dat was een provincieplaatsje in de toenmalige provincie Lycië, aan de zuidkust van het huidige Turkije. Dat was niet zo’n heel hoge functie in die tijd, meer te vergelijken met een pastoor van een grote parochie later, of een deken van een aantal parochies. Hij heeft geen geschriften nagelaten, en ook zijn er geen mensen uit zijn eigen tijd die over hem hebben geschreven.Maar het ligt wél voor de hand dat hij lokaal, in zijn eigen omgeving, een ijzersterke reputatie had als weldoener. Als iemand met een grote empathie die zijn nek uitstak om mensen die leden te helpen. Legenden groeien namelijk niet uit het niks, maar ontkiemen uit een soort zaadjes van verhalen die door mensen worden rondverteld. En alle legenden die Nicolaas later zijn contouren hebben bezorgd, gaan over zijn medelijden met mensen in de verdrukking.Zo is er het verhaal over de arme man met zijn drie dochters. Hij kon voor hen geen bruidsschat betalen en was ten einde raad. Hij stond op het punt hen aan een bordeelhouder te verkopen toen een geheimzinnige weldoener tot drie keer toe een zak goud bij hem naar binnen gooide. Die weldoener was de jonge Nicolaas, nog geen bisschop, maar wel rijk. Hier komen de drie gouden ballen vandaan die heiligenbeelden van Nicolaas vaak als attribuut dragen. Een attribuut is een voorwerp waaraan je een heilige kan herkennen.Hij heeft niet altijd die drie gouden ballen. Heel vaak heeft hij ook een kuip aan zijn voeten staan waarin drie biddende knaapjes zitten. Dat komt van een andere legende. Er was eens een hongersnood in die streek. Er was nergens nog vlees te krijgen. Daarom vermoordde een herbergier drie studenten die bij hem wilden overnachten. Hij hakte ze in stukken en pekelde ze in om ze later als gezouten vlees te kunnen verkopen. De goede Sint Nicolaas betrapte hem daarop. Hij brandmerkte hem met zijn blik, plakte de studenten weer aan elkaar en blies ze de levensadem weer in de neus. Sindsdien is hij de beschermer van de kinderen en jongelingen.Bij de volgende hongersnood meerden er drie schepen met graan voor de keizer aan in de haven van Myra. Nicolaas smeekte de zeelieden om graan voor zijn bevolking, maar die weigerden. Elke korrel moest naar de keizer. Daarop beloofde Nicolaas hen dat er, als ze in Constantinopel aan zouden komen, geen korrel minder in hun ruimen zouden liggen. En zo gebeurde. Al het graan werd uitgedeeld en heel de stad Myra overleefde daar twee volle jaren op. Toch kwamen ze met dezelfde hoeveelheid koren in Constantinopel aan als waar ze mee waren uitgevaren.Dit zijn allemaal legenden die ontstaan zijn tussen de zesde en de twaalfde eeuw. Ze dienen als een soort vignetten voor zijn karakter: hij was een toonbeeld van empathie, dat is duidelijk. De details zijn verzonnen.Dat verhinderde op geen enkele manier dat hij in veel streken de meest populaire heilige na de Maagd Maria werd. Zoals gezegd steekt hij in sommige oosters-orthodoxe streken zelfs Onze Lieve Heer zelf nog naar de kroon. Vooral in Rusland ontstonden de meest lieflijke volksverhalen over hem. Daar werd hij op den duur vooral opgevoerd als de barmhartige tegenpool van de strenge profeet Elia. Als Elia besloot de mensen te straffen voor hun goddeloosheid en hun morele verdorvenheid loste de heilige Nicolaas dat stiekem met allerlei kunt en vliegwerk weer op, omdat hij medelijden met de mensen had.Dat het daar om boerenlegenden gaat, wordt onmiddellijk duidelijk. Ze staan stijf van het landbouwjargon en draaien nauwelijks om geestelijke zaken, maar om eenvoudig geluk of ongeluk hier op aarde.Zo waren Elia en Nicolaas eens samen aan het wandelen toen ze een jong boertje tegenkwamen dat zo blij was als een hond met twee staarten. Elia vond zoveel vrolijkheid ongepast op deze zondige wereld, en vroeg waarom hij zo blij was. Het boertje, dat Iwan - zeg maar Jantje - heette, zei dat zijn landerijen er blakend bijlagen en zijn paarden gezond waren. Het enige wat hij zich nu nog wenste was dat de goede Sint Nicolaas hem een weelderige tarweoogst zou geven.De strenge Elia was daar verontwaardigd over, want dat was van oudsher zijn taak. ‘Ik zal hem eens lekker te grazen nemen,’ zei hij tegen Nicolaas. ‘Ik laat zijn tarwe glanzend en schitterend van gezondheid opkomen, en dan verniel ik het op het laatste moment met een geweldige donderbui.Daarop ging Nicolaas ‘s avonds stiekem naar het boertje. ‘Verkoop je tarwe maar,’ zei hij tegen hem. De arme Iwan begreep niet waarom hij in godsnaam die prachtige tarwe zou moeten verkopen, maar deed het toch maar, uit eerbied voor dat geheimzinnige oude vadertje. Hij verkocht de tarwe op zijn land aan zijn buurman, die er de koning te rijk mee was en hem voor gek verklaarde.Even later vernielde Elia met zijn donderbui natuurlijk die tarwe. ‘Maar die had hij net aan zijn buurman verkocht!’ zei Nicolaas met een onschuldig gezicht tegen Elia. Die stampvoette van boosheid op de grond en bezwoer dat hij de tarwe weer op zou richten, en mooier zou maken dan ooit. Daarop ging Nicolaas natuurlijk weer snel naar Iwan en zei hem de vernielde tarwe van zijn buurman terug te kopen voor de helft van de prijs. Enzoverder, enzovoort.Dit soort verhalen maakt wel duidelijk dat Nicolaas en Elia in Rusland de trekken van oudere Slavische natuurgeesten hebben overgenomen. Elia lijkt duidelijk op Perun, de Slavische dondergod. Nicolaas neemt de rol over van Veles, en eventueel van andere beschermgeesten die de mensen goed gezind zijn. Geen wonder dat hij voor de Russen wel ongeveer goddelijke proporties kreeg.Maar in heel het christelijke oosten vind je zijn ikonen werkelijk overal terug en blijft hij onverminderd populair.Dat maakt het dan wel weer ironisch dat hij in de katholieke Kerk onder vuur kwam te liggen bij een poging de oecumene te dienen, dus de eenheid met andere christenen. In 1969 werd hij door de liturgievernieuwers van de universele kalender geschrapt, bizar genoeg tegelijk met de drie andere heiligen die in de middeleeuwen ooit juist het meest waren vereerd: Barbara, Catharina en Margaretha. Ook de heilige Christoffel moest toen het veld ruimen, tezamen met nog een hele rij oeroude heiligen. Ze zouden te weinig historische basis hebben om serieus genomen te worden.Aan de ene kant verbaast dat niemand, want de liturgievernieuwers in de jaren zestig leken sprekend op de calvinistische dominees uit de zestiende eeuw. Dat kan ik rustig zeggen, want daar waren ze ook heel open over en nog trots op ook. ‘Als wij klaar zijn met de Mis, kunnen principiële protestanten er zonder problemen aan meedoen,’ zeiden ze. Daar kwam natuurlijk niks van terecht. De principiële protestanten kregen de slappe lach van het idee. Of zouden die hebben gekregen als ze daartoe enige aanleg hadden bezeten. Ondertussen was het leed natuurlijk wel geschied, en lag er veel van wat de katholieken nou juist het meest dierbaar was op de schroothoop van de geschiedenis. De stilte, de wijding en de schoonheid, vooral, maar dus ook een hele berg heiligen, waaronder sint Nicolaas. Dat hielp de oecumene met de protestanten op geen enkele manier, maar wekte wel het afgrijzen van de oosters-orthodoxen op. Wat aan de ene kant niet hielp bracht aan de andere kant juist schade toe.Nou heeft de katholieke Kerk in de loop van haar lange bestaan een soort immuunsysteem opgebouwd. Dat is altijd als een onderstroom aanwezig, maar wordt extra belangrijk als haar geestelijkheid op hol slaat, wat zo eens in de vijfhonderd jaar gebeurt. Dat immuunsysteem noemen wij ‘volksdevotie.’ Daarmee bedoelen wij een vorm van religieus zijn die bijna helemaal spontaan en intuïtief is, en die vooral gedragen wordt door vrouwen. Die onderstroom leeft naast en onder en soms samen met de officiële theologie en eredienst van de Kerk. Soms botsen ze, en wordt het spannend wie er gaat winnen. Formeel zouden dat altijd de heren geestelijkheid moeten zijn, maar in de praktijk zijn de grootmoeders vaak taaier, en meestal is dat maar goed ook. Niet altijd, maar meestal wel.In ieder geval hebben ze Nicolaas van de schroothoop gered. In Nederland is er weinig devotie meer voor andere heiligen dan Maria, maar in Zuid-Italië en vooral Oost-Europa zijn de mensen diep aan Nicolaas verknocht. In Rusland maken ze het, zoals ik al heb uitgelegd, het bontst. Daar zeggen ze: mocht Onze Lieve Heer ooit overlijden, dan hebben we gelukkig onze Nicolaas nog.’ Het theologische gehalte daarvan is... eeh... speciaal, maar het zegt wel iets over hoe ze erin staan. Natuurlijk hebben ze daar ook niks te maken met liturgiecommissies van de paus. Ze hebben daar weer hun eigen mispunten. Zonder beproevingen wordt niemand zalig. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  50. 4

    Religiestress

    Er stond in het Nederlands Dagblad van vandaag een artikel van ene Aafke Romeijn, die ik niet kende, maar die enige bekendheid schijnt te hebben als muzikante en schrijfster. Het ging over hoe ze zich, met haar dochtertje, had laten dopen in de katholieke Kerk. Nou horen we op moment aan de lopende band van dat soort verhalen, maar dan gaat het meestal over heel jonge mensen. Aafke is van 1986. Ze was opgegroeid in een links-progressieve bubbel, zo schreef ze, dus had ze de nodige aarzeling moeten overwinnen voordat ze de stap naar de Kerk had durven maken.Verderop in het artikel beschreef ze die aarzeling als een fenomeen dat eigenlijk wel een iets sterker etiketje had verdiend dan ‘aarzeling.’ Er was duidelijk een reële angst voor sociale vervreemding geweest, de angst verwijderd te raken van familie en vrienden. Die angst had haar er langdurig van afgehouden om haar nieuwsgierigheid naar de katholieke traditie de vrije teugel te geven. Sterker nog: ze had die nieuwsgierigheid de hele tijd zorgvuldig verborgen gehouden, terwijl ze verder gewend was haar halve leven te delen in haar creatieve uitingen, muziek en schrijverij. “Erover schrijven maakte me nerveus, want bekennen dat je niet onwelwillend staat tegenover religie is, in de links-progressieve bubbel waarin ik me doorgaans bevind, alsof je toegeeft stiekem op je politieke tegenstander te stemmen. Het wordt in het beste geval niet begrepen, in het meest waarschijnlijke geval ronduit afgekeurd.” Dit is inderdaad geen aarzeling. Dit is angst. Een aarzeling is een stapje terugdoen. Nog eens even goed kijken of dat wat je fascineert wel is wat het is. Angst doet iets veel fundamentelers. Het vouwt je op jezelf in en verhindert je je te ontplooien. Angst ontzegt je de vrijheid om te onderzoeken wat je fascineert, je vrij te uiten, creatief te zijn, je te verwonderen. En de angst niet meer te worden geaccepteerd door de groep waarin je je veilig voelt is wel een van de meest intense soorten die er zijn. Aafke schrijft:“In mijn opvoeding stond zelfstandig en authentiek denken centraal, en steeds weer hoorde ik de stemmen van mijn ouders en juffen en meesters in mijn hoofd, die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden. Als ze mij zo zouden zien, in de kerkbanken, dan zou dat een enorme teleurstelling voor hen zijn, alsof ze me kwijt waren geraakt aan een sekte of een gewelddadige relatie.”Eigenlijk een passage die zo ironisch uitpakt dat hij zo uit een absurde komedie lijkt te zijn ontsnapt. Een extraverte, creatieve alleskunner durft al haar hele bestaan een leven te leiden waarin, zo schrijft ze zelf, van alles met de hele wereld deelt. Maar dan verkrampt ze plotseling. Omdat haar nieuwsgierigheid haar naar de wortel en de bron heeft geleid van de hele cultuur waar ze al haar hele leven zo uitzinnig uiting aan geeft. Omdat ze de stemmen van haar opvoeders in haar hoofd hoort “die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden.” Aafkes opvoeders hadden haar - ongetwijfeld met de beste bedoelingen en onbewust - geleerd in alle vrijheid kritiekloos hun eigen vanzelfsprekende gebruiken en woorden te volgen. Hun eigen traditietje. En dat zette zich nou eenmaal af tegen de grote traditie, die daarmee ergens onderweg van fundament tot verboden vrucht was geworden.Het lijkt nou alsof ik die mensen wil aanvallen of Aafke zelf een gebrek aan lef wil verwijten. Maar uiteindelijk is het eigenlijk allemaal gewoon goed afgelopen. Zelfs haar uitgesproken antikerkelijke vader zat uiteindelijk in de Kerk en trok de enige juiste conclusie: “Ik ben blij dat het me gelukt is om autonoom denkende kinderen op te voeden, en dat jullie de vrijheid voelen om te kiezen voor wat bij je past.” Die formulering zou je toch weer als zelfingenomen kunnen lezen, maar de context ervan doet eerder een verwonderd leermomentje vermoeden.Er is hier nog een andere vorm van ironie aan het werk, een waarvan ik hoop dat Aafke er niet al teveel last meer van zal krijgen. Want de katholieke Kerk waar ze zo moedig is binnengegaan is in feite in hetzelfde bedje ziek als haar onderwijzers en familieleden waren. We hebben zestig jaar ondankbare onttovering en zelfsecularisering achter de rug. Het lawaai van de cognitieve dissonantie was niet te harden, en is nog lang niet écht verstomd. De grote katholieke traditie is tot verboden vrucht geworden om een nieuw bedacht en altijd breekbaar gebleven illusietje koste wat het kost heel te houden. Natuurlijk zijn daar allerlei redenen voor waarvan er een aantal heel begrijpelijk zijn. Maar met zijn allen honger lijden omdat de koelkast taboe is verklaard en in de verkramping verstarren in naam van de vrijheid maakt niemand gelukkig. Niet binnen en klaarblijkelijk ook niet buiten de Kerk. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

Type above to search every episode's transcript for a word or phrase. Matches are scoped to this podcast.

Searching…

We're indexing this podcast's transcripts for the first time — this can take a minute or two. We'll show results as soon as they're ready.

No matches for "" in this podcast's transcripts.

Showing of matches

No topics indexed yet for this podcast.

Loading reviews...

ABOUT THIS SHOW

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

HOSTED BY

Pater Hugo

Frequently Asked Questions

How many episodes does Geruis Uit De Kluis have?

Geruis Uit De Kluis currently has 50 episodes available on PodParley. New episodes are automatically indexed when they're published to the podcast feed.

What is Geruis Uit De Kluis about?

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl

How often does Geruis Uit De Kluis release new episodes?

Geruis Uit De Kluis has 50 episodes. Check the episode list to see recent publication dates and frequency.

Where can I listen to Geruis Uit De Kluis?

You can listen to Geruis Uit De Kluis on PodParley by clicking any episode. We provide an embedded audio player for direct listening, and you can also subscribe via your preferred podcast app using the RSS feed.

Who hosts Geruis Uit De Kluis?

Geruis Uit De Kluis is created and hosted by Pater Hugo.
URL copied to clipboard!