PODCAST · religion
Vorming voor elke dag
by Ds. A.S. Middelkoop
De Vorming voor elke dag podcast. Goud uit het verleden. Gemunt voor vandaag.
-
600
Kenmerken van de gemeente - 1 (Preek)
Preek over Hand. 2: 42.
-
599
Gezalfde Heer’ en Koning,
Gezalfde Heer’ en Koning, Die bij de Vader leeft En uit Uw hemelwoning Des hemels schatten geeft! O zend ons Uwen Geest; Doe ons de zegen vinden, Die neêrdaald’ op Uw vrinden, Op ’t heerlijkst Pinksterfeest! De Geest, die Gij doet dalen, Brengt hier getuigenis Aan kind’ren, die verdwalen, Dat God hun Vader is. Hij schenkt ons ’t kinderlot; Hij, die ’t geloof verzegelt, Der zwakken schreden regelt, Breng ons op ’t pad tot God. Wat is de Geest des Heeren? De liefde — liefd’ alleen; Mocht Hij tot ons zich keren En maken allen één! Welzalig wie gelooft; Hij heiligt de gemoed’ren En maakt ons allen broed’ren, Verenigd met ons Hoofd. Moog ons die Geest doordringen! Dan wordt het ons gewis, Dat met zijn zegeningen De Christus in ons is. Blijft in ons allen, Heer! Laat zó Uw Geest ons sterken, Dat wij het goede werken, Als Gij, tot ’s Vaders eer. Hervormde bundel 1938
-
598
Charles Haddon Spurgeon over vriendschap met ongelovige
‘Veel mensen in deze plaats zijn er erg op gesteld om hun kinderen bij slecht gezelschap vandaan te houden. Er is geen andere speelplaats voor hun kinderen dan de straten en het lijkt hard wanneer zij zeggen dat hun kinderen niet met onopgevoede kinderen op straat moeten omgaan. Toch moeten zij dit doen. Onze God houdt er niet van, dat Zijn lieve kinderen zich met de erfgenamen van de toorn vermaken of hen tot hun boezemvrienden maken. Dergelijke slechte relaties zullen u vroeg of laat ellende brengen. U kunt niet verwachten dat de Heilige Geest met u doorgaat, als u met de tegenstanders van God bevriend blijft.’
-
597
Charles Spurgeon over de kracht van de Heilige Geest
Kent u de kracht van de Geest? Maakte Hij u nooit als de strijdwagens van Amminádab? Droeg Hij u nooit met Zijn oppermachtige kracht weg? Liep u nooit als Elia voor Achabs strijdwagen en voelde u niet dat het een kleinigheid was om dat te doen? Kunt u niet zeggen: “O mijn ziel, gij hebt de sterken vertreden! Met mijn God spring ik over een muur en dring ik door een bende. Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft”? Dit zijn de uitingen van de ziel die horen bij de Heilige Geest. Dan bezielt Hij hen, zij zijn goddelijk sterk, zelfs tot almachtig toe. Broeders, wij moeten de Heilige Geest hebben. Ontvangt u Zijn sterkte? Ontvangt u het beste van Hem, zelfs op dit ogenblik?’
-
596
Heb je Mij lief? (Preek)
Preek over Joh. 21: 17
-
595
Ongevoelig voor de noodzaak om Christus te kennen
Volgens Thomas Boston ‘zondigen we tegen Christus wanneer we volstrekt ongevoelig zijn voor de noodzaak Christus te kennen (Matth. 9:12). Hij komt tot ons in het Evangelie en biedt aan om zondaren, om iedereen die het hoort, te verlossen. Waarom zou Hij dat doen anders dan omdat wij Hem nodig hebben en omdat we zouden omkomen zonder Hem? Maar de meesten hebben geen dringende behoefte aan Hem. Daarom komen ze ook nooit tot Hem. Ze minachten Hem. ‘Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen ding gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt’ (Openb. 3:17). De wet is hen gepreekt en hun ellende buiten Christus is hen verteld. Toch zijn ze nooit zover overtuigd dat ze in hun hart verslagen werden (Hand. 2:37). Ze hadden niet meer behoefte aan Hem dan een gezond persoon aan de dokter.’
-
594
Spurgeon: Hoe word je visser van mensen?
Helemaal goed, maar er is een beter antwoord dan dat. Volg Jezus en Hij zal u vissers van mensen maken! De grote opleidingsschool voor christelijke werkers heeft Christus als haar Hoofd. Hij is hun Hoofd: niet alleen als Onderwijzer, maar ook als Leidsman. We moeten niet alleen van Hem leren door te studeren, maar door Hem te volgen in daden. ‘Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.’ De instructie is erg helder en duidelijk en ik geloof ook uniek in zijn soort. Niemand kan op een andere wijze visser worden. Deze wijze lijkt misschien erg eenvoudig, maar is zeker en bijzonder efficiënt. De Heere Jezus Christus, Die alles weet van het vissen van mensen, was Zelf de Gebieder van het gebod: ‘Volgt Mij, als u vissers van mensen wilt worden. Als u bruikbaar wilt zijn, volg dan Mijn spoor.’
-
593
't Is mij goed wat mijn God mij beschikt
’t Zij vreugde mijn deel is, of smart mij verteert, En stormwind en nacht mij verschrik’, Gij hebt mij, mijn Heiland, te roemen geleerd: ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikk’. ’t Is mij goed, wat God doet; ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikt. Uw deel, hoeveel zwaarder is ’t hier niet geweest! Hoe spande niet Satan zijn strik; En ziend’ op uw kruis roemt in mij ook mijn geest: ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikk’. ’t Is mij goed, wat God doet; ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikt. Heer’, laat in mijn sterven Uw troost mij nabij, Dat mij dan uw liefde verkwikk’; Dan dank ik, hoe bang mij de doodstrijd ook zij: ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikk’. ’t Is mij goed, wat God doet; ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikt.
-
592
Christus leert vissers een les over vangen (Preek)
Preek over Joh. 21: 6
-
591
-
590
Ds. L. Kievit: Job verliest alles (2)
Gekregen ‘Wat Job had, had hij gekregen, en zo was hij er rijk mee geweest. De Heere had het hem gegeven, genadig verleend. Daardoor verminderde het niet in waarde; integendeel, dat was 'meer waarde'. Dat mag dankbaar erkend worden. Doet u het wel eens? De mensen halen God er bij, als het hun niet naar de zin gaat, en doen Hem allerlei verwijten. Maar als het voor de wind gaat, wordt Hij nergens in gemoeid of bij genoemd. U hebt de uwen nog, en het uwe. Kijkt er eens naar met ogen, door dit woord geopend. Bedenkt dat de Heere geeft, opdat u voor Hem leeft. U kunt er wel eens zo blij mee zijn, dat u bijna bang wordt. Dat is een heidense angst, als waren de goden vol naijver bij de welstand der stervelingen. De Heere is geen afgod. Hij geeft met milde hand en Hij gunt het ons van heler harte. En de Heere heeft genomen. Gegeven, genomen. Op één toonhoogte gesproken, zouden het vlakke woorden zijn. Job mompelt maar wat. Er is echter een ontzaglijk verschil in toonhoogte: genomen. Verschrikkelijk is dat. Genomen, alles wat hij had, zo maar. De Heere. Zijn Naam wordt er bij genoemd. Wordt beleden bij dit genomen. Geen vuist Job eert de macht en het recht van de Heere. Hij houdt het beschikkingsrecht over wat Hij schenkt. Hij doet geen onrecht, als Hij het ons ontneemt. Wie zal tot Hem zeggen: wat doet Gij? Job lastert God niet. Er wordt geen vuist gebald en geen vloek gebruld, er wordt niet eens luidkeels geschreeuwd. Het klinkt zo stil, zo ontstellend stil: de Heere heeft genomen. Gegeven, nu goed. Maar genomen, dat mag niet. Daar worden wij balorig onder. Job niet. De Heere Die neemt is Dezelfde als Die geeft. Job houdt zich aan Hem! Dat is meer dan geduld, dat is geloof. Worsteling En het geloof worstelt naar de lof: De Naam van de Heere zij geloofd. Begrijpt u dat? Het is al veel gevraagd om te zeggen: De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen. Zet daar maar een punt. Wie verder gaat kunnen wij eigenlijk niet meer volgen. Job gaat verder: de van de Heere! Nu, wat. Verzwijgen maar? Vervloeken dan? Vrezen, zoals de vrienden zeggen. Loven! Dat is zeker veel gezegd. Meer dan Job waar kan maken, wanneer zijn smarten worden gerekt van de ene dag in de andere. Hij sprak het toch vanuit de kennis van God. Dat is het geheim van dat wonderlijke lied, het lied in de nacht. Het wordt in de nacht gegeven als een psalm, een loflied! Job klemt zich in nood en dood vast aan God, Die lofwaardig is, wanneer Hij geeft en wanneer Hij neemt. Lof aan God De Naam van de Heere zij geloofd. De lof is betamelijk, ook in deze omstandigheden. O, dat zou ik nooit kunnen! Ik ook niet. Ik klaag al over kleinigheden, die niet naar wens gaan, over dingen die mij moeilijk vallen in mijn leven. Neem het eens kwalijk! En dan loven, wanneer alles ons wordt ontnomen. Habakuk gaat vlak naast Job staan: zo zal ik nochtans... Hier is het geloof aan het woord. Geloven leert loven. Ik ben Job niet. En ik kan van te voren niet weten of ik, net als Job de Heere zou loven, als het mij zo verging. Ontvangt de Heere de eer van Zijn Naam in uw leven? Dan zal Hij er voor zorgen dat er ook in de nacht gezongen wordt! Wat in de nacht gezongen wordt, kan bij klaarlichte dag niet geleerd worden; en dat hoeft ook niet. Hoopt op God, want Ik zal Hem nog loven. Zo waar, Job doet het: de Naam van de Heere zij geloofd.’
-
589
Waarom moest ik Uw stem verstaan?
Waarom moest ik Uw stem verstaan? Waarom, Heer' moet ik tot U gaan zo ongewende paden? Waarom bracht Gij die onrust mij in ’t bloed is dat genade? Gij maakt mij steeds meer vreemdeling. Ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding, al ’t oude en vertrouwde? O blinde schrik, – mijn God, mag ik niet eens mijzelf behouden? Want ik zie voor mij kruis na kruis mijn weg langs en geen enkel huis waar ik nog rust zou vinden. Kom ik zo echt bij U terecht, ben ik wel Uw beminde? Spreek Gij dan in mijn hart en zeg, dat het zo goed is, dat die weg ook door Uw Zoon gegaan is, en dat Uw land naar alle kant niet ver bij mij vandaan is. (Ad den Besten)
-
588
Ds. L. Kievit: Job verliest alles (1)
Boodschappers ‘Dat is een dag geweest. Job was 's morgens vroeg opgestaan; zijn zonen en dochters vierden feest in het huis van hun oudste broer en der gewoontegetrouw brengt Job brandoffers voor ieder van hen, als een priester in zijn gezin. Daar komt een bode aan, en nog een en nog een... Ze lopen zo hard, dat ze naar adem moeten happen, eer ze hun boodschap kunnen uitbrengen. Een boodschap van ramp op ramp. Vee werd weggevoerd, slaven werden gedood. Noodweer, moord en brand! Een wervelwind, het huis werd neergesmeten, en onder de puinhopen liggen uw kinderen begraven. Telkens blijkt er één ontkomen te zijn, om het te melden. Houdt hij dan niets over? En z'n gezin, de kinderen, voor wie hij bad? Het is alsof Job zelf bedolven wordt onder het neervallend puin en gruis. Hij is volslagen geruïneerd. Ik kan het u niet beschrijven; het is met geen pen te beschrijven. En wat zal welsprekendheid? Er zijn geen woorden voor! Op één en dezelfde dag. Verpletterend. Job grijpt naar zijn hoofd, hij grijpt naar zijn hart. Want verstand en hart kunnen het niet verwerken; Job is ook maar een mens. Buigen Wanneer het tot hem doordringt, scheurt hij zijn mantel en scheert haar en baard af. Sieraad van de man, maar het past niet bij zijn diepe rouw. Dan werpt hij zich ter aarde, een gebroken man, gebroken onder de slagen die hem troffen. Bonst hij met het hoofd tegen de grond, in doffe wanhoop? Nee, dat niet. Hij buigt zich neder en dat wil eigenlijk zeggen: hij aanbidt. Hij valt voor God in het stof, en hij ziet vanuit zijn ellende tot God op! Wij vergelijken het leven wel eens met varen; tenslotte zijn we een volk van schippers en vissers, en de herinnering daaraan wordt in menige uitdrukking bewaard: vaarwel en welvaart bij voorbeeld. Om even bij dat beeld te blijven: soms is het spelevaren aan de oppervlakte, bij heel kalm weer. Soms moet het schip, zwaar geladen, de golven doorklieven, het water is donker, en de wind neemt toe. En soms schuurt de kiel van het schip langs het zand en het grint, op de bodem van de rivier. Dan dreigt het in tweeën te breken. Dat is, dunkt mij, hier het geval. Job houdt niets over dan het naakte bestaan. Hij is het zich bewust: Naakt kwam hij uit de moederschoot, naakt zal hij aan de schoot der aarde worden toevertrouwd. Wat daartussen ligt mag ons niet misleiden. Het schijnt zo veel en het blijkt zo weinig. Het heeft niet veel om het lijf, al kleden wij het nog zo fraai aan. Rijkdom, geluk, bezit, gezin. Onverhoeds ontvalt het ons. U moet Job niet verkeerd verstaan. Hier is geen nihilist aan het Woord, die meent: het is toch allemaal niets. Hier is geen fatalist aan het woord, die de overmacht van het lot aanvaardt. Hier is een man aan het woord, die het vege lijf heeft gered uit een springvloed van rampen en die daaraan ontdekt wat een mens eigenlijk is. Hoe komen we in de wereld, en hoe gaan we eruit? Als we dat eens meer bedachten, zouden we niet zo aan geld en goed hechten, zou de eenvoud ons kenmerken, ook in deze tijd van overdaad.’
-
587
Niet zien en toch geloven (Preek)
Preek over Joh. 20: 29.
-
586
Wees gegroet, gij eersteling der dagen
Wees gegroet, gij eersteling der dagen, Morgen der verrijzenis! Bij wiens licht de magt der hel verslagen En de dood vernietigd is! Heere Jezus, Trooster aller smarten! Zon der wereld! schijn in onze harten, Deel ons zelf de voorsmaak meê Van der zaalgen sabbats-vreê. Op uw woord, o Leven van ons leven! Werpen wij het doodskleed af; Door de kracht des Geestes uitgedreven, Treden w’ uit ons zondengraf: Leer ons daaglijks, leer ons duzendwerven, In uw kruisdood meêgekruisigd sterven, En herboren — opgestaan, Achter U ten hemel gaan! In uw hoede zijn wij wèl geborgen; En, schoon eerlang ’t oog on breek’, Open gaat het op den grooten morgen Na deez’ aardsche lijdensweek! Welk een dag der ruste zal dat wezen, Als w’ onsterflijk, uit den dood verrezen, Knielen voor uw dankaltaar. — Amen, Jezus! maak het waar! J.J.L. ten Kate
-
585
Ds. A. Vroegindeweij: Jezus verlaten (2)
Grote woorden ‘Dat heeft ook Petrus gedaan. Hij heeft gezegd toen de Heere Jezus sprak over de moeilijke weg achter Hem aan: „Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten." Natuurlijk spreekt daar liefde uit voor de Heiland, hartelijke liefde zelfs. En in het antwoord richt de Heere Jezus zich tot al Zijn discipelen: „Gij zult allen" — niet alleen de zwakkere broeders, maar allen met inbegrip van Simon Petrus — „gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht." De discipelen menen dat er slechts liefde, aanhankelijkheid en standvastige trouw in hun hart gevonden wordt, maar de Heere kent hun wankelmoedigheid en hun klein geloof. En Hij ziet nu de profetie in vervulling gaan van Zacharia: „Ik zal de Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden." Petrus spreekt dan zijn overmoedige woord: „Al werden ze ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden." Petrus weet nog niet dat de duivel rondgaat als een briesende leeuw om ons te verslinden. Hij weet nog niet van de kracht van die boze machten die van alle kanten op ons aanvallen, opdat we in ons geloof zouden bezwijken. Daarom zegt de Heiland ook: „Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude..." Want we hebben de strijd niet alleen tegen vlees en bloed, maar tegen alle geestelijke machten uit het rijk der duisternis. En de duivel begeert ons in zijn macht te krijgen. Daarom zal hij ons in zijn zeef schudden en schokken, hij zal ons aanvechten en verzoeken, om maar aan te tonen dat we geen tarwe maar waardeloos kaf zijn. Maar tegenover dat begeren van satan staat het roerend bidden van Christus: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Zelfingenomenheid Alle waarschuwingen stuiten echter af op de zelfingenomenheid van de apostel. Hij is immers bereid met de Heere Jezus de gevangenis in te gaan, ja zelfs de dood in te gaan. De Heiland zegt echter: „Voorwaar Ik zeg u, dat gij in deze nacht eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen." Maar ook dit woord raakt Petrus niet in zijn hart. Hij roept uit — en de andere discipelen stemmen er mee in: „Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen." Wat moeten we op de leerschool van God nog veel afleren. Niet alleen Petrus, maar ook wij. Wat moeten we toch op het Woord van God letten, dat ons zo waarschuwt dat we toch niet hooggevoelende zullen zijn, maar zullen vrezen en in kleinheid en ootmoed onze weg zullen gaan met de Heere. En wat een wonder is het dat we een biddende Hogepriester hebben, Die voor ons bidt bij de Vader, dat ons geloof niet zal ophouden. Niet aan eigen trouw en liefde zullen we onze zaligheid te danken hebben, maar aan 's Heeren trouw en ontferming.’
-
584
Het Heilig Avondmaal (Preek)
Preek over NGB art. 35 - Het Heilig Avondmaal.
-
583
Ds. A. Vroegindeweij: Jezus verlaten (1)
Zwak ‘Want ook wij ervaren het in ons leven dat we zulke zwakke mensen zijn wanneer het er op aankomt de naam van de Heere te belijden en dat we ook zo gemakkelijk op de vlucht slaan wanneer de vijand op ons afkomt, zodat er geen hoop en moed meer in ons overblijft. En wanneer Mattheüs vertelt van de discipelen die de Heere Jezus allemaal verlaten en wegvluchten, dan is het net alsof dit over ons verteld wordt. Eigenlijk zijn wij het die de Heere Jezus alleen gelaten hebben toen Hij overgeleverd werd in de hand van Zijn vijanden. Worsteling Dat was in het uur waarin de Heere Jezus meer dan ooit behoefte gevoelde aan hun nabijheid. Hij was immers mens geworden, ons in alles gelijk geworden. En in zijn menselijke natuur zocht hij naar enige hulp en steun van Zijn discipelen. Toen Hij zo-even de hof van Gethsémané betrad en die ziele worsteling begon heeft Hij gezegd: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood, blijft hier en waakt met Mij." Maar toen zijn ze al in slaap gevallen, zodat Hij vragen moet: „Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?" Maar nu is het nog erger, want nu vluchten ze allen van Hem weg en nu laten ze Hem alleen. En de aanblik van die vluchtende discipelen moet de Heere Jezus diep geraakt hebben, zodat het psalmwoord bij Hem opgekomen kan zijn: „Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen, en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden." In de duisternis van de nacht zijn de discipelen uit elkaar gestoven als een kudde schapen wanneer de herder gedood is en de bloeddorstige wolf op hen afkomt. Nu zoeken ze allemaal hun eigen leven te behouden, zelfs Petrus die gezegd heeft: „Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen." En de evangelist vermeldt nadrukkelijk: „Desgelijks zeiden ook al de discipelen." Afdwalen We kunnen dat in ons eigen leven terugvinden. Wanneer we onszelf hebben leren kennen op de school van de Heilige Geest als een schuldig zondaar, wanneer we ons verloren Ieren kennen voor God, wanneer we moeten belijden dat we de eeuwige dood verdiend hebben vanwege al onze zonden, en wanneer we dan het Lam Gods leren zien en kennen, Wiens bloed ons reinigt van alle zonde, wanneer we dan vergeving van God ontvangen en genade van de verzoening met Hem, wanneer de vrede Gods in ons hart daalt en de enige troost in leven en sterven ontvangen wordt, dan beloven we de Heere dat we in Zijn wegen zullen wandelen en dat we nooit meer van Hem zullen wegdwalen en dat we heel ons leven aan de Heere zullen geven en dat we tegen onze vijanden, de duivel, de wereld, de zonde en ons eigen boze vlees, zullen strijden. Maar dan ervaren we later hoe zwak van moed en klein we zijn van krachten. En vaak zijn we net als de discipelen zover van de Heere en Zijn dienst afgedwaald dat we Hem helemaal uit het gezicht verloren hebben. En soms is de weg zo moeilijk en het kruis zo zwaar en de toekomst zo donker, dat we ons ergeren aan het kruis van Christus.’
-
582
Jezus ontmoet Maria na Zijn opstanding (Preek)
Preek over Joh. 20: 16-17.
-
581
Het is volbracht (preek)
Preek over Joh. 19: 30
-
580
Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt
Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt, het kwaad, gekruiste Heer, dat Gij gedaan hebt, waaraan Uw volk U schuldig heeft bevonden, noem mij Uw zonden. Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen, geminacht als de minste der verloornen, en als een booswicht, die zijn straf moet dragen, aan 't kruis geslagen. Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft, U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft, - Om voor mijn schuld verzoening te verwerven, moest Gij dus sterven? Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide de herder zelf ter slachtbank zich liet leiden, de heer zich voor de schulden zijner knechten aan 't kruis liet hechten! O wonderbare Liefde, die ons denken te boven gaat, wat kan mijn liefde U schenken, wat ooit bereiken met den arbeid mijner dagen, dat U behage? O Liefde, voor dit offer van Uw leven, wat kan ik dan mijzelf ten offer geven, opdat ik nooit, hetzij ik leve of sterve, uw liefde derve! Jacqueline van der Waals
-
579
Westerse christenen dienen oog te hebben voor Afrikaanse kerkgeschiedenis
Livingstone Liever was David Livingstone (1813-1873) naar China gegaan, maar de Heere verhinderde hem. Zoals dit zo vaak gebeurt, waar de Heere roept en leert volgen. Zijn weg leidde naar Afrika. Aangeraakt door een beweging van geestelijke herleving in Schotland, werd hij samen met hen die na hem volgden tot rijke zegen voor dit deel van Afrika. In 2013 refereerde de Anglicaanse bisschop van Zuid-Malawi aan Livingstone als was hij een voorvader: ‘In de Afrikaanse traditie (…) is iemands erfgoed niet alleen verbonden met de bloedlijn, maar ook met invloedrijke personen binnen de etnische groep of zij die er op een aanzienlijke manier mee geassocieerd worden (…) Ik kan het verhaal van mijn geloof niet vertellen zonder referentie aan David Livingstone’. Het volk van Malawi, dat zich voor zo’n 80% als christen ziet, weet zich schatplichtig aan de zendingspionier die hen het kruis-evangelie verkondigde. Kerkgeschiedenis Het kleine plantje dat Livingstone achterliet, werd tot een wijdvertakte boom. In de indrukwekkende studie ‘A Malawi Church History 1860-2020’ (Mzuni Press, 2025) geven Kenneth R. Ross en Klaus Fiedler inzicht in de kerkelijke ontwikkelingen van de afgelopen anderhalve eeuw. In de voetsporen van Livingstone vormden Schotse zendelingen een belangrijke stuwende kracht tijdens de eerste jaren. Je zou de periode 1860-1910 als grondleggend kunnen zien, vanwege de diverse missies die vorm kregen in het land. Niet onbelangrijk waren daarbij de initiatieven van diverse predikanten met de achternaam Murray, die vanuit Zuid-Afrika actief waren onder de vlag van de Dutch Reformed Church. Joseph Booth kwam als baptist naar Malawi in 1892, met een diep verlangen om onbereikten te bereiken met het evangelie. Hij verloor zijn vrouw aan de dood drie weken voor zijn vertrek, maar dit weerhield hem niet. Ook de Rooms-Katholieke Kerk wist de weg naar Malawi te vinden. Naderhand gevolgd door onder andere de zevende-dag-adventisten. Stromingen die tot op de dag van vandaag zeggingskracht hebben in Malawi. Van 1910 tot 1960 veranderden de zendingsposten al meer tot gesetteld kerkelijk leven, met opleidingsmogelijkheden voor voorgangers. Zoals Stephen Kunecha, die in 1893 werd gedoopt en na twee jaar theologiestudie in 1911 werd geordineerd als presbyteriaans predikant. Diep geëmotioneerd bevestigde W.H. Murray in 1925 Andreya Namkumba tot predikant. Langzamerhand kreeg het leiderschap een Afrikaans gezicht. Dit was in lijn met David Livingstones’ verlangen. Het was zijn overtuiging dat in Afrika het best geëvangeliseerd kon worden door Afrikanen. Met toenemend nationalisme in eigen land werd het juk van de kolonisator al meer gevoeld door Malawianen. Dit leidde tot een onafhankelijk Malawi op 6 juli 1964. Dit versnelde de Afrikanisering van het leiderschap binnen de kerken in de decennia die volgden. Men verlangde ‘three selfs’ ten aanzien van het kerkelijk leven. ‘Self-governing’ (zelf leidinggeven), ‘self-supporting’ (zelf voorzien), ‘self-financing (zelf financieren). Dit vormden grote uitdagingen vanwege de armoede in het land. Gedurende de decennia 1960/1970 zetten veel kerken dit proces in gang. Bisschop Patrick Kalilombe gaf daar in 1973 woorden aan in een pastorale brief: ‘Om dit te bereiken, moet er alles aan gedaan worden om christenen tot het besef te brengen dat de kerk van hen is; zij zijn de kerk. Het gevoel dat de priesters of de zendelingen de kerk bezitten moet stoppen. Een nieuw besef van verantwoordelijkheid moet groeien waarbij iedereen beseft dat het leven en werk van de kerk afhangt van hem of haar.’ Laat helder zijn, men doelde daarbij uiteraard niet op de uitwerking van het Evangelie, daar staat de Heilige Geest immers voor in. Wel doelde men op de verantwoordelijkheid die Malawianen dienden te nemen voor de praktische kant van het kerkelijk leven. Vandaag hebben de kerken een krachtige eigen plaats in de samenleving van Malawi, in al haar diversiteit van belijden en beleven. Een kerk van Afrikanen voor Afrikanen, zoals dit Livingstone reeds voor ogen stond. Veranderde taak Soms bekruipt mij het gevoel dat het denken over zending binnen de kerkelijke gemeenten in Nederland te sterk bepaald wordt door negentiende-eeuwse gedachtenvorming. Wellicht versterkt door het lezen van zendingsbiografieën die diepe indruk maken. Ik herken dit overigens van binnenuit. De tijd ging echter verder. De taak van westerse voorgangers in een land als Malawi is een andere dan die van missionarissen in de negentiende eeuw en onvergelijkbaar met zending in onbereikte gebieden. Evangelieverkondiging en toerusting in Afrika dient met hetzelfde respect gepaard te gaan als dat wij verwachten wanneer zij tot ons komen. Dit begint met de erkenning dat God een weg met een volk gegaan is, door de kerkgeschiedenis heen. We komen niet op onontgonnen terrein, integendeel. Kunnen we nog iets betekenen in een land als Malawi? Wis en zeker, er is ruimte om desgevraagd (!) te dienen. Wij dragen een schat aan theologische doordenking, die van grote waarde kan zijn voor Afrika. Mede gezien de geestelijke dwaalleraren die hun charismatische invloeden laten gelden in onze dagen, kan de schat van de eeuwen een bron vormen om samen uit te putten. Tevens mogen wij delen van de welvaart die de Heere ons gaf, met hen die op dit punt minder bedeeld zijn dan wij. Het gaat daarbij om dienst van broeders aan broeders. Schouder aan schouder, Christus’ voetstappen drukkend.
-
578
God is een God van orde (Preek)
Preek over Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 32
-
577
Ds. W. van Gorsel over belijdenis doen als startpunt (2)
Steeds weer ‘Belijdenisvan het geloof doen kan dan ook nooit een éénmalige zaak zijn. Wie ééns de Naam van de Heere heeft beleden zal iedere keer wéér geroepen worden voor die Naam uit te komen. De manier waaróp kan voor ieder verschillend zijn. Wat voor allen geldt is natuurlijk trouw te zijn in de dienst van God. Het lijkt nauwelijks nodig dat te zeggen, want dat beloven de jonge lidmaten immers: „getrouw te zijn onder de bediening van het Woord en van de sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift...". Maar gezien het feit dat er toch altijd weer lidmaten zijn die verslappen in het kerkgaan en Bijbellezen, om maar helemaal niet te denken aan hen die op den duur helemaal afvallen, is het toch niet overbodig dat nog eens te onderstrepen. Maar voor de Naam van de Heere uitkomen, dat kan ook door onze levenswandel. Door het eenvoudige woord dat we spreken, door het goede voorbeeld dat we geven op ons werk, als we daar misschien verkeren te midden van „andersdenkenden". Het kan ook als we zelf voor een belangrijke beslissing staan, bijvoorbeeld een verandering van werkkring of een verandering van woonplaats. Dat we dan niet in de eerste plaats kijken naar de voordelen die deze verandering voor ons biedt, maar dat we eerst de vraag onder ogen zien of we in die nieuwe baan of op die nieuwe woonplaats ook de Heere kunnen dienen. En zo zijn er nog véél meer voorbeelden te bedenken. Gebed Het valt me weleens op dat onze jonge mensen over het algemeen zich deze roeping wel bewust zijn. Ze voelen vaak aan, ook zonder dat ze het nu precies onder woorden kunnen brengen, dat we leven in een geseculariseerde tijd, en dat er van mensen die de Naam van God belijden wel iets verwacht wordt. Ze schrikken vaak ook een beetje terug als ze de consequenties daarvan overzien. Daarom zou ik tenslotte dringend willen vragen om de voorbede voor allen die deze dagenbelijdenis doen. Ze zullen hun belofte in eigen kracht niet waar kunnen maken. Daarom hebben ze nodig dat er biddende ouders, een biddende familie, een biddende gemeente om hen heen staat. Kritiek leveren op de handel en wandel van lidmaten is niet zo moeilijk, maar wie zijn wij? Daarom: Spreek niet over hen met de mensen, maar spreek over hen met de Heere Wiens naam ze gaan belijden en Die gezegd heeft: „Hij Die u roept is getrouw, Die het ook doen zal".’
-
576
Ds. W. van Gorsel over belijdenis doen als startpunt (1)
Belijdenis doen ‘Tegen het doen vanbelijdenisworden vandaag nogal wat argumenten aangevoerd. Sommigen verklaren het niet te kunnen doen omdat je dan „zoveel op je neemt". Blijkbaar zijn ze van mening dat ze zich als doopleden meer kunnen veroorloven dan wanneer ze belijdende lidmaten zijn. Anderen zeggen dat die plechtigheid voor hen „niet hoeft". Die éne keer voorin de kerk staan, terwijl aller oog op je gericht is, dat zou voor de Heere toch geen waarde hebben. Het komt er maar op aan dat je ook op maandag en dinsdag, in het leven van alledag, je als christen gedraagt… Het eindpunt? Dat er zo gedacht en gesproken wordt, is op zichzelf niet vreemd. De kerkelijke praktijk heeft dat niet weinig in de hand gewerkt. In de tijd van de dode orthodoxie is debelijdenisvan het geloof gedegradeerd tot een instemmen met de ware leer. In de tijd van de Verlichting werd debelijdenisnog verder uitgehold, zodat men haar ging zien als een verklaring van kerkelijke mondigheid en als een soort gelofte tot een deugdzaam leven. Dat hield in dat men als lidmaat werd „bevestigd" en daarna voor het eerst, en tegelijk voor het laatst, deelnam aan het Heilig Avondmaal. Ook in gemeenten waar thans het aantal Avondmaalgangers minimaal is, kwam dat rond de eeuwwisseling nog voor... Er is weleens gezegd - en niet ten onrechte, datbelijdenisdoen in de vorige eeuw de eerste stap was op de weg naar volledige onkerkelijkheid... Er zal nu wel nergens meer op deze manierbelijdenisworden gedaan, maar het is toch niet bij benadering te zeggen hoe diep de visie wortel heeft geschoten dat men door het doen vanbelijdenistoch min of meer de eindstreep heeft behaald. Veelal leeft toch nog de gedachte datbelijdenisdoen een soort afronding of afsluiting is van de catechisatie-periode. Zoals leerlingen op een middelbare school gedurende het laatste jaar moeten blokken omdat zij in de examenklas zitten, zo vergaderen ook debelijdenis-catechisanten in die wintermaanden een vracht kennis. En de aannemingsavond is een soort examen waarbij ze deze kennis kunnen spuien. Om dan de vergelijking maar helemaal door te trekken, de belijdenisplaat die de kerkeraad uitreikt als herinnering, is het getuigschrift dat ze voor het examen zijn geslaagd. Het startpunt Belijdenis doen van het geloof kan nooit een eindpunt zijn, maar is — als het goed is — een startpunt. Niet in die zin dat er niets aan voorafgaat. Integendeel, in de meeste gevallen was daar het geboren worden en het opgroeien in een christelijk gezin, een van huis uit vertrouwd zijn met het Woord. Was daar ook het onderwijs op de zondagsschool, op de christelijke school, op de catechisatie. Op al deze manieren werden jongeren geleid en gevormd opdat ze straks de persoonlijke keuze zouden doen, de persoonlijke beslissing zouden nemen om in het openbaar de Naam van de Drieënige God te belijden.’
-
575
Zij brachten kinderen tot Jezus (Preek)
Preek over Markus 10: 13-16.
-
574
't Is middernacht en in de hof
’t Is middernacht en in de hof, Buigt, tot den dood bedroefd, in ’t stof De Levensvorst; in Zijn gebeên Doorworstelt Hij zijn strijd alleen. ’t Is middernacht, maar hoe Hij lijd’, Zijn jong’ren slapen bij die strijd; En derven, afgemat in rouw, De aanblik op des Meesters trouw. ’t Is middernacht, maar Jezus waakt, En ’t zielelijden, dat Hij smaakt, Bant uit Zijn hart de bede niet: „Mijn Vader, dat Uw wil geschied’”. ’t Is middernacht, en ’t Vaderhart Verstaat en sterkt de Man van smart, Die ’t enig lijden, dat Hij torst Ten eind doorstrijdt als Levensvorst. Johannes de Heer
-
573
Ds. G. Boer over de klem van de prediking
Verstaan wij dat? Paulus weet van een bediening der verzoening binnen het raam van het verbond, waarin hij als een biddende prediker staat. Hij bidt: laat u met God verzoenen. In werkelijkheid bidt de Heere Jezus Zelf: laat u met God verzoenen. Hoe nodig is het, dat onze prediking van week tot week onder dit gericht doorgaat. Wanneer deze levende en bewogen verbondsbetrekking in het oog gehouden ware, hadden wij minder scholastiek en minder stelsels en minder versteende gemeenten, waarbij de ouderen bevriezen en de jeugd ontkerstent op een verschrikkelijke manier, maar meer leven uit de God des verbonds. Want hierin is het getuigenis van de Heilige Geest. Christus moet voor ogen worden geschilderd! Wij dienen - zo zegt ergens ds.van Reenen - te gelijken op Eliëzer, die almaar sprak over zijn meester. In Hem gaan alle schatten des verbonds open.’ Dit is een citaat uit de lezenswaardige lezing ‘Verbond en prediking’ van ds. G. Boer, zie www.passievoorhetevangelie.nl.
-
572
Dr. C.A. Tukker: Onder de indruk van David Livingstone
Livingstone Tukker schrijft: ‘In mei was het namelijk 100 jaar geleden, dat David Livingstone (1813-1873), de grote ontdekkingsreiziger en zendeling, tevens arts, in Afrika, in het huidige Zambia stierf. Een man van beslissend handelen: beroemd is, toen hij spoorloos was, zijn ontmoeting met Stanley, ergens in de Afrikaanse oerwouden. Beroemd is ook zijn besluit tijdens zijn verblijf in Engeland 1857 om terug te gaan naar Afrika: 'Ik ga terug om te trachten een pad open te maken voor handel en christendom'. Niet omdat Livingstone handelsbelangen had of diende, maar aangezien hij verwachtte dat de handel aan de slavenjacht een einde zou maken. Minder bekend, maar wel treffend is zijn besluit na een brand die zijn kostbare bibliotheek in Zuid Afrika in vlammen deed opgaan: 'Nu weerhoudt niets mij om weer te gaan reizen'. Slaven Beroemd is ook zijn besluit om op latere leeftijd niet meer op te treden namens het Londens Zendingsgenootschap, maar als ambtenaar van het Britse Gouvernement. En het was wéér als met de handel, die hij wilde bevorderen, niet om de handel maar om met dit middel de slavenjacht e beëindigen. Dit keer stond hem niet het ambtenaarschap of de politieke veiligheid voor de geest. Hij koos dit middel puur omdat hij van overtuiging was dat hij zo de Afrikanen, die hij liefhad, het best van nut kon zijn in het bestrijden van onrecht en het rechtzetten van 'sociale misstanden', zoals wij die zouden noemen. Wie ervan op de hoogte is, hoe diep deze 'misstanden' wortelen in adat en (vaak godsdienstige) tradities en patronen, zal des temeer besef hebben voor het vertrouwen dat Livingstone onder diverse stammen won en dat hij met veronachtzaming van eigen welzijn, ten goede wilde doen komen aan gebieden, die tot nu toe voor Europeanen onbekend en onbegaanbaar waren. Livingstones woorden, gesproken in een college te Cambridge 1857: 'Gaat gij verder met het werk dat ik begon. Ik laat het bij u achter', vormden aanleiding tot de stichting van de Zending op Centraal-Afrika, een universitair-Engelse onderneming. Ook de zending rond het Nyasameer vanuit Zanzibar, bevorderd door de Vrije Kerk van Schotland en de Schotse Kerk, voltrok zich naar Livingstones voorbeeld. En tenslotte geraakte de man die de doodgewaande Livingstone ontdekte, de krantencorrespondent Henry M. Stanley, zó in de ban van Davids werk dat hij zijn verdere leven gaf aan de kerstening van Uganda in het bijzonder en Centraal-Afrika in het algemeen. Nederig en vastberaden Livingstone had ook zónder zendingsdrang een 'groot' man in de wereldgeschiedenis kunnen zijn. Hij heeft bijv. boeken vol afrikanistiek geschreven, daarbij gesteund door zijn scherpe opmerkingsgave. Maar juist het christelijk geloof verlegde de doelstelling van zijn reizen. Hij had niet slechts een ongelofelijk doorzettingsvermogen, maar ook een nederige geest. Het eerste komt een ontdekkingsreiziger te pas, het tweede is geen vrucht van gevierdheid, maar van oprecht geloof. Livingstones geest en brede aanpak zijn geen gemeengoed, ook niet in zendingskringen. Wij hebben de Geest van God nodig om nederig en vastberaden te zijn en te verdragen wat de gang van het Evangelie aan moeite bezorgd zonder dat we ons erover verbazen alsof ons iets vreemds overkomt.’
-
571
Verdriet en blijdschap wisselen elkaar af (Preek)
Preek over Joh. 16: 20-22.
-
570
Ds. W.L. Tukker over een verloren verbondskind
“Maar Abraham zeide: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten.” ‘Zelfs als deze man en Lazarus werkelijk geleefd hebben en wij hier een geschiedenis hebben, is dit vervolg, dit gesprek bij wijze van voorstelling zo gegeven, want Abraham weet van ons niet en er is geen gesprek mogelijk tussen gezaligden en verlorenen. Maar Jezus' gedachte is duidelijk, Jezus' voorstelling is duidelijk, Jezus' woord is duidelijk. Abraham zegt tot deze rijke, deze eens zo rijke man: “kind!” Hij herkent hem en erkent hem als een kind van het verbond. Vergeten wij het toch niet, dat als iemand eenmaal in het verbond Gods was geboren en opgenomen, hij dit tot in der eeuwigheid zal blijven. Dat teken van de besnijdenis zal de smart in de hel nog vergroten. Hier is een kind van het koninkrijk buitengeworpen. Maar een kind van het koninkrijk, dat is wat. Dat in de verlorenheid nog te moeten horen: kind! En ik was een kind. Zo nabij geweest te zijn en dan verloren te zijn gegaan, dat zal de smart verdubbelen. Dit was niet dan eigen schuld, door moedwillige en dadelijke ongehoorzaamheid. De man heeft geen gelegenheid te baat genomen om het verderf te ontgaan en hij heeft alle gelegenheden te baat genomen om het verderf te zoeken. Gedenk — zegt Abraham. Daar is gedenken in het hiernamaals, een herinnering, die nooit meer sterft. Daar is een boek van gedenken voor Gods aangezicht, maar daar is ook een boek van gedenken binnen in ons en dat laatste wordt hier in de tekst nog verscherpt. Het wordt opgeroepen. Het wordt in nadere herinnering gebracht. „Gedenk, dat gij uw goed gehad hebt in uw leven en Lazarus desgelijks het kwade." Dan terug te moeten zien op alles, wat men bezeten heeft, en tevens dat men zich daar geheel in vergenoegd heeft, tevens dat men daar zich geheel aan gewijd heeft, dat men deze dingen bezeten heeft als het enig bezit, als het enig doel van het leven. Dat goed verdrong God en de naaste, verdrong de religie en de kerk, verdrong wet en evangelie. Dat tijdelijk goed verdrong alle geestelijke en eeuwige goederen. Gedenk daarbij, dat Lazarus de smarten van het leven rijkelijk heeft moeten dragen en dat u die voor hem behoorlijk verzwaard hebt en geen vinger hebt uitgestoken om die voor hem ook maar enigszins te verlichten. Gedenk dat!’
-
569
Deze aarde is van U
Deez' aard is uw, o Heer der heren! Uw is haar wond're hemelbaan, uw zijn haar bergen, dalen, meren, haar stromen en haar oceaan. Uw is de dag, uw is de nacht: 't leeft alles slechts door uwe kracht. Uw is deez' aarde, lief'lijk stralend, als zonnegloed haar ijs ontdooit. Uw is z', in lenteschoonheid pralend, met bloesems als een bruid getooid. Uw is z', als 't wuivend korenveld een rijke, schone oogstdag spelt. Uw is deez' aard', als woeste vlagen haar akker teist'ren en haar woud, als stormen door het luchtruim jagen en neev'len dalen, kil en koud, als 't witte sneeuwkleed is gespreid, waar zij eens bloeid' in heerlijkheid. Mijn hart zij 't uw' en heel mijn leven, t blijde straalt in zonnegloed, en ook als wolken mij omgeven, als stormen varen door 't gemoed. Gij zijt mijn God, al 't uw' is 't mijn': laat immer meer mij d' uwe zijn!
-
568
De Heilige Geest brengt ongeloof aan het licht (Preek)
Preek over Joh. 16: 9.
-
567
Ds. G. Boer: Wat belooft de Heere bij de doop?
1.Gelegd zijn in de armen van een Vader, Die belooft, dat Hij met ons een eeuwig verbond van de genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil. Dat is een belofte om van te duizelen. 2.Uw kind is gelegd in de armen van een belovende Zoon, Die betuigd en verzegelt, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap van Zijn dood en van Zijn wederopstanding inlijft, zodat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. 3.Uw kind is gelegd in de armen van de Heilige Geest, Die verzekert, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. Hij verzekert, dat Hij ons wil toe-eigenen, hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente van de uitverkorenen onbevlekt in het eeuwige leven zullen gesteld worden. Deze belofte van de drieënige God komt naar het woord van Petrus ons en onze kinderen toe (Hand. 2). Daarom zijn wij in Christus geheiligd en tot genade aangenomen. Dat betekent dus, dat wij niet gelegd zijn buiten de grenzen van het verbond van de genade, maar dat wij vanaf onze geboorte zijn afgezonderd en tot een eigendom van de Heere zijn verklaard. De Heere legt daarmee Zijn hand op ons en betuigt daarin, dat wij Hem toebehoren en kinderen van het Verbond zijn. Dit betekent niet, dat wij geëigend zijn tot de zaligheid, zodat deze ons niet meer ontgaan kan. Maar wel, dat wij afgezonderd zijn van de wereld en onder de bijzondere belofte en aanbieding van het heil zijn gekomen. Dat zijn de schatten van het verbond, waarvan Psalm 25 zingt. Deze schatten gaan juist ten volle glanzen, wanneer alle aardse schatten verbleken. Wij kunnen ze ook vergelijken met een testament, waarin ze alle met naam en toenaam beschreven zijn. De erflater – de Heere Jezus – is gestorven en heeft het testament vast gemaakt in Zijn dood. En nu laat de Heere ons en onze kinderen met dit testament achter; met deze wissels, die alleen aan de bank van vrije genade kunnen worden ingewisseld. Dat testament ligt van Gods kant vast. Dat is niet Zijn eeuwige verkiezing, maar de voorstelling, de aanbieding, de verzegeling en de betekenis van de belofte Gods, ja de schenking daarvan, die een roeping en een uitnodiging inhoudt. Dat is van Gods zijde welgemeend.’
-
566
In de hemel is het schoon
In de hemel is het schoon, waar men zingt op blijde toon, met een altoos vrolijk harte, vrij van alle zorg en smarte; waar men juicht voor 's Heren troon, in de hemel is het schoon. Lieve Jezus! Gij alleen brengt ons naar de hemel heen; want vergiffenis van zonden wordt slechts in Uw bloed gevonden; ware vreugde en zaligheên schenkt Gij, Heer, en Gij alleen. Lieve Heiland! Zie ons aan, doe ons naar de hemel gaan, leer ons naar Uw stem te horen, anders gaan wij wis verloren. Leid ons op de rechte baan, dat wij naar de hemel gaan. Bundel Johannes de Heer
-
565
Paulus spreekt mensen aan op de markt
‘Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen.’ (Hand. 17: 17) In de handel geldt dat je in stilte af kunt wachten tot iemand geïnteresseerd is in je product, of dat je erop uitgaat om nieuwe klanten te werven. Degene die afwacht, hoopt dat zijn product zo aantrekkelijk is dat mensen zelf in beweging komen naar hem toe. Dat kost niet veel inspanning; maar als mensen het product niet kennen zal dit ook niet veel omzet opleveren. Je moet een product aan de man brengen. Koude acquisitie noemen we dat, onbekenden in contact brengen met je product. Daar is moed voor nodig en een vlotte babbel. Paulus blijft niet achter de schermen, met de boodschap die hij te brengen heeft. Het Evangelie van Jezus Christus deelt hij niet alleen in de samenkomst van de synagoge. Deze wekelijkse samenkomst met de Joden is belangrijk voor Paulus, maar hij werft veel breder dan alleen in deze kleine groep gelovigen. Hij gaat niet alleen om met mensen die toch al geïnteresseerd zijn in God en geloof. Paulus wil naast hen ook anderen bereiken. ‘Koude acquisitie’ zouden wij zeggen. Hij wil zijn netwerk van contacten vergroten en zoekt daarom de mensen op waar ze zijn. Paulus gaat daarom met de boodschap van Jezus Christus de straat op. We treffen hem aan in Athene, op de markt. Dat is een strategische plek. Niet alleen omdat er handel wordt gedreven, maar ook omdat het de sociale ontmoetingsplaats van de stad is. Paulus is van zichzelf geen vlotte spreker, ook heeft hij geen indrukwekkende verschijning. We moeten ons deze apostel niet voorstellen als een soort standwerker, die vanaf een sinaasappelkistje mensen op een emotionele manier inwint voor zijn boodschap. We leren Paulus in de Bijbel niet kennen als een redenaar. Wel is hij een man met een heel betrouwbaar overkomen en een navolgbare boodschap. Wie goed luistert, ontdekt dat er geen speld tussen te krijgen is. Hij kent de Joodse Bijbel door en door, heel het Oude Testament heeft hij ooit als jonge Joodse geleerde uitgeplozen. Dit helpt hem in het contact met de Joden. Maar ook mensen die nooit van de Bijbel hoorden, weet hij te bereiken met zijn boodschap. Hoe hij dat doet? Door trouw elke dag weer te verschijnen op de markt en het gesprek te zoeken. Hij wordt een bekende figuur op straat, mensen die daar dagelijks komen herkennen hem al snel. Via de contacten die ontstaan weet Paulus de boodschap van het Evangelie te delen. Als vanzelf begint het rondom hem te gonzen van meningen over deze prediker. Eén ding is wel helder, Paulus heeft één focuspunt: Jezus Christus de Zoon van God. Wie die boodschap brengt, mag verwachten dat er respons komt. Dat was toen zo, maar is vandaag niet anders. Geloof en bekering, is het gevolg van de verkondiging van het Kruisevangelie.
-
564
De Heere Jezus volgen heeft een hoge prijs (Preek)
Preek over Joh. 15: 20.
-
563
Dr. C.A. Tukker: Hoop op de Heere
‘U kent waarschijnlijk het verband waarin het Boek Klaagliederen staat tot Israëls geschiedenis. De Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, heeft vóór de woorden van hoofdstuk 1: 1 de volgende inleiding: Nadat Israël in gevangenschap gevoerd en Jeruzalem verwoest was, zette Jeremia zich wenend neer, klaagde over Jeruzalem en sprak'. En dan volgen de eerste woorden van het Bijbelboek: Hoe zit de stad zo eenzaam, die vol volks was'. Jeremia is dus in hoge mate betrokken bij de profetie die hij in de Naam des Heeren brengt. Een oudtestamenticus schreef ergens, dat Jeremia en Ezechiël het meest van al de profeten hebben geleden aan de boodschap die zij moesten brengen. Jeremia weent over Jeruzalem, de stad waarover straks de Koning Die komt in de Naam des Heeren, zal wenen. Die betrokkenheid bij het oordeel is nu ook de achtergrond vanKlaagliederen 3: 'Ik ben de man, die ellende gezien heeft door (of: onder) de roede van Zijn verbolgenheid'. En hoewel de profeet in vers 33 zegt, dat God de mensenkinderen niet van harte plaagt of bedroeft, somt hij toch maar in de eerste zestien verzen van hoofdstuk 3 op, hoe God Zich tegen Zijn volk keert. In maar liefst vierentwintig spreuken omschrijft hij de slagen, die God op Israëls rug doet neerkomen, om dan te eindigen met de rechtstreekse aanspraak: 'Gij hebt mijn ziel ver van de vrede verstoten, ik heb het goede vergeten' (vs. 17). Wie is eigenlijk die 'ik'? Bedoelt Jeremia dat God alle slagen op hem persoonlijk deed neerkomen? Nee, hier zijn de persoon van de profeet en het volk waar zijn boodschap, ook zijn tranen, voor bestemd zijn, tot eenheid versmolten. Jeremia is in de last die hij draagt en in het volk welks verdriet hij vertegenwoordigt en tot in zijn gebeente voelt, voorloper van Hem Die de straf droeg, welke ons de vrede aanbrengt. Na die zeventien verzen, die ene grote klacht vormen, komt dan ineens de omkering: 'Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen'. En dat zegt dan de man die drie verzen eerder zei: 'Mijn hoop is vergaan (weg) van de Heere'. Vanwaar die plotselinge omkeer? Er zijn twee redenen voor. Allereerst ontdekt Jeremia, dat hij en zijn volk er nog zijn, dankzij Gods goedertierenheden en barmhartigheden en Zijn grote trouw (vers 22). Met het oog op dit wonder zegt hij: 'Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen' (vers 21). Gods volk is zelfs te midden van de oordelen niet uitgeroeid, maar blijft bestaan als teken van Gods trouw. Dat is het wonder van wie door al hun deugden heenzakken als een lekke mand. Zij kunnen voor God niet bestaan en Hij tuchtigt hen. Maar in het midden van Zijn toorn gedenkt Hij aan het ontfermen. Er is een grens. Ik ben er nog. Zijn trouw is groot. De tweede reden waarom de profeet vóór het volk uit hoopt op God, van Wie de hoop vergaan was, is dat de Heere zijn Deel is. Het Hebreeuwse woord, door 'deel' vertaald, ziet op het erfbezjt. Israël en Juda zijn hun steden, huizen en vooral hun land kwijt. Dat land was immers onderpand van Gods belofte, het erfbezit binnen het verbond met God. Wég is dit alles! Zal God dan Zijn volk in leven behouden, maar Zijn verbond stop zetten? Waar zijn de tekenen, door Zijn gunst gegeven? Hoor! De Heere is mijn Deel. Hij komt in de plaats van wat ik kwijtraakte. Hij vervult Zelf door het oordeel heen de lege plek, die Zijn slagen achterlieten. Daarom zal ik op Hem hopen. Jeremia klaagt... Jeremia zingt! Er gaat een poort open. Hoop en toekomst door het oordeel heen. Na zeventig jaar keren ze weer als in een blijde droom. Het land van de belofte gaat open. En daarachter de belofte van het Vaderhuis en het nieuwe Jeruzalem. Zo is de Heere. Wie op Hem hopen, zullen niet beschaamd worden. Zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak.’
-
562
Jezus, Zielevriend in nood
Jezus, Zielevriend in nood, Leen mij schuilplaats in Uw schoot, Als op ’s levens oceaan Dreigend hoog de golven gaan. Geef dan aan mijn ziele rust In het bange noodgetij, Tot Uw hand, behouden mij Landen doet aan ’s hemels kust. Buiten U, waar zou ik gaan? Hulploos hangt mijn ziel U aan; Laat mij naar mijn smeekgebeên, Machtig Helper, niet alleen; Als de laatste lichtstar dooft, ’k Neerzink zonder tegenweer, Dek dan met Uw vleug’len, Heer, Gij mijn arm en weerloos hoofd. Meer dan alles, Heer', is mij Uw genade en medelij, Die hier in hun angst en nood Reddelozen redding bood; Redloos ben ’k door eigen schuld, Maar Gij, zonder vlek of smet, Hebt Gij ’s Vaders heil’ge wet, Och, zij ’t ook voor mij vervuld.
-
561
Identiteit van een christen ligt in Christus
Door haar eigen schuld is de bruid de Bruidegom kwijt, althans in haar ervaringsleven. Ze heeft Hem afgewezen in Zijn liefde, terwijl Hij bij haar voor de deur stond en klopte om binnengelaten te worden. Toen ze na verloop van de tijd alsnog de deur voor Hem opendeed, was Hij verdwenen. Nu zoekt ze Hem, in de nacht. De bruid van Hooglied 5 beseft heel goed dat ze het er zelf naar heeft gemaakt, maar dit houdt haar niet stil in een hoekje. Integendeel, ze gaat de straat op en zoekt Hem. Maar zij vindt Hem niet. In de nacht ontmoet ze de dochters van Jeruzalem. Tegen hen vertelt ze over de Bruidegom. De vraag van de jonge vrouwen in de nacht heeft als functie om de bruid te brengen tot het besef hoe zij zich nu tot haar Bruidegom verhoudt. Zij bezingt Hem in Zijn schoonheid. Het is alsof dit lied de weg plaveit naar terugkeer tot Hem. In de taal die ze gebruikt ontdekt ze dat ze wel ver van Hem is, maar Hij niet ver van haar. Als gevolg daarvan ziet ze Hem weer zoals ze Hem eens zag. Wat verstorven was, komt nóg meer tot leven. Waar ze naar verlangde, wordt weer ervaring. Als gevolg van haar getuigenis over de Bruidegom, weet ze nu precies waar Hij is. Namelijk in Zijn tuin. Hij Die ver was, blijkt nabij. In Hooglied 6 gaat het dan heel snel. Met dat ze beseft waar Hij is en wat Hij daar doet, treft ze zichzelf als het ware direct aan in Zijn armen. Dat is waar het in Hooglied 6: 3 over gaat. ‘Ik ben mijn Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt’. Dit is taal van liefdesomgang, ze weet zich veilig en geborgen bij Hem. Opvallend is dat ze in Hooglied 2:16, in vergelijkbare omstandigheden, een andere volgorde van woorden koos. ‘Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën’. De levensles die ze in hoofdstuk 6 dieper begreep dan in hoofdstuk 2, is dat het werkelijk alleen de trouw van de Bruidegom is, die de grond onder hun liefdesomgang geeft. Was het eerst ‘ik en Christus’, later wellicht ‘Christus en ik’; nu is het ‘Christus alleen’. Het is eeuwige liefde, die Hém bewoog. Waar liefde tot Christus niet gevonden wordt, spreekt Paulus van vervloeking (1 Kor. 16: 22). Het geloof spreekt niet in abstracties over Christus, niet over een geliefde die enkel op een afbeelding zichtbaar is. Nee, het spreekt van ‘mijn Liefste’. Dat duidt op omgangstaal. Zoals Paulus naderhand duidelijk maakt: met Christus geborgen in God. De werkelijke identiteit van een christen ligt niet in onze maatschappelijke positie, evenmin in een bepaalde levensvisie. Het hart van het christelijk geloof klopt voor Christus. Dat is wat de Heilige Geest werkt in het hart; in Christus kennen we tevens de Vader.
-
560
Prof. W. Kremer: ‘In veel gevallen zal daarom de preek dwars op de tijd staan’
‘Men stelt het vandaag nogal eens zó voor dat de preek antwoord moet geven op de vragen van de mens van nu. Daarbij heeft het dan de schijn dat de mens van vandaag een grootheid is, die op zijn wenken bediend moet worden en als dat niet gebeurt dan het recht heeft ontevreden te zijn. De zaken liggen echter nog wel wat anders. God stelt in Zijn openbaring zaken aan de orde, die de mens uit zichzelf niet op de agenda van zijn leven zet, ja waarvan hij eigenlijk niets moet hebben. Net als de openbaring zelf breekt de preek van boven af in het leven van de zondaar in - en die zit ook in de kerk - om daar ruimte te maken voor Gods werk en ons te leren de dingen niet bij eigen licht - dat duisternis is - te zien en te beoordelen. Men zou dit het ontdekkend element in de prediking kunnen noemen. Het gaat er dan niet om hoe men het graag heeft, maar wat men nodig heeft te weten. Dit kritische element van de prediking is nodig ten aanzien van de enkele mens in de gemeente in zijn verhouding tot God, maar ook in bredere zin wat de in een bepaalde tijd en op een bepaalde wijze aan de orde zijn van de diepste levensvragen betreft. De preek dient dan te doen zien om welke vragen het eigenlijk ten laatste gaat, op welke wijze deze gesteld dienen te worden, en waar en op welke wijze hun oplossing gevonden wordt. Het moet wel duidelijk zijn dat men hier met het slaken van kreten en het doen van algemene beweringen niet klaar komt. De zaken zelf dienen doorlicht te worden op zijn tijd en op een wijze, die de gemeente verstaat en waardoor zij werkelijk inzicht bekomt ook in de tijd, waarin zij leeft. Zo zal ook de tijd de prediking prikkelen om uit de schat van het Woord oude en nieuwe dingen te voorschijn te brengen. Zo zal de gemeente geworteld, gebouwd, maar ook toegerust kunnen worden tot het dragen van de wapenrusting.’
-
559
Wat doen wij in de stad? Een oproep tot omzien naar duizenden vanwege het Evangelie
Urbanisatie De groei van de wereldbevolking heeft in de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen. De getallen spreken voor zich. In 1830 telde de wereld 1 miljard wereldbewoners, in 1930 groeide dit aantal tot 2 miljard. Daarna lijkt de groei te versnellen. In 1960 telden we 3 miljard, in 1974 zo’n 4 miljard en in 2000 6 miljard wereldbewoners. Deze lijn zet scherp door, in 2011 telden we 7 miljard wereldbewoners, in 2022 8 miljard wereldbewoners. Missioloog dr. Michael W. Goheen merkt op: ‘In 1800 leefde 5% van de wereldbevolking in steden’. Hij stelt dat halverwege de 21ste eeuw 80% van de wereldbevolking in steden zal wonen. In Nederland zien we enerzijds een trek vanuit de stad naar het platteland, vanwege nieuwe mogelijkheden voor thuiswerken. Anderzijds groeien steden. Met het aangrijpende bijverschijnsel van voortdurende kerksluitingen. Wonderlijk genoeg blijken allerlei migrantenkerken als bloembollen in het voorjaar een groen kopje boven de grond te steken. Tegen de trend in. Hart en handen Naast deze urbanisatie, ontstaat er een vacuüm als het gaat om zorg voor de naaste. Met name in de steden, waar de individualisering sterker is dan op het platteland. Onze samenleving vereenzaamt en de overheid trekt zich terug uit de cirkel van directe nabijheid van kwetsbare mensen. De vergrijzende samenleving is te duur voor een verzorgingsstaat. Vandaar dat er ruimte ontstaat voor burgerlijk initiatief. De zorg voor de kwetsbare naaste in zijn eenzaamheid en soms deplorabele omstandigheden roept om een antwoord. De eeuwen door heeft de kerk hier een taak gezien. De vroegchristelijke kerk vormde een magneet in de samenleving, omdat christenen met hun dienstbare levensstijl duidelijk maakten wat het betekende om Christus na te volgen. In Mattheüs 25 stelt Jezus dat Hij via de kwetsbare medemens ons als het ware de vraag stelt: ‘Wat doe je nu met Mij?’ Dit zegt Jezus in de context van het laatste oordeel. Het gaat hier dus over een zwaarwegende vraag. De eeuwige bestemming van de gedaagde wordt er aan verbonden. Door de jaren heen is het mijn ervaring dat in de achterstandswijken van onze steden de openheid voor het Evangelie groot is. Wie wel eens evangeliseerde, zal met mij de ervaring delen dat medelanders in deze wijken meer ruimte bieden voor gesprekken over het evangelie dan geslaagde mensen achter dure voordeuren. Ik heb meer gesprekken over het Evangelie gevoerd bij overstromende asbakken en bierviltjes, dan in penthouses. De stad roept om hoofd, hart en handen voor de verkondiging van het Evangelie en de zorg voor de kwetsbare naasten. Daar leven duizenden die in geestelijk opzicht het verschil tussen hun linker- en rechterhand niet kennen, als bij Jona’s Ninevé. Missio Deï In de afgelopen eeuwen verspreidde zich het Evangelie over alle continenten van de wereld. Het muntje in het busje voor kinderen in donker Afrika heeft vrucht gedragen. Het zwaartepunt van de kerk is in de afgelopen decennia verschoven naar het Zuidelijk halfrond. Een ongekende beweging vond plaats, die ons eerbiedig doet buigen voor de Heere in het besef dat de verbreiding van het Evangelie werkelijk missio Deï is. Hij staat er Zelf voor in. Verkondiging Bovenstaande overwegende, stelt dit ons de vraag hoe de toekomst tegemoet te treden als burger van één van de meest geseculariseerde landen van de wereld. Hierbij vormt de Woordverkondiging de sleutel. Maar ‘hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben?(Rom 10: 14b) Dit betekent dat de bediening van de verzoening in de steden om revitalisatie vraagt. Voor ons kerkgenootschap betekent dit dat we onze ogen leren richten op de stad. Om daar met Woord en daad de Heere te dienen in de wijken. Laten preekstoelen gered worden van de sloophamer, om gevuld te worden met predikers van soevereine genade voor verloren zondaren. Laten verpauperde Godsgebouwen weer druisen, tot Gods eer. Als dit ons iets mag kosten, dan misschien allereerst onszelf? Beter dan dr. J.H. Bavinck kan ik het niet uitdrukken, wat dan het richtpunt zou moeten zijn bij deze opdracht: ‘En nu is het wel waar, dat wij van die liefde met woorden alleen niet genoeg vertellen kunnen en dat wij het ook met daden betonen moeten, maar de nadruk valt toch altijd op de liefde van Christus. Hem moeten wij prediken en dat kan niet zonder woorden. Pas wanneer wij telkens met eerbied spreken over onze Heiland en Meester, zullen onze hoorders ook de barmhartigheid, die wij betonen, niet gaan zien als bewijzen van onze voortreffelijkheid, maar als vruchten van het werk van Hem, Die ons eerst heeft liefgehad. Woord en daad kunnen nooit van elkaar gescheiden worden.’
-
558
Prof. W. Kremer over prediking met de verbondsgemeente als luisteraar
‘Hier heeft de geestelijke leiding haar basis. De prediking spreekt in aansluiting aan deze Woord-belofte-eis-relatie. Zij gaat echter fout, wanneer zij zou onderstellen, dat deze relatie in feite bezit van de geestelijke weldaden onderstelt. Juist in de verbondsgemeente geldt: Indien iemand niet wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien en niet ingaan. Het klassieke doopsformulier zij hier leidraad voor geestelijke leiding.Wij mogen in de prediking de genade niet over de natuur zetten en de bondeling aanspreken als ware hij een gelovige. Wij kweken dan wel een „geestelijke" beschouwing, maar onderwijzen niet in het leven door en uit het Verbond Gods. De prediking dient te leiden tot het besef, dat radicale vernieuwing van de bondeling naar het verbond moet, mag en kan geschieden, juist omdat God het verbond met ons en onze kinderen aanging. Dit moet juist als evangelie ten volle verkondigd worden. Zo kan er ook plaats komen voor Christus als Borg des Verbonds. Christus is geen helpende Zaligmaker, die rijke jongelingen en jongedochters de handen oplegt en hen goedkeurend bemoedigt in hun algemene religiositeit. Juist nu het gevaar van vervlakking allerwege dreigt, dient de geestelijke leiding helder en scherp te zijn, opdat het snode van het kostelijke klaar worde onderscheiden. Om dit te bereiken is de onderscheiding in onbekeerden, bekommerden en bevestigden ongenoegzaam. Er is in de verbondsgemeente veel meer verscheidenheid. In een onderwerpelijke, onderscheidende en ontdekkende prediking zal zij daarom benaderd moeten worden.’
-
557
Nooit meer dorst (Preek)
Preek over Joh. 4: 13-14.
-
556
Dr. C.A. Tukker: Twee dochters die om een Arts verlegen zijn (2)
‘En ik héb Hem aangeroepen, ik Jaïrus, en Hij vergeet mij. Nóg terwijl Jezus sprak, zegt Lukas om te benadrukken hoe Jaïrus geschokt, wordt - nóg terwijl deze woorden van behoud uit Zijn mond klinken, komt er een uit Jaïrus' huis met de boodschap: Uw dochter (met klemtoon!) is gestorven; zijt de Meester niet moeilijk. Deze dochter gaat heen in vrede. Maar haar vrede kost mijn dochter het leven. Zijt de Meester niet moeilijk. U ziet toch, dat Hij het te druk heeft met anderen? Het is niet voor u. Laat Hem gaan, Jaïrus, aan uw huis inmiddels een sterfhuis - voorbij. Net als bij Lazarus is het hier immers te laat? Nee! Tot déze gekwelde Jaïrus spreekt de Zaligmaker dezelfde taal als tot die dochter die twaalf jaren bloed had gevloeid. Geen onderscheid in de nood? Geen onderscheid in het Evangelie. Erbuiten gezet? Er binnen gesloten. 'Vrees niet, geloof alleen, en zij zal behouden worden'. Dood is niet dood. Jezus komt bij het bed. Mensen jammeren, slaan zich op borst en hoofd in nagemaakte gespeelde, opgevoerde rouw. De tot dit doel gehuurden zijn er al. De vorst der duisternis, de koning der verschrikking is de Levensvorst vooruit. En in die gehuurden lacht hij Jezus uit, wanneer Hij zegt dat de dochter slaapt. Zij weten wel beter! De dood schijnt het dit keer te winnen van Hem, Die het leven is. Maar Jezus grijpt haar hand en roept, zeggende: Kind sta op! En zo gebeurt het. Jaïrus en zijn vrouw en de discipelen hebben een les voor het leven geleerd. Allereerst: mijn eniggeboren dochter is niet waardiger dan de dochter die twaalf jaar bloed vloeit. Het 'ik ben het niet waard' van de bouwer van de synagoge wordt de les voor haar overste. Ten tweede: er gaat kracht van Jezus uit tot behoud. Het kan, maar gaat Hij mijn deur voorbij? Zal ik in het zicht van de haven stranden? Ten derde: de tegensprekers komen opzetten. Vroom in de vorm van de boodschapper uit zijn huis. Zijt de Meester niet moeilijk. Hij heeft méér te doen. Vergeet Hem en laat Hij u vergeten. En grof en goddeloos in de vorm van de klaagvrouwen. Zij belachen Hem, want zij weten dat zij gestorven is. Wat wil Deze? Wij hebben toch de triomf van de dood geconstateerd? En vroom en grof zingen één deun: te laat. Ten vierde: Jezus hoort het en zegt: Vrees niet, geloof alleen. Dat wil zeggen vergeet niet Mij maar al die andere stemmen. Leg het naast u neer, want Ik ben er. De Heere geloven is altijd Hem alleen geloven. Ten vijfde: zij zal behouden worden. Het gebruikte werkwoord betekent meer dan dat de dochter in dit leven opstaat en haar bestaan voortzet. De Heere redt volkomen wie Hem alleen overhouden en geloven. Hoelang duurt het nu al? Jaren op Hem gehoopt en niet geholpen? Om u heen en in u zeggen ze: Het is te laat, het kan niet meer. U hebt de klaagvrouwen al gehuurd. Maar vergis u niet. Laat de dood zich maar vergissen, doch vergist u zich niet. Vrees niet, geloof alleen. Daar vallen alle stemmen weg. En Hij spreekt van blijde troost en vrede en maakt de doden levend.
-
555
Trouw tot in duizend generaties (Preek)
Preek over Psalm 105: 8.
-
554
Avondlied: Laat heel de wereld zinken
Laat heel de wereld zinkenmet al wat haar behoort,de dag heeft uit met blinkenen gaat tot d' avond voort.Wij willen samen zwijgenen sluiten onze kring,tot onze vreugden stijgendoor deze schemering.De vreugd' is kern der dagen,die blijft waar alles vlood,wanneer w' ons zelf maar wagen,al waar' 't ook in de dood.Er is slechts één vergeven:daar waar ons God vergeeft;er is ook slechts één leven:dat uit Gods liefde leeft.
-
553
Dr. C.A. Tukker: twee dochters die om een Arts verlegen zijn (1)
JaïrusVan dezelfde synagoge, die de hoofdman te Kapernaüm uit liefde tot Gods volk heeft laten bouwen (7 : 5), is Jaïrus overste. Hij is de man die in de synagoge de leiding heeft, zelf uit de Schriften voorleest of anderen daartoe uitnodigt. Jezus wordt gebeden in zijn huis te komen, want hij heeft één dochter van ongeveer twaalf jaar, en die is doodziek. Zal Jezus niet direct komen en dat kind genezen? Doodziek betekent immers dat geen uitstel gedoogd kan worden! Tweemaal komen we in het Evangelie zo'n 'geval' tegen. Hier de dochter van Jaïrus, en straks (Joh. 11) Lazarus. In beide gevallen stelt Jezus Zijn komen uit. Waarom? Wanneer Lazarus gestorven is, zegt Jezus tot Zijn discipelen: Ik ben blij om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt'. En hier bij Jaïrus bedient Hij Zich van dezelfde taal: Vrees niet, geloof alleenlijk'. God beproeft mensen, en soms lijkt het alsof Hij kwelt. Maar in werkelijkheid werkt Hij via een omweg van uitstel, dat afstel dreigt te worden, geloof in het hart dat Hem alleen voor het wonder van de genezing zocht. ArtsJezus gaat mee, doch wordt verdrongen en tegengehouden. Het lukt niet, het gaat niet snel genoeg. Reken gerust dat Jaïrus' hart ineenkrimpt. De enige Arts Die helpen kan, komt dadelijk ook nog te laat. Overigens laat Jezus Zich niet door 'niets' of voor 'niets' tegenhouden. Er is een vrouw. Jazeker er zijn zoveel vrouwen. Nee, let eens op: dit is een apart geval. Deze verkeert in gelijke omstandigheden als Jaïrus dochter. Alle geld aan artsen gespendeerd, en niemand had haar kunnen genezen. Lukas, de arts, weet wat hij schrijft wanneer hij deze vrouw en Jaïrus' dochter naast elkaar stelt. En als wij haastig concluderen: 'Maar zo'n kind gaat toch voor', dan zegt Lukas: wacht even; hoe oud is dit meisje? Ongeveer twaalf jaar! En hoelang heeft deze vrouw bloed gevloeid? Twaalf jaar! Is die vrouw niet net zo doodziek als dat meisje? Des mensen bloed is zijn leven. Deze vrouw bloedt straks dood. Net zo lang als het meisje leeft, vloeit de vrouw bloed. Is er verschil? Durft u te kiezen of voorrang te verlenen? KrachtJezus neemt de tijd. Er ontstaat een gesprek over wie Hem (bewust) aangeraakt heeft. Met nadruk in het Grieks zegt Hij: 'Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is'. Jaïrus popelt van ongeduld, maar kan niet anders dan bij Jezus blijven en moet alles aanhoren. In de nood van een vader met een doodziek kind leert Jezus hem wat Hij doet dien die op Hem wacht. 'Ik heb bekend...' God gaat Zijn soevereine weg. En Zijn weg is zelfs in de grootste nood geheel Zijn weg: anders en hoger dan onze wegen, zoals Zijn gedachten hemelhoog zelfs boven die van een vader met een doodziek kind uitgaan. Gelooft Jaïrus? Voor zijn oren verklaart de vrouw om welke oorzaak (vs. 47) zij Jezus heeft aangeraakt. In een andere evangeliebeschrijving zegt ze bij zichzelf: 'Indien ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden'. Door dit geloof wordt ze behouden en houdt haar kwaal op. DochterDat alles maakt Jaïrus mee. In nog een ander opzicht stelt Jezus de vrouw naast zijn dochter. Hij spreekt die vrouw aan met 'dochter'. Als je Jaïrus vraagt: Over hoeveel dochters gaat het? dan zegt hij: Ik heb er maar één, een eniggeborene, en die moet ik als het zo doorgaat, nog afstaan aan de dood. Maar Jezus maakt in Jaïrus' bange ogen en hart plaats voor wat Hij ziet: er zijn er twéé. Jij bent het niet alleen, en jouw dochter is het niet alleen. Het lijkt hard, maar wat een les, en ook wat een verlossing wanneer de Heere ons uit ons kleine kringetje, waarin we met onze nood vastlopen, losmaakt en ons eens laat zien, hoe Hij de nood van anderen en van onszelf ziet en op waarde schat. In die les begint, zoals we volgende week zullen horen, het behoud.
-
552
Het Licht schijnt in de duisternis (Preek)
Preek over Joh. 1: 5.
-
551
Vanaf welke leeftijd leer ik mijn kind hardop een vrij gebed doen aan tafel of bij het naar bed gaan?
Een kind is gebaat bij dagelijks terugkerende rituelen. Gewoontegedrag is de sleutel, als het gaat om het ontwikkelen van een heilzame geloofsopvoeding. Ik herinner me twee gewoonten die in mijn eigen opvoeding dagelijks praktijk waren. Allereerst het kindergebed na het grote gebed aan tafel: ‘Heere, zegen deze spijze, uit genade, om Jezus wil, amen’. Een heel eenvoudig gebed, maar dit leert het kind de kern verwoorden en tegelijkertijd hardop tot God gaan. Zowel praktiseren als oefenen. Daarnaast knielde ik voor mijn bed, terwijl mijn vader ons als ‘kleintjes’ naar bed bracht. Dit was zijn dagelijkse taak, nadat mijn moeder de hele dag als opvoeder actief was. Bij dit kindergebed klonken de bekende woorden ‘Ik ga slapen ik ben moe’. Vervolgens mochten we daar als kind een persoonlijk gebed bij uitspreken, met wat ons bezig hield. Zo oefenden wij het bidden. Ik kan mij geen tijd herinneren dat ik dit niet deed als kind, dus ik denk dat we bij het ontwikkelen van spreken ook leerden bidden. Dus vanaf een jaar of twee drie tot de middelbare school. Rond het einde van de basisschool was het kindergebed vervangen door een vrij gebed, met een aantal coupletten van de avondzang. Ergens in die periode lieten mijn ouders het los en was het gewoontegedrag praktijk. Als tiener zal ik het best wel eens over hebben geslagen, maar nooit zonder schuldgevoel. Wie als kind leert bidden, oefent een gebedspraktijk voor het leven. Waarom ik zoveel aandacht geef aan deze standaardgebeden? Omdat ik denk dat ze de dragers zijn voor het vrije gebed. Leer kinderen vaste rituelen, dan kun je daar later op variëren. Wie niet eerst vaste gebeden leert, heeft geen basiswoorden en praktijk om bij aan te sluiten. Aan tafel kan een kind leren om soms het ‘Onze Vader’ te bidden, een kind van een jaar of tien zal dat nog graag doen, als ze veertien jaar zijn lijken ze het weer vergeten te zijn. Het is dus van groot belang dat voor het zich ontwikkelende schaamtegevoel van de tienerjaren de belangrijke gebedslessen en rituelen zijn aangeleerd. Leer vanaf de wieg dagelijkse rituelen aan. Zodra een kind zelf woorden kan geven aan dingen, bijvoorbeeld als vier of vijf jarige, kun je dit koppelen aan het standaardgebed. Na verloop van tijd zal als vanzelf de ruimte voor het vrije gebed ontstaan. Dit in samenhang met de eigen aard en talenten van het kind. Immers, ieder kind is anders. Deze vraag en mijn antwoord daarop is eerder gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad.
We're indexing this podcast's transcripts for the first time — this can take a minute or two. We'll show results as soon as they're ready.
No matches for "" in this podcast's transcripts.
No topics indexed yet for this podcast.
Loading reviews...
ABOUT THIS SHOW
De Vorming voor elke dag podcast. Goud uit het verleden. Gemunt voor vandaag.
HOSTED BY
Ds. A.S. Middelkoop
CATEGORIES
Loading similar podcasts...